”Het kanon van de Brederode terug in het stadhuis van Brielle”

”Het kanon van de Brederode is thans teruggeplaatst van het Maerlantcollege naar de hal van het stadhuis.”foto gemaakt door F. Keller

foto gemaakt door F. Keller

Door: drs. A. A. van der Houwen

Het kanon van de Brederode:  een Deens geschenk.

In de hal van het Maerlant College aan de Burgemeester H. van Sleenstraat staat een eeuwenoud kanon opgesteld. Van nabij is de ouderdom er duidelijk van af te lezen. Het kanon heeft 250 jaar op de zeebodem gelegen, tussen de wrakstukken van het Nederlandse oorlogsschip de Brederode, dat in 1658 zonk in de Sont, de zeeëngte tussen Denemarken en Zweden. De tand des tijds en de uitwerking van het zeewater zijn goed zichtbaar. Oorspronkelijk woog het ijzeren stuk geschut 2.000 kilo, door corrosie weegt het momenteel niet meer dan 1.875 kilo. Het kanon werd in 1909 geborgen en door de Deense regering aan

ons land geschonken. Vervolgens werd het op verzoek van Brielle aan deze stad in bruikleen gegeven ‘om aldaar te worden tentoongesteld’.Het kanon herinnert aan de Brielse zeehelden Maarten Harpertsz Tromp (1598-1653) en Witte Cornelisz de With (1599-1658), maar is misschien nog wel meer een tastbare herinnering aan het schip de Brederode, waarop beiden overwinningen behaalden, maar waarop zij ook beiden sneuvelden.

De Brederode.

Het schip-van-oorlog de Brederode (1646-1658) was in zijn tijd een beroemd schip; op veel schilderijen is het afgebeeld. De Brederode behoorde tot de admiraliteit van de Maze en was gebouwd in Rotterdam onder leiding van de beroemde scheepsbouwmeester Jan Salomonsz. van den Tempel, die ook de Aemilia, het vlaggenschip van Tromp, heeft gebouwd. Toen het schip in 1646 van stapel liep was het het grootste en sterkste oorlogsschip van de Republiek; het voerde ruim vijftig stukken en had een bemanning van 270 koppen. Het werd vernoemd naar Johan Wolfert van Brederode (1599-1655), de Eerste Edele van Holland, en voorzitter van de Ridderschap en zwager van stadhouder Prins Frederik Hendrik. Het schip zou een roemrijke staat van dienst opbouwen.

Witte Cornelisz de With

De vice-admiraal van de admiraliteit van de Maze, Witte de With, was nauw betrokken bij de bouw van het schip. Het te bouwen schip moest dan ook zijn eigen schip, de Maagd van Dordrecht, vervangen. In april 1646 maakte De With met de Brederode de maidentrip. Gedurende vier maanden kruiste hij met het nieuwe schip in het Kanaal, om daarna Duinkerke te blokkeren terwijl dat aan de landzijde door de Fransen werd belegerd. In oktober 1647 viel het kapersnest in Franse handen en kon De With met zijn vloot terugkeren. Bij het binnenbrengen in Hellevoetsluis is de Brederode, zoals De With zijn superieuren schreef, ‘zeer ontramponeert geworden’ doordat het galjoen bij een aanvaring werd beschadigd.

Brazilië

Na de val van Duinkerke werden alle grote oorlogschepen opgelegd, behalve de Brederode. Het was het vlaggenschip van Witte de With, toen hij eind 1647 met een vloot van twaalf oorlogsschepen, transportschepen en 6.000 man koers zette naar Zuid-Amerika. Daar werden de bezittingen van de W.I.C. op de kust van Brazilië bedreigd door aanvallen van Portugezen en toenemende onrust onder de bevolking. Dit ‘Nieuw Holland’ was voor de W.I.C. van groot belang: het sloot de economische driehoek Europa-West- Afrika-Brazilië. De Heeren Negentien hadden de Staten Generaal dan ook om steun verzocht. De With kon echter weinig uithalen. Te land boekte de vijand succes na succes, op zee ging zij de strijd uit de weg. Voor de driftige De With waren het loodzware maanden. Zijn verstandhouding met de Hoge Raad, het bestuurslichaam van Brazilië, daalde tot een dieptepunt. Het liefst zocht De With de aanval; hij wilde de Portugese vloot opzoeken en strijd leveren, maar de Hoge Raad, die verdediging belangrijker vond, gaf daarvoor geen toestemming. Bovendien vreesde hij voor zijn schepen; deze leden sterk onder de tropische omstandigheden; zij werden ‘extraordinaer van de wormen gegeten’. Dit gaf voor hem de doorslag. Wanneer hij langer in Recife bleef, zo vreesde de vice-admiraal, dan zou zijn vloot niet meer in staat zijn om

de overtocht naar de Republiek te maken. Tegen de uitdrukkelijke wens van de Hoge Raad in, vingen de Brederode en de Gelderland de thuisreis aan. Op 28 april 1650 gingen zij voor Hellevoetsluis voor anker. Het eigenmachtig optreden van De With kreeg een staartje. Toen hij twee dagen later verslag deed van zijn reis werd hij gevangen gezet. Na een proces van vijf maanden, waarin zelfs de doodstraf werd geëist, werd hij in vrijheid gesteld, op verbeurd verklaring van zijn gage vanaf het moment dat hij Brazilië had verlaten, en tegen betaling van de kosten van het proces.

Eerste Engelse Oorlog

De Brederode was in de tussentijd gegeven aan Maarten Harpertsz. Tromp, wiens Aemilia in 1647 was verkocht. Tromp was erg in zijn sas met de Brederode. Hij roemde het schip als ‘een van de beste seylders van de vloote’. Die kwaliteiten zouden het schip goed van pas komen. De jaren daarop raakte de Brederode regelmatig slaags met de Engelse vloot. Het eerste incident vond plaats op 29 mei 1652 nabij Dover. Door een nog steeds onduidelijke oorzaak beschoot Blake, de Engelse bevelhebber, de Brederode, toen het schip langszij kwam en een sloep uitzette. Het schip liep daarbij schade op en enkele matrozen raakten gewond. De verraste Tromp reageerde aanvankelijk niet, om de zaak niet te laten escaleren. Niettemin

ontaardde dit in een vijf uur durend gevecht. De Engelsen legden later de schuld bij de Nederlanders en wezen erop dat de vlag niet naar behoren zou zijn gestreken. Achteraf bezien was dit ‘vlagincident’ het begin van de Eerste Engelse Oorlog. Die oorlog verliep rampzalig. De Engelse vloot hield flink huis onder de Nederlandse vissersvloot op de Noordzee. Tien van de twaalf begeleidende oorlogschepen werden veroverd. Toen Tromp met een vloot van 92 schepen en zeven branders, bemand met 11.000 zeelui en soldaten naar de Engelse vloot op zoek ging, werd hij bij de Shetland-eilanden overvallen door een zware storm. Elf oorlogsschepen gingen daarbij verloren. Dit kostte Tromp zijn positie. In augustus werd hem het opperbevel afgenomen, dit werd vervolgens opgedragen aan Witte de With.

Oktober 1652: een zwarte bladzijde

Kort daarop was er voor de Brederode opnieuw een rol weggelegd, ditmaal bepaald geen strijdlustige. In oktober 1652 kreeg De With nabij Duins de Engelse vloot in het oog. Hoewel zijn vloot duidelijk in de minderheid was, wilde hij met zijn schepen tot de aanval overgaan. Bij het overgaan van zijn Princesse Louise naar de Brederode, weigerde de bemanning hem echter aan boord te laten. Zij zagen in hem de tegenstander van hun Bestevaer Tromp en meer nog: zijn reputatie was hen bekend. Hij zou zich als een dolle hond op de vijand werpen. De bemanning verklaarde ‘(wij) sullen niet vechten naar behooren en souden liever een laech schut op hem lossen’, indien De With de Brederode als vlaggenschip zou nemen. Het optreden van de bemanning van de Brederode was tekenend  voor de stemming binnen de vloot. De nieuwe Engelse vijand boezemde velen ontzag in. Niettemin gaf de With bevel tot de aanval. Zoals van hem verwacht werd, wierp De With zich op 8 oktober aan het hoofd van de vloot in de strijd, aan boord van een geleend V.O.C. schip, waar hij een niet bekwame bemanning trof en hij naar eigen zeggen ‘de ampten van capiteyn, luytenant, stierman, constapel, constapelsmaets, jae tot provoost incluys (…) moest aenvatten.’ De strijd duurde tot het donker werd. De moed van De With werkte niet aanstekelijk, integendeel. Tijdens de krijgsraad aan het begin van de tweede dag waren er meer en meer kapiteins onwillig om de overmacht het hoofd te bieden. En hoe De With ook dreigde: ‘ik verzeker het U, (er) is nog hout genoeg in het Vaderland om galgen te maken’, het mocht niet baten. De Ruyter en Evertsen raadden hem aan om vooral niet zelf de aanval te kiezen. Daar moest De With zich bij neerleggen. Ook de Engelse admiraal Blake likte zijn wonden en pas laat in de middag liet deze zich weer zien. Opnieuw was het De With die de spits vormde, en daarmee de vloot kans gaf tot een gecontroleerde terugtocht. Tenslotte wist hij zijn vloot zonder groot verlies thuis te brengen. De nederlaag in de Tweedaagse Slag bij Duins of Kentish Knock, leidde tot het ontslag van een aantal kapiteins die zich laf hadden gedragen en hun schepen buiten de strijd hadden gehouden. De confrontaties met de Engelsen maakten één ding duidelijk: de Engelse schepen en kanons waren superieur aan die van de Republiek. Het zou een kwestie van tijd zijn voor de Engelsen de volledige overhand zouden hebben.

