WINDMOLENS OP VOORNE-PUTTEN EN ROZENBURG 4

Kunstenaar Wim van Willegen heeft de 10 windmolens van het eiland Voorne-Putten en Rozenbrug in beeld gebracht op de voor hem zo karakteristieke wijze. ‘Voorne in Alle Staten’ laat ze allemaal zien de komende weken. Vandaag de molen van Hellevoetsluis. Heeft u zelf een mooie (oude) foto van deze molen of een leuk verhaal bij de molen? Stuur deze dan naar info@voornewiki.nl en wij zorgen dat uw foto en verhaal geplaatst worden.

Molen ‘De Hoop’ – Hellevoetsluis
Deze ronde, stenen stellingmolen is gebouwd als korenmolen in 1801 en kwam in de plaats van een standaardmolen die plaats moest maken voor de bouw van het Droogdok. De vlucht* van deze molen is 24,60 meter. De Hoop domineert nog steeds het beeld van de Vesting. De echte functie als korenmolen heeft deze draaiende molen al lang niet meer; de monument is al tijden een woning. In 1995 is op de tweede zolder een bezoekerscentrum geopend. Dit bezoekerscentrum is geopend van juli t/m augustus en wordt gerund door vrijwillige medewerkers. Op de zolder vindt u:
• dvd-presentaties
• koffie, thee, limonade etc.
• molensouvenirs en verkoop van meel

* Een ‘vlucht’ is de afstand tussen de uiteinden van één molenroede.
Bron: Molendatabase.nl

DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 6

‘Het horloge’

door:  Kees Weltevrede

Ik moet net twaalf geweest zijn toen mijn grootvader Scheygrond tegen me zei: ‘Kees, we moesten samen eens praten, kom vanavond na het eten maar op mijn kamer.’ Mijn grootvader woonde na zijn pensionering met grootmoeder bij ons in huis, het waren oude mensen geworden na een leven van sappelen en sloven en toen niet lang daarna zijn vrouw overleed, mijn grootmoeder dus, kreeg hij op de eerste verdieping van ons huis op Nobelstraat 85 een kamer voor zichzelf, een zit- slaapkamer.
Er stond een eiken buffet met daarop een lampetkan en een marmeren pendule. Er was een linnenkast. Aan de wand hing een ondergaande zon, een ingelijste pentekening van de Brielse Dom door Van de Voorde, voordat hij gerestaureerd was. Er was een medicijnkastje met een glas-in-lood deurtje en verder een uitschuiftafel met een paar stoelen, een bed en een nachtkastje met daarop een vergeelde jeugdfoto van mijn grootmoeder en een lege brillenkoker. Ook lag er een kleedje op het linoleum naast het bed, een imitatiepers met figuren in rood en blauw, en er hing een ‘oudemensenlucht’ die ik nog steeds herken en die me, eenmaal ergens opgesnoven, direct terugbrengt naar een voorgoed vervlogen tijd van oude mensen en hun dingen die voorbijgaan.
Het was een tamelijk grote slaapkamer, op het zuiden gelegen, zodat het er overdag, als de zon scheen, weldadig licht was. De twee ramen aan de zuidzijde konden open geschoven worden, maar dat kostte wel moeite, want de touwen van het contragewicht waren van ouderdom gerafeld en daarna geknakt en alleen als je ze met de ene hand omhoogschoof en er met de andere een plankje onder plaatste, bleven ze hangen. Grootvader was invalide, hij had maar één arm.

Meestal als ik bij hem op zijn slaapkamer zat, gingen we dammen, hij vertelde tussen de zetten door verhalen van vroeger. Soms moest ik hem voorlezen. Grootvader wilde alleen nog maar kinderverhalen horen en zijn lievelingsschrijver was W. G. van der Hulst. De boekjes waren afdankertjes van mij en mijn zuster, ze waren stuk gelezen en hadden dus veel losse bladzijden zodat er wel eens een deel van het verhaal ontbrak, maar grootvader nam er genoegen mee omdat hij de verhalen bijna uit het hoofd kende. Soms depte hij met zijn rode zakdoek onder zijn bril een traan weg en dan kwamen bij mij ook de waterlanders, want bij het verdriet van een ander bleef ik als kind zelden onbewogen.

Toen ik die avond zijn kamer binnenstapte, zat hij al klaar. ‘Ga maar zitten jongen’, zei hij, en schoof met zijn ene hand zijn pijp en tabak aan de kant, vouwde met dezelfde hand heel vernuftig de krant op en streek met het stompje dat van zijn andere overgebleven was het tafelkleed glad.
‘Kees’, zei hij, na een korte stilte, ‘je bent nu twaalf geworden, en dat is de leeftijd waarop je toch bijna groot bent. Volwassen ben je nog niet, maar je bent al een hele vent, bijna net zo groot als ik, dus ik dacht, we moesten nu maar eens ergens over praten.’ Hij hield zijn woorden binnen en keek naar het portret van zijn vrouw, mijn grootmoeder. ‘Kijk, je weet, jij hebt vroeger een broertje gehad, en dat is overleden. De kleine Bouwen. Bouwen heette het, hij was naar mij vernoemd’, vervolgde hij, ‘en overleed nog geen jaar oud, en nu is er niemand meer op de hele wereld waarmee ik, hoe zal ik het zeggen, waarmee ik een naamsverwantschap heb. Behalve met jou natuurlijk, want jij bent naar je grootmoeder genoemd, mijn Cornelia. Ik bedoel: er is niemand die zich mijn bestaan zal herinneren, ooit, als ik er straks niet meer ben, of zal voortzetten zelfs, als Bouwen, ja dat bedoel ik.’
Nog steeds wist ik niet wat grootvader eigenlijk wilde zeggen, maar voor ik er ernstig over kon nadenken was het eruit. ‘Zou jij, als je later een zoon krijgt. Stel voor: je trouwt en je krijgt een zoon. Zou jij dan die zoon naar mij willen noemen?’