De bezem in de mast

Kort daarop kon de Brederode zich van smet zuiveren. Tromp keerde terug aan boord en aan het hoofd van de vloot. Hij kreeg opdracht een koopvaardijvloot te begeleiden door het Kanaal naar het zuiden. In het Kanaal trof Tromp een deel van de Engelse vloot onder Blake. De Slag bij Dungeness, op 9 en 10 december 1652, werd een grote Nederlandse zege. Na afloop zou – volgens een Engelse legende – Tromp een bezem in de mast van de Brederode hebben gehesen om aan te geven de zee te hebben schoongeveegd. Of Tromp werkelijk zo opgetogen zal zijn geweest is zeer de vraag. Zijn vloot en vooral zijn schip was zwaar gehavend. De enige reden om het niet zelf tot zinken te brengen was dat de Brederode nog steeds één van de beste zeilers was en, indien de onderste kanons konden worden gebruikt, ook het meest verwoestende. Dungeness bleek een Pyrrhus-overwinning. De Engelsen trokken lering uit de nederlaag en zetten de volgende maanden alles op alles om de vloot te herstellen: schepen werden gerepareerd, officieren die niet voldeden werden ontslagen, nieuwe generals at sea aangesteld, discipline aangescherpt en gages verhoogd. Toen Tromp eind februari terugkeerde van zijn konvooireis wachtte een vloot hem op aan de Engelse zuidkust. Drie dagen duurde de strijd, waarbij de Engelsen zich niet bekommerden om de koopvaarders, maar zich richtten op het vernietigen van de vloot. Daarin slaagden zij niet, maar de vloot leed wel grote schade. De Brederode was zo zwaar gehavend dat het schip in Hellevoetsluis grondig hersteld moest worden en niet kon uitvaren toen Tromp begin mei opnieuw in zee stak. Op 3 juni voegde de Brederode zich bij de vloot en nam Tromp aan boord. Het was de bedoeling geweest om de Theems te blokkeren, maar de Engelse vloot was reeds naar buiten gekomen. Op 12 juni 1653 troffen beide vloten elkaar bij Nieuwpoort. Hoewel het aantal schepen (elk 100) ongeveer gelijk was, gaf het zwaardere bronzen geschut de Engelsen de overhand en Tromp en zijn officieren moesten hun superieuren melden dat de Engelsen werkelijk de betere partij vormden en er zonder aanpassingen geen sprake meer kon zijn van gelijke strijd. De krachtmeting met de Engelse vloot maakte nóg iets duidelijk. De Engelsen hadden een nieuwe strijdmethode geïntroduceerd: het liniegevecht. Daarbij voeren de schepen in linie achter elkaar en gaven de vijand de volle laag. De mêlee, de oude manier van vechten waarbij de vloten zich op elkaar storten en min of meer een lijf aan lijf gevecht aangingen, behoorde tot het verleden. Dit betekende dat de schepen groter moesten worden en de kanonnen een groter bereik dienden te hebben. Voor een mêlee moesten schepen snel en wendbaar zijn, voor een bombardement dienden zij juist over veel vuurkracht te beschikken. De Brederode was één van de weinige schepen die aan de moderne eisen voldeed, maar had in de strijd een groot aantal treffers moeten incasseren, waaronder verscheidene schoten onder de waterlijn. Pompend en met een kruitkamer die blank stond, keerde het schip terug in het vaderland. Daar werd met verslagenheid gereageerd op het dramatische verloop van de oorlog. De zeehandel lag stil en vervangende oorlogsschepen waren nauwelijks beschikbaar. Voor het eerst in de geschiedenis blokkeerde een Engelse vloot de kusten van Zeeland en Holland.

Ter Heijde, de dood van Tromp

In augustus 1653 werd een poging ondernomen de blokkade te doorbreken. Op 8 augustus trof Tromp, op weg naar het noorden om De With af te wachten, de Engelse vloot bij Wijk aan Zee. De volgende dag slaagde Witte de With er in om zich met zijn schepen bij de hoofdmacht te voegen. Op 10 augustus brandde de strijd los. Het zou de laatste strijd worden voor Tromp. De strijd was zeer verbitterd, de Brederode zocht voortdurend de aanval en viel het ene schip na het andere aan. De vierde charge werd Tromp fataal, hij werd door een musketkogel in de borst getroffen en stierf kort daarop in zijn hut. De With nam de leiding over en wist de zwaar gehavende vloot in redelijke orde naar Texel te loodsen. De Slag bij Ter Heijde was verloren, maar had zijn doel bereikt: de Engelse vloot was zo zwaar gehavend, dat zij de blokkade moest opgeven en zich terugtrok. Vredesbesprekingen leidden in 1654 tot de Vrede van Westminster. De volgende jaren was het relatief stil. Korte tijd was de Brederode vlaggenschip van de nieuwe vlootvoogd luitenant-admiraal Jacob van Wassenaar Obdam (1610-1665), totdat hij ‘de Eendracht’ kreeg, het grotere schip kreeg dat voor Tromp was gebouwd. De Brederode kwam weer onder bevel van Witte de With en diende als kruiser voor de kust.

De Oostzee

Onder De With voer de Brederode kort daarop naar Dantzig. Voor de Republiek was de handel op de Oostzee van enorme betekenis. Het hout en graan dat men in de Oostzee kocht, vormden een onmisbare schakel in de handelsketen die het land met Zuid-Europa verbond. Het was de Republiek er alles aan gelegen om rust en evenwicht in dit gebied te bewaren, zodat de ‘moedernegotie’, zoals de Oostzeehandel werd genoemd, ongestoord kon doorgaan. In het midden van de 17e eeuw was dit moeizaam: Zweden was onder leiding van Karel X Gustaaf (1622-1660, koning vanaf 1654) aan een expansie bezig, waarbij de gehele Oostzeekust in Zweedse handen of invloedsfeer kwam. In de Republiek werd dit alles met bezorgdheid gevolgd. Toen de Zweden de stad Dantzig – wellicht de belangrijkste handelsstad voor de Republiek in de Oostzee – bedreigde, greep de Republiek in en stuurde schepen. De vloot stond onder bevel van Wassenaar Obdam. Ook de Brederode voer mee naar Dantzig, waar het schip werkloos bleef liggen tot 6 oktober. De aanwezigheid van de vloot was voldoende om de Zweedse koning van een aanval op de stad te doen afzien. Op 6 november 1656 ging de Brederode voor Hellevoetsluis voor anker. Twee jaren later moest de Brederode opnieuw naar de Oostzee. Karel X had een beleg geslagen voor Kopenhagen en dreigde Denemarken binnen zijn invloedsfeer te krijgen. De Republiek besloot in te grijpen en zond een vloot onder Wassenaar Obdam om de Denen te ontzetten.

De Slag in de Sont

In de vroege morgen van 8 november zeilde de Nederlandse vloot van 35 schepen met een noordenwind de Sont in. Daar wachtte de Zweedse vloot van 45 oorlogsbodems onder Carl Gustaf Wrangel haar op. In het nauwe vaarwater was weinig ruimte tot manoeuvreren en al spoedig ontstond een mêlee. De With voerde de vloot aan, eerst stortte de Brederode (59 kanons) zich, samen met de Eendracht (72 kns) van Wassenaar Obdam, op de Victoria (74 kns) van Wrangel. Daarbij werd het Zweedse vlaggenschip zo gehavend dat het zich uit de strijd moest terugtrekken. Vervolgens viel De With het viceadmiraalschip de Draak (66 kns) aan, dat van verschillende kanten hulp kreeg. Terwijl de Brederode verbeten vocht tegen vier schepen, raakte het afgezonderd van de eigen vloot. Het verloop van de strijd is later veelvuldig besproken: werd De With willens en wetens in de steek gelaten of had hij zijn hand overspeeld? Feit is dat de Brederode er alleen voor stond, zich aan de vijanden vastklampte en warempel ook nog de hardste klappen uitdeelde. Maar toen sloeg het noodlot toe: het schip liep aan de grond en kon zich niet langer verweren. Toch was de strijd nog niet gestreden. De Zweden moesten het schip in een man tegen man gevecht veroveren. Daarbij werd De With dodelijk getroffen door een kogel. En nog weigerde hij op te geven. Pas toen het schip averij maakte, verliet hij stervend zijn schip om een kwartier later aan boord van de Draak te sterven. Niet veel later kapseisde de Brederode en zonk. De Slag in de Sont werd een overwinning voor de Nederlanders, Kopenhagen werd ontzet en de Zweedse vloot wered bij Landskrona geblokkeerd. De strijd was hevig geweest en de prijs hoog. De Republiek verloor in Witte de With een unieke zeeheld. Zijn lichaam werd, op last van de Zweedse Koning gebalsemd en met alle militaire égards behandeld, overgedragen aan de Nederlanders. Dubbelwit kreeg een praalgraf in de Grote Kerk van Rotterdam. Het roemruchte schip de Brederode zou nooit meer terugkeren. Het schip kreeg een zeemansgraf in de Sont. Hoewel het schip in ondiep water zonk, kon het niet gelicht worden. Wel slaagde in 1660 ene Trewleben er in om met grijpers 26 stukken geschut en verschillende andere onderdelen van het wrak te lichten. Daarna werd het schip met rust gelaten en vergeten.

De ontdekking van de Brederode

Bijna 250 jaar later, in 1909, zou het wrak van de Brederode worden herontdekt. Daarbij werd onder meer een kanon geborgen. ‘For old times sake’ besloot de Deense regering om het kanon ten geschenke te geven aan Nederland. In augustus 1910 nam het Nederlandse marineschip m.s. Evertsen het kanon aan boord en bracht het over naar Amsterdam, waar het een plaatsje kreeg in het Rijksmuseum.

Johannes Karel Overbeeke (1845-1939)

Aan het kanon is de naam van J.K. Overbeeke verbonden, hij haalde het geschut naar Brielle. Maar als niet ene N.J. de Vloota uit Z. een oproep had geplaatst in de beide Brielse kranten om actie te ondernemen om het kanon naar Brielle te halen en het daar ‘op één van Brielle’s openbare pleinen’ tentoon te stellen, zou het kanon waarschijnlijk nooit in Brielle zijn gekomen. Een eerder artikel over het Deense geschenk had in de stad geen enkele reactie uitgelokt. De Vloota werkte de Briellenaar echter op het gemoed. ‘Waar zou het ooit beter plaats kunnen vinden, dan in de geboortestad van Witte de With?’, luidde de vraag die de ons helaas verder onbekend gebleven instigator stelde, ‘waar zou het beter in staat zijn de snaren van het vaderlandsch gemoed te doen trillen, dan daar, waar Dubbel Wit geboren werd en zijn eerste levensjaren doorbracht?’ De reacties liepen uiteen: de Brielse Courant temperde de geestdrift door erop te wijzen dat het geen eenvoudige zaak zou zijn het kanon in Brielle te plaatsen. De redactie stelde met spijt vast, dat er niet eens een stedelijke oudheidkamer bestond. En hoe dat kwam, was wel duidelijk, want ondanks het krediet dat de gemeenteraad beschikbaar had gesteld, waren ‘De Briellenaars zelf (…) niet te bewegen om door onderlinge samenwerking dat geringe verzamelplaatsje voor Brielsche antiquiteiten tot stand te brengen’. De Nieuwe Brielsche Courant daarentegen reageerde enthousiast. De hoofdredacteur Overbeeke viel het voorstel volmondig bij: ‘werkelijk, het idee (…) lacht ons zeer tegen’ schreef hij. Hij noemde zelfs al een goede plaats voor het kanon: ‘op het Asylplein, vlak voor het standbeeld De Nymph zou het een eereplaats innemen’ en zegde dan ook zijn medewerking toe: ‘wij willen gaarne medewerken om onzen gemeenteraad te bewegen stappen te doen.’ Overbeeke had recht van spreken. Hij was zelf raadslid en reeds een week later bracht hij het voorstel in de gemeenteraad ter sprake. Zijn pleidooi had succes en nog diezelfde avond werd besloten een rekest op te stellen en werd Overbeeke gemachtigd dit namens de raad persoonlijk te gaan aanbieden. De plannen bleven niet onopgemerkt; kort daarop werd zelfs in de Nieuwe Groninger Courant over de Brielse plannen gesproken. Met instemming schreef men ‘De Raad van Den Briel vraagt nu voor Den Briel dat kanon op. Het moet op een plein een herinnering zijn aan den grooten Briellenaar Tromp en zal dan beter zijn bestemming vervullen dan slapend in eenig museum.’ Het officiële verzoek moest toen nog ingediend worden, maar was inmiddels wel gerijpt in het hoofd van Overbeeke: de Brederode was vlaggenschip geweest van De With en Tromp, twee Brielse admiraals. Dáárop moest de nadruk liggen, en op een verantwoorde plaats. Ten slotte luidde het verzoek: ‘(dat) het dus voor deze gemeente eene groote eer zou zijn, wanneer vorenbedoeld kanon geplaatst kon worden op één der openbare pleinen te Brielle, of indien het tegen den invloed van de buitenlucht beschermd moet worden, in de Sint Catharijnekerk, vlak bij de plaats waar de beide ouders van den zeeheld (De With, AAvdH) begraven liggen, in welke kerk hij zelf het ambt van diaken bekleed heeft, en waar Maerten Harpertszoon Tromp gedoopt werd’. Met dit verzoekschrift toog Overbeeke naar Den Haag om de zaak persoonlijk te bepleiten. Daarin had Overbeeke al evenzeer succes: het verzoekschrift werd positief ontvangen en reeds op 26 oktober gaf, na machtiging van Koningin Wilhelmina, de Minister van Binnenlandse zaken een verklaring van bruikleen aan Brielle af voor het kanon ‘om aldaar te worden tentoongesteld’.

Naar Brielle

In de raadsvergadering van 9 november kwam het kanon ter sprake. De voorzitter kon melden dat de inspanningen beloond waren. De gemoedelijke sfeer leek even verstoord toen het raadslid Van der Knoop vroeg of de ‘kleine kosten’, die er volgens de burgemeester nog gemaakt moesten worden, toch niet te groot zouden zijn, omdat dat voor de financiën een bezwaar zou kunnen worden. Overbeeke voelde zich hier persoonlijk aangevallen en zei hierover dan ook ‘een weinig warm te worden.’ Hij herinnerde Van der Knoop eraan dat de raad hem met algemene steun op pad had gestuurd om het kanon te bemachtigen en nu hem dat gelukt was, ging ‘er een stem op tegen de kosten!’. Hij vond het een schande; desnoods moest men de kosten maar onder elkaar verdelen. Van der Knoop onthield zich wijselijk van verder commentaar. In de volgende maanden moest er veel georganiseerd worden, waarbij de belangrijkste vraag was, hoe kon het kanon naar Brielle worden overgebracht, het liefst met weinig kosten. Dit werd mogelijk door de medewerking van majoor J.E. Fabius, de  commandant van het Korps Torpedisten. Deze stelde enkele van zijn schepen ter beschikking, maar moest daarvoor op zijn beurt van hogerhand toestemming ontvangen. Het zou nog enige maanden duren, maar op maandagmorgen 13 februari vertrok de stoomboot Den Briel met bestemming Amsterdam, waar de volgende dag met behulp van militairen van de Vestingartillerie, die over voldoende materiaal en manschappen beschikten, om het aan boord zetten mogelijk te maken. De dinsdag werd in beslag genomen om het kanon aan boord te nemen van een barkas, die de Den Briel als sleep had meegenomen. Weer een dag later vertrok het schip met de sleep vanuit Amsterdam. Via de binnenwateren bereikte de Den Briel ‘s avonds rond zeven uur Brielle. De volgende dag werd het kanon opgeborgen in de sloepenloods aan het Kostverloren waar het eens goed bekeken kon worden. Het kanon bleek te hebben geleden door de eeuwen onder water en leed nog steeds door de restanten van het zout. Door inroesten vielen hele stukken van de opperhuid af en droop er voortdurend roestwater uit. Navraag bij het Rijksmuseum leerde dat het kanon verhit moest worden en vervolgens met olie gedrenkt. In het Torpedomagazijn aan de Lijnbaan werd de volgende maanden een affuit vervaardigd. Op 26 oktober 1911 kon het kanon naar de vestibule van het stadhuis worden overgebracht. De Archiefcommissie werd belast met de verdere zorg omtrent het geschut. De archivaris Joh.H. Been schreef een begeleidende tekst die door Overbeeke’s drukkerij werd gedrukt en naast het kanon werd opgehangen. De volgende decennia was het kanon niet meer weg te denken uit het stadhuis; het zag bezoeken van het Koninklijk Huis, het binnentrekken van de Duitse bezetter en de komst van de Canadezen en werd gezien door al die honderden Briellenaren die wekelijks het stadhuis in- en uitliepen.