Op zo’n vraag is niemand voorbereid, en zeker ik niet, ik was pas twaalf. Maar och. Ik had me aangeleerd, in moeilijke situaties, net als mijn vader dat deed, uitstel af te dwingen met een: ik zal er eens een nachtje over slapen, maar eigenlijk had dat niet gehoeven, want ik wist al direct wat mijn antwoord zou zijn, maar het was toch beter het tot morgen uit te stellen, dacht ik, dat zou mijn antwoord meer gewicht geven, alsof ik er lang over had nagedacht.

De volgende avond ging ik weer bij hem aan tafel zitten. Grootvader schoof zijn pijp en tabak aan de kant, vouwde de krant op en streek het tafelkleed glad. Ik stak van wal. ‘Ik weet het’, zei ik, en nam een korte pauze om mijn blik langs de dingen in de kamer te laten dwalen. ‘Ik weet het’, zei ik nog en keer. Maar ik begon ineens over iets heel anders. ‘U weet toch dat er in het laatje van de kast een horloge ligt, een gouden horloge, er staat een naam in gegraveerd, Cornelia van Druten staat er, ik ben naar haar vernoemd, mijn grootmoeder. Kan ik dat niet krijgen.? Ik ben nu twaalf jaar, eigenlijk ben ik groot, bijna net zo groot als u?’

Grootvader keek me aan. Hij had een bril met dubbele glazen, en als hij peinsde legde hij het hoofd in de nek en keek door het leesgedeelte naar een onduidelijke plek in de verte.
‘Wil jij dat gouden horloge?’, vroeg hij eindelijk. Ik knikte nauwelijks zichtbaar, alsof het een overeenkomst betrof die al gesloten was. Mijn vraag had niets met zijn vraag van gisteravond te maken, zo leek het, maar voor mij was er, in mijn onuitgesproken opzet, een duidelijk verband: als ik het horloge zou krijgen, zou ik mijn zoon Bouwen noemen, zo had ik met mezelf afgesproken.

Het tikte niet, het zong...

‘’t Is goed’, zei hij, na een aarzeling. ‘Jij krijgt het horloge. Het hoort jou trouwens toe, je broer Adriaan niet, je zus Riet niet, jij bent immers naar mijn vrouw genoemd, jouw grootmoeder.
Maar, hoe zit het eigenlijk met de naam Bouwen, weet je nog?’, vroeg hij.
Ik streek in een gewoontebeweging door mijn haar om te voelen of de scheiding nog goed zat en of de ingedrukte slag bijeengehouden werd door de brylcream die ik er ’s morgens insmeerde en ik antwoordde: ‘Dat hoeft u toch niet te vragen, dat wist u toch wel, mijn eerstgeboren zoon zal Bouwen heten, daar kunt u van verzekerd zijn.’ Mijn antwoord klonk als een zin door mijn vader uitgesproken als hij met een klant een verzekeringscontract doorsprak. ‘Maakt u geen zorgen, meneer Van Driel, daar kunt u van verzekerd zijn. Uw zorgen zijn onze zorgen.’
‘Maar, als je vrouw het niet goed vindt, later, wat dan?’, vroeg grootvader. Ik dacht na. ‘Wat dan?’, vroeg hij nog een keer. ‘Oh, ik neem een vrouw die alles goed vindt’, antwoordde ik. Een andere vrouw wil ik niet. Ik moet er niet aan denken. Het stemde hem gerust, want mijn antwoord klonk zo resoluut, er hoefde niets aan toegevoegd te worden. Zo zou het zijn, later, als ik getrouwd was, en niet anders

Die avond kreeg ik van mijn grootvader het gouden horloge. Het was een kettinghorloge dat mijn grootmoeder om haar hals gedragen had. Er stond een Franse merknaam op de wijzerplaat, Le Bouvreuil, stond er, en daaronder Paris en: 17 rubis. Langs de rand stonden rondom twaalf Romeinse cijfers en de fragiele wijzers waren ook van goud. Het had een deurtje vóór en een deurtje achter en achter dát deurtje was nog een deurtje in matgoud waarin de naam gegraveerd stond.
Ik wond het langzaam op, drie, vier slagen, en luisterde. Het tikte niet, het zong. In een vloeiend ritme zong het aan mijn oor een zoete melodie. ‘Is dat voor mij?’, vroeg ik en verfoeide diep in me mijn onbeschaamde opzet, want ik had het toch wel gekregen, ook zonder mijn listig plan. Goed beschouwd betrof mijn plan een ordinaire ruilhandel. Ik het horloge, mijn grootvader de naam, en ik schaamde me, maar het had geen zin daar nog op terug te komen, vond ik, dus ik liet het zo.