Kanon vermist

In de jaren vijftig ontstond er enige commotie rond het kanon. In 1954 was de Brederode voor een tweede keer ontdekt en weldra deed het verhaal de ronde dat de Deense regering met plannen speelde om het wrak te lichten, zoals kort daarvoor in Zweden de Wasa was geborgen. In Nederland werd enthousiast gereageerd. In Rotterdam hoopte men het schip een plaats te kunnen geven. Naar aanleiding daarvan wijdde De Blauwe Wimpel, het maandblad voor scheepvaart en scheepsbouw, een themanummer aan de Slag in de Sont en de ondergang van de Brederode. Vanzelfsprekend werd ook gerept van het kanon dat aan Nederland was overgedragen. De redactie had graag een foto willen plaatsen en had volgens eigen zeggen alles in het werk gesteld om de verblijfplaats van het kanon te achterhalen. Maar waar zij ook informeerde: het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, het Rijks Museum, het Amsterdamse Museum, het Maritiem Museum Prins Hendrik te Rotterdam of ‘s Rijkswerf te Willemsoord, nergens wist men te vertellen waar het stuk geschut was gebleven. Gevreesd werd dat de Duitsers het kanon in de oorlogsjaren hadden meegenomen. De redactie stond versteld over het mysterie en schreef wrevelig dat dit ‘opnieuw een bewijs (was), hoe slordig, hoe nonchalant … ja hoe harteloos er blijkbaar soms wordt omgesprongen met zaken, die van het hoogste historische belang zijn’. In Brielle stond men evenzeer versteld. Hoe kon het dat niemand wist dat het kanon in de stad was? Verschillende Briellenaren namen contact op met de redactie, zo ook burgemeester H. van Sleen en de hoofdredacteur van de Nieuwe Brielse Courant, mevrouw J.C. van der Knoop-Gebraad. De Blauwe Wimpel kon zijn lezers gerust stellen. Het kanon stond inmiddels al 43 jaar veilig opgesteld in de hal van het Brielse stadhuis. Tussen de regels door vroegen zij zich af of het onderzoek wel goed gedaan was. Immers kort geleden, in 1949, was in Brielle de 350e geboortedag van Witte de With herdacht. En nog recenter, in 1953, was de sterfdag van Maarten Harpertsz Tromp in Brielle herdacht. Bij beide gelegenheden waren vele marine-autoriteiten en politieke figuren, onder wie de Minister van Oorlog en Marine en de voorzitter van de Tweede Kamer aanwezig geweest. Zouden zij zich niets meer van het kanon herinneren? Dat bleef niet onopgemerkt. In de zomer van 1955 wijdde het Maritiem Museum ‘Prins Hendrik’ in Rotterdam een speciale tentoonstelling aan het schip De Brederode. Voor die tentoonstelling werd ook het ‘Brielse’ kanon tijdelijk naar Rotterdam overgebracht. Nader onderzoek wees overigens uit dat het schip zelf te zeer geleden had onder het kruiende ijs dat zich jaarlijks vanuit de Oostzee door de Sont perst: feitelijk restten slechts de kiel en een deel van de bodem.

Ten slotte

Inmiddels is een halve eeuw verstreken. Tijden veranderen, evenals de waardering van objecten. Ten tijde van de recente verbouwing van de hal van het stadhuis tot VVV-vestiging annex museumentree, werd het stuk geschut verwijderd. Momenteel staat het opgesteld in de hal van het Maerlantcollege aan de Burgemeester H. van Sleenstraat.

Dit artikel is terug te lezen op onderstaande link:

http://www.vriendenmuseumdenbriel.nl/media/Download%20Mare/Mare%2016-2.pdf

zoals momenteel opgesteld in de hal van het Maerlantcollege

Het Kanon van Brederode, zoals momenteel opgesteld in de hal van het stadhuis aan de markt. Foto: F. Keller

Brielle: Tot aan de 15e eeuw; de stad ontstaat

Brielle heeft een historie die teruggaat tot het midden van de dertiende eeuw. In 1257 wordt in documenten al over Brielle gesproken, nog voor de dorpen Maerlant en Den Briel zich hadden samengevoegd. Ten tijde van ’de Romeinen’, was ons gebied overigens geen eiland; de overstromingen van duizend jaar later hebben dat teweeg gebracht.

In de elfde en twaalfde eeuw bestond Voorne uit een verzameling kleine en grote eilandjes, slikken e14e eeuwn zandplaten. Er vestigden zich boerenfamilies, die de moerassige veengronden ontgonnen en in gebruik namen voor landbouw en veeteelt. Deze in cultuur gebrachte gebieden werden echter regelmatig door de Noordzee en de Maas overstroomd en verwoest. De bewoners hielden vol en begonnen dijken aan te leggen. Oostvoorne, Rugge, Abbenbroek en Zwartewaal zijn de eerste polders die op deze manier opnieuw konden worden bewoond. Het zijn typische ringpolders waarvan de bedijking werd gevormd door natuurlijk grenzen als kreken, geulen en zandbanken. Langs deze polders slibden nieuwe gorzen (oevergebieden) aan, die eveneens werden ingepolderd.

Zo werd begin dertiende eeuw langs de polder Rugge een stuk land ingedijkt dat de naam Oosterland kreeg. Hier vormden mensen de nederzetting Maerlant en later ontstond iets zuidelijker tegen de dijk het dorpje Den Briel. De huidige Brielse Voorstraat en Nobelstraat zijn het zichtbare restant van deze dijk. Brielle had een gunstige ligging, aan de rivier de Goote, waardoor de verbinding met Vlaanderen en Brabant werd onderhouden. Zo kon de stad zich ontwikkelen tot een bloeiende handelsnederzetting.

In 1280 kreeg het toestemming van Aelbrecht van Voorne om twee vuurbakens op te richten. De schepen die deze bakens passeerden, moesten hiervoor een belasting betalen. De opbrengst ging deels naar de kerk en deels naar de Heilige Geest; de instelling die van overheidswege zorg droeg voor de armen. Uit 1346 stamt het oudste keurboek van Brielle, met 76 verordeningen die het openbare leven regelden. Twaalf jaar na de eerste stadsrechten had de stad al tal van regels gesteld aan de verkoop van verschillende goederen, zoals vlees, vis en drank, beperkingen aan gokken en het dragen van messen, en ook voorschriften opgesteld rond plechtigheden als dopen, trouwen en begraven.

De jurist Jan Matthijssen werd in 1401 benoemd tot secretaris van Brielle, en in die hoedanigheid beschreef hij omstreeks 1407 het middeleeuwse gewoonterecht zoals dat in die tijd in Brielle werd gehanteerd. Het rechtboek is bewaard gebleven en vormt een unieke bron, want het gewoonterecht werd over het algemeen niet op schrift gesteld.  Zodoende biedt het boek een buitengewoon zeldzaam inkijkje in het oude vaderlandse recht.

rechtboek

Rijks rooms leven

Brielle kende in de eerste eeuwen van haar bestaan een rijk rooms leven, getuige niet alleen de bouw van de Sint-Catharijnekerk (zie Uitgelicht II), maar ook de vele voormalige kloosters in en om de stad. In Rugge stond een kerkje langs de Ricksedijk. Hierachter werd in 1404 met toestemming van Aelbrecht van Voorne een regulierenklooster gesticht. Dankzij giften groeide de instelling snel uit tot een rijk klooster met veel bezittingen. In het Cartularium van Rugge, een perkamenten boekdeel waarin het gilde alle belangrijke akten uit zijn archief liet kopiëren, staat precies vermeld welke landerijen aan de Regulieren van Rugge toebehoorden. Ze kregen het onder meer geschonken voor hun hulp bij het droogleggen van polders.

Het klooster van Sint Andries was een zusterhuis, dat eveneens in Rugge stond. De nonnen verrichtten taken als het afleggen van de doden, het verplegen van zieken, het helpen van de armen en het schoonmaken van de kerk in Rugge.

Het klooster van de Cellebroeders lag langs de Brigittenweg. De Cellebroeders vormden een orde van monniken die zich inzetten voor de zieken, en hielpen bij het afleggen en begraven van de doden. De Cellezusters hielden zich eveneens bezig met het verzorgen van zieken. Maar hierbij zullen zij zich beperkt hebben tot het verplegen van vrouwen. Hun klooster lag dichtbij dat van hun mannelijke tegenhangers, tussen de Brigittenweg en de Commandeurstraat.

Het Sint-Catharina Klooster was ooit het grootste klooster van Brielle en het stadsbestuur heeft heel wat te stellen gehad met de leiding. In 1481 drongen de schutters na een feest het klooster binnen en gingen er flink tekeer. De pater had namelijk gebroken met de gewoonte om jaarlijks een ton bier aan de schutters te schenken. Later, in 1549, kwam het zelfs tot een rechtszaak waarbij de stad de pater beschuldigde van smokkelarij en belastingontduiking.

Margaretha van York stichtte het Clarissenklooster, nadat ze daartoe op 26 april 1483 toestemming van paus Sixtus had verkregen. Het was een orde met een streng armoede-ideaal. De nonnen moesten leven van de giften van weldoeners. De stad heeft veel geld moeten bijleggen om hen geen hongerdood te laten sterven. In 1548 brandde het convent af, waarna het pas in 1564 weer in gebruik werd genomen.

Het Brigittenklooster dateert uit 1485 en is daarmee het jongste klooster. Mede omdat er al zoveel kloosters binnen de stad waren, kwam dit klooster niet tot bloei. In 1558 werd het complex door de stad opgekocht. Er is vrij weinig van het klooster bewaard gebleven, alleen het Brigittenpoortje op het Catharijnehof is een tastbare herinnering.

brigittepoortje Het Brigittepoortje, 1935, olieverf op doek, Collectie Historisch Museum Den Briel

Uitgelicht I

Een leren etui met wastafeltjes

Voorafgaande aan de bouw van woningen in het carré Langestraat, Coppelstockstraat, Maarland ZZ en Kerkstraat, voerde het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam (BOOR) in opdracht van de gemeente Brielle in 2002 een archeologisch onderzoek uit. Daarbij werden verscheidene houten afvaltonnen met vijftiende-eeuws materiaal gevonden en een grote bakstenen beerput aangetroffen. In die beerput werd een heel bijzondere vondst gedaan, namelijk vijf, deels beschreven wastafeltjes; plankjes hout voorzien van een laagje was waarin met een metalen schrijfstift aantekeningen werden gemaakt – de notitieboekjes van weleer. De gevonden wastafeltjes zijn bestudeerd door archeoloog en historicus Arnold Carmiggelt.

Er bestaan talrijke vondsten van schrijfstiften en wastafeltjes uit de eeuwen voor en rond het begin van de jaartelling, alsmede vele iconografische afbeeldingen van personen die wastafeltjes beschrijven. In Nederland zijn uit de Romeinse tijd verschillende schrijfstiften en wastafeltjes bekend.

De teksten op de wastafeltjes, die in de beerput in Brielle zijn gevonden, hebben betrekking op de transactie van haringtonnen door Brielse (haring)kooplieden. De aantekeningen zijn in verband te brengen met de zogenaamde godspenning: een belasting die geheven werd op de verkoop van vis en die ten goede kwam aan de kerken en gasthuizen. Het zijn persoonlijke notities en geheugensteuntjes om eventueel later op papier of perkament te schrijven. De wastafeltjes vormen een bijzonder onderdeel van de  afdeling archeologie van het Historisch Museum Den Briel.

Uitgelicht II

De Sint-Catharijnekerk

Op 23 mei 1417 werd de eerste steen gelegd van de (tegenwoordige protestantse) Sint-Catharijnekerk, op de plek waar zijn voorganger op 3 juni 1405 afbrandde. De Briellenaren koesterden grootse plannen voor denieuwe kerk. Het zou een basiliek met gigantische afmetingen worden; waar nu een blinde muur staat, had een dwarsschip en een koor moeten komen. De toren zou maar liefst 110 meter hoog worden. In 1456 was de bouw van de toren gevorderd tot bijna zestig meter hoogte, maar op 14 augustus brak een brand uit die het werk verwoestte. De toren stortte in en in 1462 werd opnieuw begonnen aan het kostbare werk. In 1482 gaf het stadsbestuur opdracht voor het gieten van de bronzen luidklok. De beroemde klokkengieter Steven Butendiic was verantwoordelijk voor het maken van de kolossale klok met een gewicht van 4.200 kilo. Aangezien de Brielse handelspositie ondertussen begon af te nemen droogde de geldstroom op. Talloze kleine en grot e tegenslagen, waaronder de stadsbranden van 1495, vormden aanleiding om de bouw van de kerk rond 1500 stil te leggen. Hoewel het gebouw nooit is voltooid, vormt het toch een indrukwekkende kerk in de sobere stijl van de Brabantse gotiek. De met Gobertanger, een blonde natuursteen, beklede 57 meter hoge toren domineert sindsdien het land van Voorne. Behalve drie luidklokken heeft de toren een carillon met 47 klokken. Na enkele belangrijke restauraties in 1938 en 1968 was de toren rond de eeuwwisseling opnieuw toe aan ingrijpend herstel. Vooral het natuursteen had veel te lijden van het steeds wisselende kustklimaat. Het door de wind opgestuwde regenwater kon daardoor diep in de toren binnendringen en daar verwoestend werk aanrichten aan het natuursteen, het metselwerk, de houtconstructie en het pleisterwerk. Na een grondige voorbereiding in de jaren 1996 – 1997 door de gemeente en restauratie-architect Van Hoogevest uit Amersfoort kende het Rijk een zogenaamde kanjersubsidie toe van ruim 1,3 miljoen euro, op een totaal aan kosten van bijna drie miljoen euro. De restauratie van de toren is in 2001 afgerond.

kerkfoto

(Bron: www.Catherijnekerk.nl)

Uitgelicht III

Angelus Merula (1482-1557)angelusmerula

Eind vijftiende en begin zestiende eeuw ontstonden in Europa nieuwe kerkelijke stromingen. Theologen als Luther en Calvijn kwamen met vaak opstandige ideeën over het geloof en dit werd door verschillende pastoors opgepikt en onder het volk verspreid. Engel Willemsz. De Merel (in het Latijn: Angelus Merula) werd in 1482 in Brielle geboren. Hij ging in Brielle naar de Groote school, de latere Latijnse school in de Venkelstraat. Vervolgens studeerde hij theologie in Parijs. Tot 1532 vervulde hij kerkelijke functies in Den Briel; daarna werd hij benoemd tot pastoor in het nabij gelegen Heenvliet. Merula was het – zoals velen in zijn tijd – niet eens met de grote invloed en rijkdom van de katholieke kerk. De bevolking was arm en had veel te lijden van de slechte economie en het strenge bewind van keizer Karel V, de vader van Philips II.

Merula probeerde hervormingen in het bestaande kerkelijke systeem door te voeren. Zijn reformatorische ideeën liet hij in zijn preken doorklinken. Hiervoor werd hij in 1552 gearresteerd door de Inquisitie, het kerkelijke opsporingsapparaat dat ketters te lijf ging en er op toezag dat men ‘goed katholiek’ bleef. Merula stierf na een gevangenschap van vijf jaar in het Belgische Bergen.

De constante dreiging van de Inquisitie bracht de ketters, de tegenstanders van het katholicisme, ertoe hun eigendommen veilig te stellen. Sommigen vluchtten en begroeven hun geld in de grond. Merula liet vlak voor zijn gevangenneming een akte opstellen waarin hij zijn bezit – woonhuis, zes armenhuisjes en landerijen met hun inkomsten – vermaakte aan Den Briel. In de akte werd bepaald dat Merula’s woonhuis een weeshuis moest worden. Het Merula-Weeshuis is tot 1948 als zodanig in gebruik geweest. De gelijknamige stichting is nog steeds actief.

Uitgelicht IV

Restauratie en herbestemming Begijnhofkapel

Over het Begijnenhof aan de Coppelstockstraat wordt in de annalen van de stad voor het eerst in 1413 melding gemaakt. Maar al in 1331 wordt van een zekere Kateline geschreven dat zij een, te Maarland woonachtige, begijn is. Eveneens onzeker is wanneer het hofje een eigen kapel heeft gekregen; het huidige gebouw zal omstreeks 1460 zijn verrezen. Frank van Borselen, heer van Voorne, bestelde in 1466 een gebrandschilderd raam voor ‘der beginen nieu kerck’ bij de Haagse glazenier Zweer van Opbueren. De kapel was vermoedelijk aan Johannes de Doper gewijd. Nadat in de eerste helft van de zestiende eeuw meer en meer huisjes leeg kwamen te staan, verhuisden de bewoonsters van het Vrouwenhuis vanuit een huis op de noordzijde van het Maarland naar het hofje. In 1571 waren er nog maar twee begijnen over en met de inname van de stad door de Watergeuzen, een jaar later, viel het doek voor het begijnenhofje definitief. De kapel verloor in 1572 eveneens haar kerkelijke functie en werd als turfpakhuis in gebruik genomen. In 2008 is gestart met een grondige opknapbeurt, ten dienste van een nieuwe bestemming voor mensen met een lichte verstandelijke handicap.

begijnhofkapel

Johannes van Westenhout (1754-1823)

Johannes van Westenhout (1754-1823)

Door: Marijke Holtrop (hoofd Historisch Museum Den Briel)

Portret van Johannes van Westenhout (Collectie Historisch Museum Den Briel; inv nr 3722)Johannes werd in 1754 geboren in Brielle, in een huis aan de Kapoenstraat, tegenwoordig Voorstraat 66. Zijn vader was David van Westenhout, een gerespecteerd Briels timmerman die in 1774 tot  “stadsfabriek” van Brielle werd benoemd. De stadsfabriek was de functionaris die namens de gemeente optrad wanneer bouwwerken aanbesteed moesten worden.

 Johannes van Westenhout werd door zijn omgeving gezien als een van de belangrijkste architecten van zijn tijd. Hij werkte voor het grootste deel in de Lodewijk XVIe stijl. Later ontwierp hij meer in de Neo-classicistische stijl.

Zijn carrière laat zich als volgt samenvatten:

 1776  Aangesteld als bouwopzichter bij de verbouwingen aan het Binnenhof in Den Haag. Betrokken bij de bouw van een nieuwe stadhouderlijke vleugel. Deze vleugel heeft tot eind 20ste eeuw de Tweede Kamer gehuisvest.

 1777  Begint militaire opleiding.

 1786  Benoemd tot Extra Ordinaris Ingenieur bij het leger en geplaatst bij de Directeur van ’s Lands Fortificatiën, een bureau dat zich bezighield met de aanleg en het onderhoud van de vestingwerken in Nederland.

 1793  Directeur-generaal van ’s Lands Fortificatiën. Verdedigingslinies werden onder zijn verantwoording aangelegd.                                                                         

1795  Neemt ontslag na de Franse invasie.

1802  Aanvaarding van de functie van tweede commissaris bij het “Departement van Oorlog voor de  Dienst van de Vestingwerken”.