Die nacht kon ik niet slapen. Ik had het horloge onder mijn kussen gelegd en elke keer moest ik het tevoorschijn halen om even te luisteren. Ik maakte het deurtje aan de voorkant open en probeerde in het donker te kijken hoe laat het was. Ik sloot het weer en luisterde. Ik hoorde nog duidelijker het zingende ritme, nog zangeriger als die avond bij mijn grootvader aan tafel. De volgende dag en de dagen daarna nam ik het mee naar school en toonde het iedereen die het maar wilde zien. Ik heb een gouden horloge, kijk maar…

WINDMOLENS OP VOORNE-PUTTEN EN ROZENBURG 3

Kunstenaar Wim van Willegen heeft de 10 windmolens van het eiland Voorne-Putten en Rozenbrug in beeld gebracht op de voor hem zo karakteristieke wijze. ‘Voorne in Alle Staten’ laat ze allemaal zien de komende weken.Vandaag de bekend houten molen van Brielle. Heeft u zelf een mooie (oude) foto van deze molen of een leuk verhaal bij de molen? Stuur deze dan naar info@voornewiki.nl en wij zorgen dat uw foto en verhaal geplaatst worden.

De Bernissemolen – Geervliet (Gemeente Nissewaard)

Ronde, stenen stellingmolen, in 1851 gebouwd door molenbouwer Van Dijk uit Piershil. De molen staat op een zes eeuwen oude ronde stenen muurtorenonderbouw. Aan de onderzijde heeft de cilindrische romp een muurdikte van 1,60 meter. De molen, met een vlucht van 21,60 meter (een ‘vlucht’ is de afstand tussen de uiteinden van één molenroede), heeft lang een horeca-functie gehad, maar huidige plannen wijzen op een hernieuwde maalfunctie voor deze bijzondere molen.

Bron: Molendatabase.nl

WINDMOLENS OP VOORNE-PUTTEN EN ROZENBURG 2

Kunstenaar Wim van Willegen heeft de 10 windmolens van het eiland Voorne-Putten en Rozenbrug in beeld gebracht op de voor hem zo karakteristieke wijze.‘Voorne in Alle Staten’ laat ze allemaal zien de komende weken.Vandaag de bekend houten molen van Brielle. Heeft u zelf een mooie (oude) foto van deze molen of een leuk verhaal bij de molen? Stuur deze dan naar info@voornewiki.nl en wij zorgen dat uw foto en verhaal geplaatst worden.

Molen ‘t Vliegend Hert’ – Brielle
Deze open houten standerdmolen is in 1985 gebouwd. In 1978 werd de Brielse Molenstichting ‘Vliegend Hert’ opgericht om de herbouw van een korenmolen mogelijk te maken. Eerdere (stenen) korenmolens waren afgebrand. De molenmaker was de firma Beijk uit Afferden, naar ontwerp/bestek van I.J.de Kramer uit Leidschendam. De vlucht (dat is de afstand tussen de uiteinden van één molenroede) van deze karakteristieke molen is 26,60 meter. In de nabijgelegen Molenschuur worden veel meelproducten te koop aangeboden.

Bronnen:
www.Molendatabase.nl
www.Vliegendhert.org

WINDMOLENS OP VOORNE-PUTTEN EN ROZENBURG 1

Kunstenaar Wim van Willegen heeft de 10 windmolens van het eiland Voorne-Putten en Rozenbrug in beeld gebracht op de voor hem zo karakteristieke wijze.
‘Voorne in Alle Staten’ laat ze allemaal zien de komende weken.
We beginnen in Abbenbroek.

Molen ‘De Hoop’

Abbenbroek (gemeente Nissewaard)
Het bouwjaar van deze molen, type grondzeiler, is 1843.
Molenmaker Willem Vermaas uit Hellevoetsluis was de bouwer.
Deze bakstenen korenmolen heeft een ronde romp en is enigszins getailleerd gemetseld waardoor de molen een beetje flesvormig lijkt.
De vlucht (dat is de afstand tussen de uiteinden van één molenroede) is 22,50 meter.
De landschappelijke waarde van deze molen is groot, het dorpsbeeld wordt mede door deze molen bepaald.
De molen is een Rijksmonument, evenals het molenaarshuis ernaast met schuur.

Bron: Molendatabase.nl

Korenmolen ‘De Hoop’ in de vesting van Hellevoetsluis

De Hellevoetse beeldend kunstenaar Wim van Willegen kwam in het bezit van het klassieke boekje: ‘Hellevoetsluis in oude ansichten’, Europese Bibliotheek-Zaltbommel 1979, Reprografie: Cor Koch; tekst: Kl. Buitenhuis.

Hij trof daarin een ansichtkaart met de Korenmolen ‘De Hoop’ in de Molenstraat van de vesting van Hellevoetsluis temidden van de oude bebouwing. Dat inspireerde Wim van Willegen tot het maken van een fraaie zeefdruk in die kenmerkende stijl die we van hem gewend zijn. De zeefdruk meet 24 cm bij 24 cm en is te koop via de kunstenaar. Stuur hem even een mailtje als je belangstelling hebt: wimvanwillegen@hetnet.nl

Van Hellevoetsluis in het bijzonder (maar liefst 14), en inmiddels ook van talloze steden en locaties in Nederland zijn zeefdrukken gemaakt door kunstenaar Wim van Willegen. Op Voorne in Alle Staten zijn meerdere pagina’s gewijd aan deze Hellevoetse kunstenaar.

DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 5

Over een paard, een konijn, kippen, een hond en… groetensoep 

Van alle plaatsen in de wereld vind ik Den Briel het mooist: ik ben er geboren en heb er mijn jeugd gesleten, dus ik heb recht van spreken. Af en toe komen we er nog wel eens. Mijn ‘oude moeder’ woont er en elke keer als we er zijn, verbaast het me dat alles nog zo intact gebleven is. Buiten de wallen hebben ze haast gemaakt met nieuwbouw, dat wel, maar daarbinnen is alles er nog: de pomp op het Wellerondom, de Domtoren, het Maerlandt, m’n oude school… Toen ik daar gisteren langs liep, rook ik nog de geur van putwater, zweet en pies. Het was een christelijke school en ik kan u precies vertellen waar Jezus aan het kruis hing en waar Noach een duif losliet.

In die tijd had ik een vriendje, hij heette Piet van Tricht, dat ik zeer bewonderde omdat hij bijna alles durfde. Zo durfde hij zo maar onder het paard van mijn grootvader door te lopen, wat in mijn ogen overeenkwam met de moed die de watergeuzen eens aan de dag legden.

Mina, een groot, schonkig schommelbeest dat nauwelijks het ene been voor het andere kon krijgen.

Nu was het paard van mijn grootvader allesbehalve kwaadaardig. Het heette Mina en in mijn herinnering staat het overeind als een groot, schonkig schommelbeest dat nauwelijks het ene been voor het andere kon krijgen. Wij mochten het ‘s morgens uit de wei halen en dan sjokte het gewillig achter ons aan…, maar wij waren toch maar de ridders die dat klaarden…!

Als je dierenliefde kan erven, dan heb ik die eigenschap van mijn grootvader Bouwen Scheygrond. Oma Scheygrond dreef een levensmiddelenwinkeltje in de Nobelsstraat waar later Teun Wageveld in kwam en mijn grootvader ging dagelijks met paard-en-wagen de boer op. In zijn weinig rooskleurig bestaan hield hij van zijn paard alsof het een lotgenoot was, en dat was het ook, want waar weinig is, kan weinig gegeven worden. Ik heb mijn grootvader eens met tranen in de ogen een konijn zien slachten, en zijn leghoorns, die al lang geen eieren meer legden, zijn alle van ouderdom gestorven.

Toen grootmoeder stierf, gingen wij, Piet en ik, naar zijn levensmiddelenwinkeltje, iedere dag na schooltijd, om te helpen. Nou ja… helpen… Er was geen helpen aan zagen wij al gauw en het duurde niet lang of de zaak werd van de hand gedaan aan. Mina werd verkocht, ik heb haar nooit meer terug gezien. Grootvader kwam bij ons inwonen en daarmee brak voor hem en voor ons een nieuwe fase aan. Op een dag, we zaten op een bank in onze tuin, zei ik tegen mijn grootvader: ‘Ik zou best een hond willen hebben…’ Het was niet zomaar een opwelling, want ik had het plan al lang. En nu wilde ik hem eens uithoren hoe hij erover dacht. Het standpunt van mijn ouders was bekend: we hadden een poes, konijnen, kippen en een geit en dat moest maar genoeg zijn.

Eigenlijk behoefde ik hem niet te polsen, want ik wist dat hij voor mij partij zou kiezen, dat was zijn zwak, ik weet het nu maar al te goed, meer grootouders lijden daaraan. Hij was er dadelijk voor, een hond, dat was een kameraad, je kon er mee de polder in en hij bewaakte het huis…

Nu liep er toentertijd -mijn tijdgenoten zullen het beamen- in ons stadje een ongelooflijk grote hond schaarloos rond. Hij had iets van een Duitse herder met de afmetingen van een Deense dog. Hij was de Coppelstockstraat binnen komen lopen en niemand wist van wie hij was, zodat het niet lang duurde of hij was van iedereen. Ook ik had die hond op het oog. En mijn plan stond vast: op een woensdagmiddag, als mijn ouders niet thuis waren, zou ik hem vangen en mee naar huis nemen. Als hij eenmaal thuis was, zouden mijn ouders vast geen bezwaar meer hebben tegen die schitterende hondenreus. Met mijn grootvader had ik afgesproken dat hij tegenover mijn ouders duidelijk de kwaliteiten van onze nieuwe huisvriend zou aanprijzen, en ook mijn broer en zuster had ik met dropveters (die ik toch niet lustte) daartoe weten over te halen.

Het wilde maar geen woensdagmiddag worden, maar toen de bel voor de laatste maal ging, vlogen we de school uit, Piet en ik, het avontuur tegemoet. Piet zou voor een lang touw zorgen en ik zou wat brood meenemen om onze toekomstige metgezel te lokken. Het touw bleek niet nodig, want de kolos bleef braaf naast ons lopen, maar het brood ging erin als lever. Maar… eenmaal thuis veranderde het beest echter op slag: het sprong tegen deuren op, zette de grote poten in het raamkozijn, zwaaide met de staart de kopjes van een theemeubel en ging pardoes aan ons vloerkleed liggen happen. In de keuken lichtte het een achterbeen op en besproeide een tafelpoot, om zich daarna op een volle pan melk te werpen, die met enige snelle tong- en slikbewegingen leeggedronken werd.