1806  Door Lodewijk Napoleon aangesteld als Inspecteur-Generaal van ’sRijksgebouwen (vergelijkbaar met de tegenwoordige Rijksbouwmeester).

1807  Zitting in de Commissie van Drie die ontwerpen moest beoordelen voor de nieuwbouw op het Rapenburg in Leiden na de ontploffing van een schip. De commissie komt zelf met een ontwerp voor een nieuw Academiegebouw en een gedenkteken. Beiden worden niet uitgevoerd.

 1808  Toegelaten tot het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten.

 1810  Trekt zich terug na de afzetting van koning Lodewijk Napoleon door keizer Napoleon. Werkte ook niet meer voor koning Willem I.

 1824  Overlijdt in Amsterdam.

In zijn geboorteplaats Brielle vervaardigde Johannes de volgende ontwerpen:

Via zijn vader kreeg hij in 1775 de opdracht om een plattegrond te maken van de Catharijnekerk en daarop alle graven in te tekenen ten behoeve van het  grafregister.

In 1777 kreeg hij van onder anderen kerkmeester Johan Melville (zijn portret is in de portrettengalerij van het Historisch Museum Den Briel te zien) de opdracht voor een nieuwe preekstoel met  hekwerk, bestemd voor de Catharijnekerk.

In 1789 ontwierp Johannes zeer waarschijnlijk het militaire gebouw de Hoofdwacht aan De Markt in Brielle. In 1791  maakte hij zeker het ontwerp voor de gewenste nieuwe gevel van het Brielse  stadhuis. 

Een portret van Johannes van Westenhout is permanent te zien in de portrettengalerij van het Historisch Museum Den Briel.

MIDDELHOEK. Een artistieke familie

MIDDELHOEK. Een artistieke familie.

Door: Marijke Holtrop (hoofd Historisch Museum Den Briel)

Beurtschip aan de kade van Brielle (ollectie Historisch Museum Den Briel; inv nr 3996)In de hiernavolgende vertelling is dankbaar gebruik gemaakt van: Jan Middelhoek sr. De geschiedenis van de Familie Middelhoek deel I t/m V, Rotterdam 1978-1983.

De geschiedenis van de familie Middelhoek begint wanneer Pieter Middelhoek (1692-1736) trouwt met Machteltje Huigen Booij (1686-1775). Het echtpaar zorgt voor vier geslachten Middelhoek: Huig (’s Gravendeel), Pieter (Mijnsherenland, later Barendrecht), Abraham (Klaaswaal, later Zwijndrecht en Brielle) en Maarten.

In het kader van de tentoonstelling (in 2007 in het Historisch Museum Den Briel) wordt in het hiernavolgende voornamelijk verteld over de geschiedenis van dìe tak van de familie Middelhoek waarvan de familieleden een relatie hadden of nog hebben met Brielle.

De Brielse tak van de familie Middelhoek stamt af van het geslacht Abraham Middelhoek uit Klaaswaal. De beroepstakken waarin de nazaten van het geslacht Middelhoek uit Klaaswaal werkzaam waren zijn -evenals hun interesses- grofweg in drie groepen onder te verdelen: 1) onderwijzers en onderwijzeressen, 2) wis- en natuurkundigen en 3) beeldend kunstenaars, architecten en beoefenaars van de kunstnijverheid.

We schrijven midden 19de eeuw. In 1837 wordt Martinus Leonardus geboren als zoon van wagenmaker Abraham Middelhoek (1800-1884) en Trijntje Blanke (1804-1859). Martinus Leonardus Middelhoek (1837-1933) trouwt in 1867 met Adriaantje van Prooijen (1849-?). Ze krijgen zeven kinderen waarvan de tweede, zoon Abraham, in 1869 wordt geboren. Abraham schilderde en tekende niet onverdienstelijk.

Abrahams eerste echtgenote is Barbera Stoop (1871-1915). Uit dit huwelijk worden 12 kinderen geboren:

  1. Adriana  (1894-1983)
  2. Servaas (1896-1966)
  3. Martinus Leonardus (1898-1986)
  4. Jan (1900-1990 )
  5. Dingena (1902-overleden)
  6. Maaike Trijntje (1904-1904)
  7. Nicolaas  (1905-1905)
  8. Abraham (1905-1905)
  9. Nicolaas (1906-1906)
  10. Abraham (1906-1968)
  11. Cornelia (1908-2001
  12. Maaike Trijntje (1909-2003)

Adriana (1894-1983) Middelhoek trouwde in 1920 met Johan Michiel van de Stelt. Zij kregen vier kinderen. Zowel Adriana als de dochters Barbera en Elisabeth Maria maakten wandkleden.

Servaas Middelhoek (1896-1894) huwde met Neeltje Koppenol van Naaldwijk in 1921. Sevaas begon zijn loopbaan als timmerman en bracht het tot leraar aan de ambachtsschool in Brielle. Hij tekende en schilderde verdienstelijk; met name het interieur van de Sint-Catharijnekerk in Brielle maar ook de uitbeelding van dieren hadden zijn voorkeur.

Het huwelijk bracht zes kinderen voort:

-         Abraham (1923-), Bram genoemd, die een belangrijk architect werd en onder meer betrokken was bij de bouw van de Nederlandse paviljoens op de wereld-tentoonstelling van Montreal in 1964. Abraham Middelhoek woont in Rhoon.

-         Di(r)ck (1926-2001). Zijn werkterrein lag in het Tropenmuseum in  Amsterdam; daarnaast genoot hij grote bekendheid als een zeer bekwaam ivoor- en beensnijder.

-         Elisabeth (geb. 1928)

-         Barbera (geb. 1930)

-         Johanna Maria (geb. 1933)

-         Emma Wilhelmina Theressia (geb. 1935). Haar oom Martinus Middelhoek portretteerde haar meerdere portretten, onder meer in aquarel (nr. 12).

Martinus Leonardus Middelhoek (1898-1986) werd geboren in Zwijndrecht. In 1923 trouwde hij met Cornelia Los. Martinus begon -net als zijn broer Servaas- als timmerman maar al in 1912 ontving hij de akte van bekwaamheid voor het geven van onderwijs in het rechtlijnig tekenen en het bouwkundig tekenen. Martinus mocht al snel de naam van kunstschilder dragen. In 1982 ontving hij een koninklijke onderscheiding.

Gezicht op Brielle met de St. Catharijnekerk en stadhuis (Collectie Historisch Museum Den Briel; inv nr 4520)Martinus schilderde niet alleen in olieverf; hij aquarelleerde, tekende en etste. Alle soorten van dragers werden als tekenpapier gebruikt, bijvoorbeeld de achterkant van behang. Zijn nagelaten oeuvre is omvangrijk. Buitengewoon bijzonder zijn de schetsboeken met studietekeningen en voorstudies voor zijn latere schilderijen. Het Historisch Museum Den Briel heeft er een aantal van voor de collectie weten te verwerven. Niet alleen het Historisch Museum Den Briel bezit een groot aantal kunstwerken van Martinus, ook het Streekarchief Voorne, Putten en Rozenburg beheert een groot aantal werken van Middelhoek. Daarnaast bevinden zich vele Middelhoeken in particuliere (Brielse) collecties.

Martinus en Cornelia kregen twee zonen:

-         Abraham (1928-2001), evenals zijn neef Bram genoemd, die bouwkundig ingenieur werd en

-         Pieter (1930-2004), kunstschilder.

Pieter doorliep de HBS van Brielle en vertrok naar Rotterdam waar hij de Akademie voor Beeldende Kunsten volgde. Daarna doorliep hij met succes de opleiding aan de Koninklijke Akademie voor Beeldende Kunsten te Den Haag. Hij behaalde zijn akte MO tekenen en schilderen A en B. Zijn leermeesters waren onder anderen Co Westerik en Wim Zwiers. Middelhoek maakte studiereizen naar Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk en Zuid-Europa. Altijd keerde hij terug naar zijn geliefde Brielle waar hij in 2004 overleed.

Het werk van Piet omvat portretten, landschappen, stillevens en abstracte composities en zijn in verschillende technieken vervaardigd zoals olieverf, aquarel, grafiek en pen.

Waren zijn vroege werken vooral figuratief, zijn latere werken vertonen abstract-expressionistische composities. Tijdens zijn latere leven volleerde hij zich in de vervaardiging van monotypes: unieke werken op papier, vervaardigd in een combinatie van olieverf met de druktechniek. Middelhoek liet zijn bezittingen na aan de Catharijnekerk te Brielle. Voor de collectie van het Historisch Museum Den Briel liet hij vier portretten na aan de Vereniging Vrienden van het Historisch Museum Den Briel. Werken uit Pieters atelier werden mei 2004 geveild bij het Vendue Notarishuis Rotterdam. Zowel het museum als het Streekarchief Voorne, Putten en Rozenburg wist een aantal werken voor Brielle te behouden.

Gezicht op Brielle (Collectie Historisch Museum Den Briel; inv nr 4397)

Noch Abraham noch Pieter kregen kinderen.

Jan Middelhoek (1900-1990) trouwde in 1927 met Neeltje de Jong. Jan beschreef  in vijf delen de geschiedenis van de geslachten Middelhoek, het laatste deel in 1983. Jan en Neeltje kregen zes kinderen: Abraham, Simon, Servaas, Jan, Barbera Alida en Alida Barbera.