Zo kon het niet langer besloten wij. Ik stelde voor onze vriend zolang in het kippenhok te bergen; de kippen konden wel even in de ren. Dat werd gedaan. Kippen uit het binnenhok, hond erin, deurtje dicht… klaar is Kees. In de korte tijd dat wij in huis grote schoonmaak hielden, moet het gebeurd zijn. Toen we weer in de tuin kwamen, was ons nieuwe huisdier uitgebroken en had zich aan de kippen vergrepen: overal lagen plukjes kippenveren, we vonden vijf ontzielde kippenlijven, één kip had zich blijkbaar fladderend gered en zat op de dakgoot zieltogend naar adem te happen.

Toen mijn ouders aan het eind van de middag terugkwamen, heeft het erom gespannen of hemel en aarde nog gewoon zouden voortbestaan… Mijn vader, die doorgaans de vredelievendheid zelve was, ging te keer als een briesende leeuw, en mijn moeder begon nu werkelijk aan mijn verstandelijke vermogens te twijfelen en dreigde voortdurend met een opvoedingsgesticht ergens in de buurt van Maassluis. Omdat grootvader alle schuld op zich nam, heb ik dit avontuur heelhuids overleefd. Hij is al jaren dood, maar ik ben hem er nog steeds dankbaar voor. De hond werd op straat gezet en was weer van iedereen, alleen ik wist dat hij eigenlijk van mij was…

Toen ik een paar weken geleden mijn jeugdvriend Piet in een restaurantje aantrof, zat hij achter een bord groentesoep; met kippensoep had hij nog steeds moeite, zei hij. Anders ik wel, antwoordde ik, en we vonden dat de tijd snel ging… veel te snel.

DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 4

Tante Jannie 

Ze zitten achter het huis in de Nobelstraat waar opa en oma Scheygrond een winkel dreven. Nummer 41 of zo. Het was een lange winkel, met een hoge toonbank. Achter de toonbank waren schappen en ingebouwde voorraadbakken, van waaruit de levensmiddelen los werden verkocht: bruine bonen, erwten, suiker, vermicelli, zout, meel, rijst, sunlight zeep … Achter het huis was de bleek en een plek waar ze in de zon konden zitten, en daarachter een schuurtje met een hooizolder. We hebben daar eens een voederbak onder het hooi vandaan moeten halen, mijn broer Adriaan en ik, en ik vroeg aan mijn opa: Mag ik hem hebben, daar kan ik een boot van maken… Maar hij was al vergeven, en trouwens: er zat een gat in de bodem. Mijn oma en tante Jannie, haar dochter. Mijn oma is op het driehoekstoeltje met de gedraaide poten en spijlen in het gras voor de plaats gaan zitten. Tante Jannie is er naast gaan zitten, op een omgekeerde krat of emmer. Het lijkt wel of de zon schijnt, maar ik zie geen schaduw. Het moet lekker weer geweest zijn, want tante Jannie zit in een truitje met korte mouwen en ze kijken allebei niet kouwelijk. Er moet iemand geweest zijn die gezegd heeft: ik zal eens een foto van jullie maken, ga maar even hier zitten. Mijn opa kan het niet geweest zijn, want hij had één hand en daarmee was het moeilijk foto’s maken. Ik haal wel even een stoeltje voor moeder, zal tante Jannie gezegd hebben, ze was altijd behulpzaam. De foto is spontaan genomen. Ze poseren niet. Ze kijken zo maar om zich heen. De fotograaf heeft niet gezegd: kijk even naar mij…

Oma draagt een lange gebloemde jurk, tot op haar schoenen en hoog gesloten. Om de middel vastgeknoopt met een ceintuur of band en naar de hals toe dichtgeknoopt met vijf knoopjes. De onderste twee zijn niet origineel, ze horen niet bij de jurk, zijn later aangezet, want ze hebben een andere grijswaarde. Oma zit frontaal, maar haar gezicht is afgewend. Haar rechterhand leunt op de stoel, ze heeft een trouwring om de ringvinger, je kunt hem zien. De andere rust samengeknepen in haar schoot, misschien verbergt ze er een zakdoekje in. Ze heeft lang blond haar, oma, dat achter haar hoofd in een knot opgebonden is. Of was het grijs? Het haar van tante Jannie is veel donkerder, bijna zwart. Het zal ook wel opgebonden zijn. Je kunt het niet zien, want ze kijkt en face een beetje schuin naar beneden, alsof ze naar iets kijkt wat op de grond ligt, Trixie misschien, de poes. Ze heeft geen ring, tante Jannie, ze is nog niet getrouwd. Ik schat haar vijfendertig, misschien iets jonger. Oma zal bijna zestig geweest zijn, maar ze oogt nog jong, een rond gezicht, als dat van Riet, mijn zuster. Oma heeft een vrolijke uitstraling. Riet, mijn zuster, is de enige die op haar lijkt.

Tante Jannie en oma Scheygrond

Die mollige bouw, die houding, dat gezicht… Ik zie dat oma de broche draagt die mijn moeder later van haar geërfd moet hebben. Een zilveren ronde broche met centraal één grote zilveren knikker en aan de rand allemaal kleine. Ze heeft de broche vaak op gehad, mijn moeder, en niet alleen bij gelegenheden. Waar zou hij gebleven zijn…

Suze lijkt op tante Jannie, heel duidelijk, die diepe ogen, die neus, die mond. Gelijkenis laat zich niet ontkennen, tot onze dood dragen we een gelijkenis met ons mee. Als je oud bent, zullen ze nog zeggen ‘dat is er één van die en die… kijk maar…’, en ze halen er een foto bij.

Toen tante Jannie veertig was kreeg ze kennis aan oom Jaap. Wij vonden oom Jaap niet zo. Hij hield niet genoeg van tante Jannie, vonden wij, was uit op een avontuurtje… tenminste… dat werd gezegd, door mijn moeder. Mijn moeder en tante Jannie waren zussen, en in hun jeugd onafscheidelijk en die onafscheidelijkheid liet eigenlijk niemand toe, en dan verzin je zoiets. Ze trouwden en kregen een kind: Suze. Het was toch wel spannend, tante Jannie was immers een vrouw van middelbare leeftijd, die haar eerste kind kreeg. De zwangerschap verliep voorspoedig. En… er werd een mooie, gezonde baby geboren, Suze… Maar een dag na de bevalling was er paniek. Een bloeding… De paniek veranderde in verslagenheid: tante Jannie overleed, zonder dat er iemand bij was. In het ziekenhuis, in het kraambed gebleven. Doodgebloed. Het gebeurde ‘s nachts. Als de zuster er bij geweest was, was er niets gebeurd, hoor ik mijn moeder nog zeggen, was er niets gebeurd… Nou ja, niets… er was paniek geweest… maar meer niet, de bloeding was gestelpt.

Ik was toen zeven of acht, en ik hoor in de verte nog het diepe ingehouden schreien, dat van alle kanten door ons huis klonk, iedereen zocht een plek voor verdriet. We hadden een groot huis, maar je kon het overal horen. Er werd weinig gesproken. Dagenlang werd er weinig gesproken. En als er gesproken werd, op gedempte toon. Mijn opa kon het niet aan zijn vrouw, mijn oma, vertellen. Oma had een chronische longziekte, was bedlegerig geworden en was noodgedwongen met opa bij ons in getrokken. Ze lag boven in haar kamer altijd naar de zoldering te staren en te wachten op iets dat nog gebeuren ging. Hoe is het met Jannie?, vroeg ze vaak. En: Wat hoor ik toch voor vreemde geluiden…? Mijn vader heeft het haar toen verteld. Wij zaten beneden en luisterden naar flarden van een verhaal met veel tussenpauzes, alsof het niet echt gebeurd was, alsof het een ander gold. Ik hoor haar nog onophoudelijk snikken en roepen: O, Djen, o Djen…

Lange tijd bleef het verdriet om de dood van tante Jannie als een donkere echo door ons huis resoneren. Een eng geluid… je kon er niet voor wegkruipen. Er moest iets gebeuren en dokter Tellegen zei: Jullie moeten Suze maar in huis nemen, en Jaap ook. En dat gebeurde. Jaap ook?, heeft mijn moeder nog gevraagd. Ja, Jaap ook, zei dokter Tellegen, hij is de vader, en waar moet hij anders heen… En zo kwamen ze bij ons inwonen. We waren toen met z’n negenen. Mijn moeder, mijn vader, opa en oma, Jaap en Suze. Mijn zus, mijn broer en ik… Tante Jannie was er niet.

De bloemen van mijn jeugd , aquarel

 

DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 3

Het binnenplaatsje in Brielle aan de Voorstraat 133

Het binnenplaatsje aan de Voorstraat 133

Vooraan staat Marja van Dam. Ze heeft een vlag in haar ene hand, en met de andere probeert ze hem te ondersteunen. De foto dateert van vlak na de bevrijding. Ze zwaait met de vlag, je kunt het zien aan de wazige vlek op de foto. Het is leuk ding, Marja van Dam. Ze heeft een lief smoeltje. Hoe oud zou ze zijn? Ik denk twee, misschien drie. Kijk haar knieën eens. Haar piekhaar… Haar handjes zullen smoezelig zijn, en misschien komt er wel snot uit haar neusje. Heeft ze geen zakdoek? Nee Marja heeft geen zakdoek. Ze veegt haar neus af met haar mouw. Misschien likt ze het wel op. Hmmm… lekker, snot. Ze heeft op haar knieën over ons plaatsje gekropen, of op de bank. Bank op, bank af, dat is een leuk spelletje. Het is een levendig ding, Marja. Niet voor niets gaat mijn allervroegste herinnering naar haar terug.

Zij is de enige herinnering die ik koester uit mijn vroege kleutertijd. Marja van Dam. Ze speelt met me bij de zandbak in onze tuin en ineens laat ze haar broekje zakken, zo maar, alsof ze wil zeggen: kijk eens wat ik nog meer allemaal heb, dit is mijn kontje, dit zijn mijn billen, dit is mijn buik… en hier plas ik mee. Ik had nog nooit zoiets gezien, een naakt kindje dat geen piemeltje heeft, dat niet heeft wat ik wel heb. Hier klopt iets niet, hier is iets fout gegaan… , moet ik gedacht hebben. Maar misschien is ze nog niet af, Marja van Dam? Misschien komt er nog iets uit haar gegroeid. Mijn ogen zijn vol van een ‘hoe bestaat het’, een kindje met niets wat iets hoort te zijn.