De zonen waren werkzaam als wis- en natuurkundigen; de dochters als onderwijzeres.

Dingena Middelhoek (1902-overleden) trouwde in 1931 met Gerke Jacob Nieuwland. Het echtpaar kreeg vijf zonen:Gerke Yke (vliegtuigbouw-, wis- en natuurkundige), Abraham (werktuigbouwkundige), Rienk (leraar Hogere Zeevaartschool), Johan Adriaan, die slechts een jaar oud werd, en Ruurd Pier (bouwkundige).

Maaike Trijntje (1 februari 1904-4 februari 1904)

Nicolaas (5 januari 1905-21 januari 1905)

Abraham (5 januari 1905-21 januari 1905)

Nicolaas (28 februari 1906-3 maart 1906)

Abraham (28 februari 1906-juli 1968) begon als huisschilder en maakte carrière als leraar en directeur van de Kunstnijverheidsschool in Enschede. Hij schilderde, ontwierp kerkramen en bracht muurschilderingen aan.

Cornelia (1908-2001) trouwde Andries de Zeeuw. Zij kregen zeven kinderen: Andries, Abraham, Barbera Ansje, Henk, Martinus Leonardus, Cornelis en Jan Servaas.

Na de dood van Barbera Stoop in 1915 trouwde Abraham met Lena Stoop. Hij nam haar zoon Arnoldus als eigen zoon aan. Het echtpaar kreeg in 1920 een dochter, Elisabeth. Elisabeth trouwde met Antoon de Klerk en kreeg met hem vijf kinderen. Het gezin vestigde zich in Zuid afrika.

Na de dood van Lena trouwde Abraham met Johanna Maria Los (1873-1953). Uit dit huwelijk kwamen geen kinderen voort.

Abraham overleed in 1967.

Naschrift

De familie Middelhoek kan met recht een artistieke familie worden genoemd. Het begon met vader Abraham die zijn artistieke kwaliteiten overdroeg aan zijn kinderen en kleinkinderen.

Enkele van zijn kleinkinderen werden landelijk bekend.

Abraham Middelhoek, de architect die de Nederlandse paviljoens ontwierp voor de wereldtentoonstelling van 1964 en daarnaast voor de stad Rotterdam belangrijke bouwwerken ontwierp. Martinus Middelhoek die –soms heel schetsmatig dan weer uiterst  gedetailleerd- tekende, etste en schilderde: portretten, stadsgezichten, landschappen. Met vaak die ferme signatuur in het rood: M.L. Middelhoek.

Piet Middelhoek was een professioneel kunstenaar. Hij had  bewust gekozen voor het vak van beeldend kunstenaar. Hij maakte werken op bestelling, ook voor particulieren, en werd opgenomen in de Beeldende Kunstenaars Regeling van de gemeente Brielle. In zijn beginperiode diende zijn vader Martinus hem als voorbeeld en zien we ook Pieter in het rood signeren. Later veranderde zijn signatuur van kleur en plaats. Een enkele maal hebben vader en zoon gezamenlijk geëxposeerd.

Daar waar Martinus Middelhoek bleef vasthouden aan figuratieve en herkenbare uitbeeldingen van onderwerpen uit zijn omgeving, ontwikkelde Pieter zich tot een kunstenaar die in het buitenland inspiratie opdeed en nog weer later koos voor de vervaardiging van abstracte werken en monotypes.

Het zijn echter met name de portretten, de stadsgezichten en de landschappen van Brielle en omgeving van zowel vader Martinus als zoon Pieter Middelhoek die de huidige en toekomstige generaties inzicht kunnen geven in de geschiedenis van Brielle.

Gezicht op Brielle (Collectie Historisch Museum Den Briel; inv nr 4398)Portret Martinus Middelhoek (Collectie Historisch Museum Den Briel; inv nr 4411)

Hoe een Zweedse in Brielle terechtkwam

Door: Marijke Holtrop (hoofd Historisch Museum Den Briel)


Christina van Zweden

Christina van Zweden (collectie Historisch Museum Den Briel)

In de portrettengalerij van het Historisch Museum Den Briel hangt een portret van de Zweedse koningin Christina van Zweden (1626-1689). Het portret is op doek geschilderd door Justus van Egmond (1601-1674). De koningin is afgebeeld als Diana, de godin van de jacht.

Christina was de dochter van de zweedse koning Gustaaf Adolf van het huis Vasa en Maria Eleonora van Brandenburg. Toen haar vader in 1632 sneuvelde, was prinses Christina veel te jong om zich met regeringszaken bezig te houden. Maar vanaf 1644 nam zij deel aan de besluitvorming van alle regeringszaken. In 1650 werd Christina tot koningin gekroond. Omdat zij weigerde te trouwen moest zij al in 1654 –noodgedwongen- afstand doen van de troon ten gunste van haar neef Karel X Gustaaf. In 1654 verbleef Christina enige tijd in Antwerpen aan het hof van aartshertog Leopold. Leopold leende haar zijn hofschilder Justus van Egmond, leerling van Rubens, uit. Van Egmond vervaardigde vijf portretten van Christina:drie als de godin Minerva en twee als Diana, de godin van de jacht.

Op het schilderij zijn de gebruikelijke attributen van Diana weergegeven: jachtspeer, de jachthond, een jachtgebied als achtergrond. De lauwerkrans in Christina’s hand is wellicht een verwijzing naar het droit divin, het goddelijk recht dat zij –in haar ogen- nog steeds bezat, ook al had zij geen land meer om te regeren. Het schilderij is in de achttiende eeuw in handen gekomen van de Brielse koopman Hendrick van Kruyne, die tevens eigenaar en bewoner was van bierbrouwerij Het Gecroonde Hart aan het Scharloo nummer 9. Hij liet het schilderij in zijn huis boven de schouw plaatsen. Na verloop van tijd is het schilderij letterlijk verdwenen achter behang. Tijdens een verbouwing werd het schilderij ontdekt en achter het behang vandaan gehaald. De heer en mevrouw Spoon, de toenmalige eigenaren van het pand, schonken het schilderij in 1966 aan het museum.

Stenen Baak

Stenen BaakDoor: Marijke Holtrop (hoofd Historisch Museum Den Briel)

Bouwen met subsidie

Vuurtoren de Stenen Baak werd in opdracht van de Vroedschap van Brielle in 1630 gebouwd door de toenmalige stadstimmerman van Brielle: Maerten Cornelis Paeyse. Hij bouwde in Brielle ook de stadsgevangenis en het waaggebouw. Hij werd begraven in de Catharijnekerk. De bouw van een stenen vuurtoren was noodzakelijk, omdat eerdere, houten vuurtorens alle waren afgebrand. De bouw van de vuurtoren werd gefinancierd door Brielle en de Staten van Holland en West-Friesland. Het stadsbestuur van Brielle had zich tot de Staten van Holland en West-Frieland gewend met een verzoek om geldelijke ondersteuning. Het was immers niet alleen Brielle die voordeel had van de nieuwe, minder kwetsbare stenen vuurtoren. Ook de koopvaardij en de visserij in het algemeen zouden profiteren van de nieuwe toren. Het lag dus voor de hand van het provinciale bestuur een algemene bijdrage in de kosten te ontvangen. Het verzoek om de kosten te verdelen over al diegenen die er profijt van hadden, werd ingewilligd. De heren Staten verleenden in 1631 –de toren was al klaar- een aanzienlijke subsidie. Bouwmeester Payese bouwde de toren met vier meestermetselaars binnen vier maanden tijd. Behalve hardsteen werden 180.000 bakstenen gebruikt. Een gigantische prestatie.De Stenen Baak functioneerde in samenhang met een verplaatsbaar vuurbaken in de duinen van Oostvoorne. Als men vanaf een schip de beide vuren in één lijn zag, was de positie de juiste om de vaargeul in te kunnen varen. Omdat de geulen zich verlegden door de verplaatsing van zandbanken, moest het lagere baken verplaatst kunnen worden. Op deze wijze kon de zichtlijn worden aangepast aan de gewijzigde situatie.

Blazen en stoken

Uit getekende bronnen blijkt dat de Stenen Baak bovenop de derde geleding een soort opbouw had, de lantaarn. Daarin werd een groot kolenvuur gestookt. De vele glas-in-lood ruitjes onder een overstekend tentdak zorgden ervoor dat het vuur van verre zichtbaar was. Het vuur werd met blaasbalgen gaande gehouden. De afvoer van rook gebeurde via een centrale schoorsteen. Twee wachters moesten ’s nachts voortdurend blazen en stoken; de kolen werden naar boven getakeld. De plaats waar de vuurtoren stond was ook in militair opzicht interessant, zo bleek in de 18de eeuw. Vijandelijke schepen die ongehinderd de monding van de Maas konden passeren, vormden een bedreiging voor met name het zuidelijk deel van de provincie Holland. En de vestingstad Brielle zou daarbij als eerste onder vuur komen te liggen. De locatie was zeer geschikt om een militaire versterking aan te leggen. Dit werd bevestigd door de visie van Menno van Coehoorn (1641-1704) die de Stenen Baak betrok in zijn advies met betrekking tot de versterking van de vesting Brielle.

Toren en fort

Aan het begin van de achttiende eeuw werd bij de toren dan ook een klein fort gebouwd dat later in die eeuw uitgroeide tot een kustbatterij, een klein verdedigingswerk, met kanonnen die vijandelijke schepen in de Maasmond konden beschieten. Bij de batterij behoorde ook een kogelgloeioven, waarin de kanonkogels werden verhit. Inspectie van de vestingwerken op Voorne was een taak van de militaire genie. De Briellenaar Johannes van Westenhout (1754-1823) was behalve architect –van bijvoorbeeld de verbouwing van het stadhuis van Brielle- van 1793 tot 1795 ook  directeur-generaal van ’s land fortificatiën. In die hoedanigheid inspecteerde hij het bastion bij het Stenen Baak. De kustbatterij werd meerdere malen verbouwd en uitgebreid en daarbij kwam meer dan eens de wens van de militairen naar voren de toren af te breken. De toren trok volgens hen teveel aandacht en was een goed mikpunt. De loodsen en vissers voorkwamen (meerdere keren) dat de toren werd afgebroken. Voor de scheepvaart bleef de toren, hoewel sinds 1800 al niet meer in staat als vuurtoren te dienen tengevolge van het ontbreken van de lantaarn, een belangrijk oriëntatiepunt. Halverwege de negentiende eeuw werd de Stenen Baak als vuurtoren officieel buiten gebruik gesteld; het Rijk verwierf het eigendom van de toren. In 1939 en 1965 werd de toren onder supervisie van de Rijksgebouwendienst gerestaureerd. In 1999 staken vier overheidsinstellingen de koppen bij elkaar: de Rijksgebouwendienst, het Recreatieschap Voorne, Putten en Rozenburg, de gemeente Westvoorne en de gemeente Brielle. Gezamenlijk realiseerden zij de nieuwe bestemming van dit stukje cultureel erfgoed. De toren werd gerestaureerd en verkreeg op drie verdiepingen een licht- en geluidpresentatie; het uitzicht vanaf het dak is magnifiek. De toren is sinds juli 2004 voor het publiek opengesteld en wordt beheerd door het Historisch Museum Den Briel. Vrijwillig baakwachters zorgen voor de openstelling en de veiligheid van de bezoekers.

De toren is gratis toegankelijk.
Bezoekadres: Brielse Maas 1, Oostvoorne
Openingstijden:
april en oktober        zaterdag en zondag van 11.00-16.00 uur
mei t/m september   dinsdag t/m zondag van 11.00-16.00 uur

Het Brielle van Martin van Waning

Het Brielle van Martin van Waning   De St. Catharijnekerk te Brielle, gezien vanuit het Asylplein (Collectie Historisch Museum Den Briel; inv nr 0052)

(Door: Marijke Holtrop, hoofd Historisch Museum Den Briel)

Gijsbertus Martinus Wilhelmus Franciscus van Waning werd op 4 september 1887 in Den Haag geboren. Als kind was hij al bezig met tekenen en boetseren. Eenmaal dertien jaar leerde hij van zijn vader de techniek van het schilderen. Nadat hij zijn studie aan de Delftse Hogeschool had afgerond was hij korte tijd werkzaam in de techniek. Hij besloot van schilderen en beeldhouwen zijn vak te maken en volgde lessen bij kunstenaars als Charles Dankmeijer (1861-1923) en Willem de Zwart (1862-1931, pseudoniem voor Willem van Stade).

Rond 1900 trok Van Waning naar Wiesbaden waar hij veel van zijn schilderijen verkocht. Zijn atelier bevond zich aanvankelijk op de Taunusberg. Later kreeg hij een balzaal in het hotel Metropole als atelierruimte tot zijn beschikking. In ruil daarvoor voorzag hij het hotel van wanddecoraties. Hij exposeerde tevens in Düsseldorf, Barmen, Hamburg en Landau.

In het Metropolehotel ontmoette Van Waning de rijke Russische grootvorst Orlov die hem uitnodigde mee op reis te gaan. Van Waning accepteerde dat aanbod op voorwaarde dat hij Orlovs particuliere secretaris zou worden met een minimale werktijd in die functie en een veelheid aan tijd om te tekenen en schilderen. Orlov nam Van Waning mee op reis naar Frankrijk, Italië, Spanje en Noord-Afrika waar hij zich als schilder kon uitleven en veel werk verkocht.

Na de dood van de grootvorst vestigde Van Waning zich in het Duitse dorpje Rees. In 1917 keerde Van Waning terug naar Nederland. De waardering aldaar voor zijn werk bleef ver achter bij die in de tijd dat hij buiten Nederland verbleef. Aangetoond kan worden dat hij in 1923 in Oostvoorne woonde. Hij etste en tekende in die periode menig Briels stadsgezicht.

Na een verblijf in Engeland kwam hij in 1926 op de Veluwe terecht. Daar schilderde hij in 1933 wat bekend is geworden onder de naam “Twaalf grote Veluwewerken”.

Vanaf 1934 woonde Van Waning op Schiermonnikoog, waar hij zijn atelier vestigde in de voormalige zeevaartschool. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het atelier gebombardeerd en een groot deel van Van Wanings werk, waaronder de Veluwewerken, werd vernietigd en hijzelf ernstig gewond raakte.

In 1961 maakte Van Waning voor Schiermonnikoog het beeld van de ‘Schiere Monnik’. Het staat in de Willemshof naast het gemeentehuis, in het centrum van het dorp. Van Waning overleed op 7 juli 1972 in Dokkum, 85 jaar oud.

In de schilderijen van Van Waning is de invloed van de Haagse School duidelijk te zien. Aanvankelijk werden zijn schilderijen gekenmerkt door zware en sombere kleuren, maar dat maakte na verloop van tijd plaats voor een levendig en helder kleurgebruik waarbij de nadruk lag op ruimte, licht en harmonie. Hij was een meester in het schilderen van wolkenpartijen waar het zonlicht van achteren doorheen schijnt. Hij schilderde onder meer watergezichten en landschappen.

Behalve als schilder was Van Waning ook actief als beeldhouwer, medailleur, boekillustrator en graficus. Zijn etsen vertonen door het lichtgebruik een Rembrandteske sfeer.

Brielse stadsgezichten en gebouwen vormen een belangrijk deel van Van Wanings oeuvre. Voor de tentoonstelling Het Brielle van Martin Van Waning, die tot en met oktober 2009 in het Historisch Museum Den Briel te zien was, werden deze werken samengebracht en gepubliceerd in een boekje dat nog in de museumwinkel te koop is.

De tentoonstelling kon worden georganiseerd dankzij de bereidwillige medewerking van Arjo Zwart, dè verzamelaar van Martin van Waning, die zijn gehele collectie Van Wanings voor de tentoonstelling in bruikleen afstond.

De Rode Brug (Zevenhuizen) Maarland ZZ (Collectie Historisch Museum Den Briel; inv nr 4006)Gezicht op de Zevenhuizen en Maarland ZZ te Brielle (Collectie Historisch Museum Den Briel; inv nr: 3873)

Brielle door de ogen van Sabrina en Hassen

De Nymph in Brielle door Sabrina en HassenBrielle door de ogen van Sabrina en Hassen

Sabrina (1990) en Hassen (1991) Bouazza zijn in Tunesië geboren en hebben een Nederlandse moeder en een Tunesische vader. De eerste jaren van hun leven brachten de kinderen door in Tunesië en werden aldaar door familie opgevoed, volgens de Tunesische traditie en in de Arabische taal. De ouders van Sabrina en Hassen bouwden in die jaren een bestaan op in Nederland. In 1996 verhuisden de kinderen naar Nederland en werden herenigd met hun ouders.

Vader Bouazza organiseerde voor zijn kinderen een soort van privé-inburgeringscursus, die onder meer de kennis van de Nederlandse geschiedenis inhield. De kinderen bedachten met hun vader een tekenproject dat resulteerde in 40 tekeningen van Sabrina en Hassen met als onderwerp hoogtepunten uit de Nederlandse geschiedenis.

Onder de titel Door de ogen van Sabrina en Hassen. Tunesische kindertekeningen over de Nederlandse geschiedenis organiseerde de Atlas van Stolk uit Rotterdam rondom deze tekeningen in 2002 een tentoonstelling en liet ze vergezeld gaan van prenten, tekeningen en foto’s uit de collectie Atlas van Stolk.

Eind 2007 benaderden Sabrina en Hassen het Historisch Museum Den Briel met de vraag of  het mogelijk was er hun tekeningen te exposeren. In 2008 was hun tentoonstelling drie maanden in Brielle te zien. Voor de gelegenheid maakte zij naar originele werken uit de museumcollectie extra tekeningen van twee Brielse wapenfeiten: De Inname van Den Briel door de Watergeuzen in 1572 en De Onthulling van de Nymph op het Asylplein door koning Willem III in 1873.

De tekeningen van Sabrina en Hassen zijn te beschouwen als een voorloper van de Historische Canon van Nederland, die werd uitgebracht in 2006.

De tekeningen van Sabrina en Hassen boden tevens inzicht in de thema’s inburgeren, het Nederlanderschap en integratie.

nymph