Achter Marja staat een ander kindje met een gestreept truitje aan. Het is een jongetje, dat zie je aan zijn haar. Jantje Ploege. Ik weet niet meer van hem dan dat hij Jantje Ploege heette, en… dat hij hakkelde. Als ik hakkelde, dan had ik dat van hem geleerd, heb ik vroeger moeten horen. Het was vast een leuk ventje. Hij heeft een guitig smoeltje en staat op één been, de handen in zijn zak. En daar rechts, dat ventje op het trapje, dat ben ik. Je kunt het nauwelijks zien, want de vlag van Marja zwaait vervaarlijk voor mijn gezicht langs. Maar die diepe ogen… dat moeten mijn ogen zijn. Ik doe niets, ik kijk zo maar wat, de handjes gevouwen, de blik op de persoon met het fototoestel. Ik heb anders wel een dikke kop zeg, zo dik dat ik even denk dat ik het niet ben…, dat het een ander is. 

Waar zijn we? We zijn achter ons huis, op het plaatsje, Voorstraat 133… Den Briel. Wat is er zoal om mee te spelen? Een houten bank met daarop een aardappelbak, een deksel, een doek. Daarboven een waslijn, een jurk en een broekje eraan, of een truitje. Geen knijpers. Achter de waslijn is een ovale verzinkte wasteil. Hij hangt met het ene oor aan een spijker, er ligt een dweil op of zoiets. De plank waaraan hij hangt is niet zo degelijk meer. Hij hangt scheef, er steekt een grote gevaarlijke roestige spijker doorheen, waaraan je je pijnlijk kunt bezeren. Er is een wasketel, rond en kleiner dan de teil, een ketel om de was op te koken. Hij staat naast de bank op de vloer, er ligt een deksel op dat er niet bij hoort, want het is groter dan de emmer. Daar speelden we dus vroeger mee: deksels, doeken, rommel…

Met Marja van Dam, Voorstraat 133

Je kunt links over de schutting kijken, daar woont Marja van Dam. Ook kun je door de ramen van de achterdeuren naar binnen kijken. Die achterdeuren zouden wel eens geverfd mogen worden. Als je goed kijkt, zie je iemand zitten. Je kijkt van buiten naar binnen op de rug van iemand. Misschien is het mijn moeder, en leest ze de krant. Er is ook een kastje te zien. Op dat kastje staat een ander kastje, en daarop een doos. Het is binnen vast ook een gezellige rommel.

Verder is er op onze plaatsje een houten trapje, er liggen allerlei leuke gevaarlijke dingen op de vloer en helemaal rechts is er een regenton. De regenbuis is te hoog afgezaagd, maar er zal heus wel water in de ton sijpelen als het regent. Water voor de was, water om ons plaatsje te schrobben, water voor de tuin, water om te drinken.

De deur van de keuken staat open. Staat er iemand in de deuropening? Is het mijn oma? Ze overziet ons plaatsje en denkt: wat een bende is het hier, maar laat maar… de kinderen hebben het zo naar hun zin. Als de deur helemaal open slaat, zoals nu, draait hij net boven de regenton tegen de planken keukenwand, dat is knap gemaakt, eigenlijk perfect. Wie heeft dat zo knap verzonnen? Mijn vader vast niet. Hij had een houten kist met gereedschap, maar ik heb hem nog nooit zien timmeren of zagen. Eén stuk gereedschap heb ik van voeger uit die gereedschapskist behouden; het is een winkelhaak, helemaal verroest en ingevreten, maar ik werk er nog mee als ik wat te bouwvakkeren heb, en hij doet het nog perfect, niet krom of scheef maar volmaakt haaks. Kom daar tegenwoordig eens om, een winkelhaak van meer dan vijfenzestig jaar die nog volmaakt haaks is…

In onze tuin Voorstraat 133

Wat mij nu, na zoveel jaren, het meest bezighoudt is toch de schaduwgestalte links op de vloer van ons plaatsje. Daar staat iemand. Wie is dat geweest? Het lijkt me de schaduw van een vrouw. Die brede heupen. Wie heeft er toch gezegd: …hé… wat leuk… ik haal even een fototoestel en maak een foto van de kinderen. Kijk even naar mij, jongens. Jantje Ploege kijkt in de lens. Marja is in haar spel verdiept en merkt niets. Ik kijk ook in de lens. De handen gevouwen, de knieën opgetrokken kijk ik in de lens.

Hoe zou het toch komen, bedenk ik me ineens, dat ik later, eenmaal groot en volwassen, zo’n notoire chaoot ben geworden…? Wat ben ik allemaal niet kwijtgeraakt door mijn slordigheid, door de bende die ik om me heen verspreidde en waardoor ik niet meer kon vinden wat ik zojuist nog had? En heeft de vrouw met het fototoestel dat beseft, in een visionaire blik? Heeft ze geweten dat deze kleine chaos, deze warrige kinderspeelplaats, ooit voor mij gevolgen zou hebben. Heeft ze gezegd: dat moet ik vereeuwigen, dat plaatsje, die bende, voor later, voor als Kees vijfenzestig is… opdat hij zich niet schuldig hoeft te voelen als hij weer zijn sleutelbos kwijt is… of zijn zonnebril, zijn giromaatpas, zijn garantiebewijs, zijn tas, zijn nieuwe vulpen, zijn schoenen, zijn rijbewijs, z’n horloge, z’n oude vulpen, z’n fietssleuteltje… z’n leesbril… o nee, die heeft ie op…

Met Jantje Ploege (rechts)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met Marja van Dam, Voorstraat 133

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In onze tuin 

DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 2

'Uit een grijs verleden opdoemend', aquarel door Kees Weltevrede

Het gelukkige gezin 

Ze zijn allemaal in bad geweest en ze zetten hun mooiste gezicht. Ze gaan op de foto. Rietje wil niet lachen, later zou ze vertellen dat ze op een foto niet kan lachen, vroeger niet en nog steeds niet. Ik heb een foto van haar, met onze kleinzoon, de kleine Mathijs, in haar armen, en inderdaad: ze probeert het wel, maar ze lacht niet. En ik heb ook een foto van toen ze zestien was of zo, en daarop lachte ze ook niet… Ach, jonge mensen moeten lachen, vind ik.

Mijn vader vindt dat hij op de foto devoot omlaag moet kijken, hij heeft de ogen gesloten alsof hij bidt en mijn moeder -zie ik het goed?- verbergt een glimlach in haar mondhoek. Je kunt het nauwelijks zien. Mijn moeder moet naar eau de cologne geroken hebben, en zeep. Ze heeft haar mooiste halsketting om, haar mooiste jurk aan. Haar lange haar is achter opgebonden tot een rol. Ze moet vroeger zeker voor jodin zijn aangezien, zo donker die oogopslag, zo zwart dat haar. De kleine Bouwen ligt op een schapenvacht, het hoofd op een kussen, in zijn nieuwe kleertjes. Ze zijn nog nooit gebruikt. Het zijn vast zelfgemaakte kleertjes, speciaal voor dit doel, de foto, gebreid. En hij heeft slofjes aan met gestrikte bandjes. Het is een vergeelde zwart-wit foto, je kunt het niet zien, maar ze zullen lichtblauw geweest zijn, net als zijn overige kleertjes. Hij kijkt naar de lens van de camera en zijn rechterhandje grijpt ook in die richting. Hij kijkt een beetje bang. Rietje heeft een grote strik in haar haar. Wat heeft ze grote ogen. Ze kijkt ook naar de camera, een beetje verschrikt alsof ze zeggen wil: ik zit hier wel, maar ik ben zo weer weg. Vier mensen: een vader, een moeder, een kleine meid en een kleine jongen… het gelukkige gezin. Míjn vader, míjn moeder, míjn zusje, míjn broertje. Eigenlijk moet ik zeggen: mijn zus, mijn broer… want ik ben later geboren, vijf jaar later. Wat een onbegrijpelijk fenomeen: kijken naar een werkelijkheid waar je geen deel van uitmaakt en die toch de grond van je bestaan geworden is…

De foto is gemaakt op het atelier van ‘Foto de Wette’ in Den Briel, dat staat eronder. Wie zou er gezegd hebben: we moeten eens een foto laten maken? Ter ere waarvan is hij gemaakt? Was er een feest, een speciale gebeurtenis? Een spontane ingeving zal het niet geweest zijn, want mijn ouders deden zelden ‘zo maar iets’ en zeker niet zo mooi gekleed naar de fotograaf gaan… Mogelijk is hij rondom kerst 1935 of vlak na nieuwjaar van het jaar 1936 gemaakt. Ik ben dus nog niet geboren en mijn broer Adriaan ook niet. Die is in 1937 geboren; ik in 1941. Maar Riet was er al, en Bouwen ook.

En dit blijft ook een vreemde gewaarwording: wij kinderen zijn er zo veel jaren later nog steeds, en Bouwen is er niet meer. Hij overleed op 12 maart 1936, na ‘een korte ongesteldheid’, zoals op de overlijdenskaart staat, ‘in den aanvallige leeftijd van 9 maanden’. Aanvallig, wat betekent ‘aanvallig’? Hij begon net een lief ventje te worden, begon net contact te maken, begon net tegen je te brabbelen van plezier als je hem uit z’n bedje kwam halen… Op 16 maart is hij begraven, om 12 uur. Merkwaardige tijd om 12 uur begraven te worden, etenstijd, maar dat was gewoonte heb ik me laten vertellen.

Een gelukkig gezin

Hoe bleek was zijn huidje, hoe koud zijn gelaat, hoe zacht zijn haar? Hoe klein was zijn kistje? Lagen zijn handjes gevouwen op zijn buikje, of langs zijn lichaampje? Hij had mooi lang haar, donkerblond, bijna zwart. Later zou gezegd worden dat ik op hem leek, het meest van allemaal leek ik op hem. Maar wat is lijken op? Misschien had ik dezelfde blik. Dezelfde mond, hetzelfde haar, lang, donker en een beetje springerig.

Hij is begraven op het kerkhof van Den Briel, de kinderafdeling. Eén rijtuig, geen volgauto’s of stoet, alleen mijn vader, mijn oom Han en een dominee. Mijn moeder is niet meegegaan naar de begrafenis. Het was toentertijd ook niet ongewoon dat een moeder van een kind onder het jaar thuis bleef als het ter aarde besteld werd. Er was toen nog weinig vertoon van grote gebaren om een dode, zeker niet als het zo’n jong kind betrof. Er was stil verdriet. Maar mijn moeder ging ook niet mee, omdat ze het niet kon. Ik ga niet mee, heeft ze gezegd, en niemand vroeg: Waarom niet?…

Hoe ging het? Wat heeft de dominee gezegd?, zal ze nog gevraagd hebben toen ze terugkwamen. Verder heeft ze niets gezegd, niets gevraagd. En verder heeft ze ook een leven lang eraan gedacht, dat dode jochie diep van binnen bewaard in haar hart, er met weinig woorden over gesproken, een leven lang. Tot haar dood toe. Ze is tweeënnegentig geworden…