DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 5

Over een paard, een konijn, kippen, een hond en… groetensoep 

Van alle plaatsen in de wereld vind ik Den Briel het mooist: ik ben er geboren en heb er mijn jeugd gesleten, dus ik heb recht van spreken. Af en toe komen we er nog wel eens. Mijn ‘oude moeder’ woont er en elke keer als we er zijn, verbaast het me dat alles nog zo intact gebleven is. Buiten de wallen hebben ze haast gemaakt met nieuwbouw, dat wel, maar daarbinnen is alles er nog: de pomp op het Wellerondom, de Domtoren, het Maerlandt, m’n oude school… Toen ik daar gisteren langs liep, rook ik nog de geur van putwater, zweet en pies. Het was een christelijke school en ik kan u precies vertellen waar Jezus aan het kruis hing en waar Noach een duif losliet.

In die tijd had ik een vriendje, hij heette Piet van Tricht, dat ik zeer bewonderde omdat hij bijna alles durfde. Zo durfde hij zo maar onder het paard van mijn grootvader door te lopen, wat in mijn ogen overeenkwam met de moed die de watergeuzen eens aan de dag legden.

Mina, een groot, schonkig schommelbeest dat nauwelijks het ene been voor het andere kon krijgen.

Nu was het paard van mijn grootvader allesbehalve kwaadaardig. Het heette Mina en in mijn herinnering staat het overeind als een groot, schonkig schommelbeest dat nauwelijks het ene been voor het andere kon krijgen. Wij mochten het ‘s morgens uit de wei halen en dan sjokte het gewillig achter ons aan…, maar wij waren toch maar de ridders die dat klaarden…!

Als je dierenliefde kan erven, dan heb ik die eigenschap van mijn grootvader Bouwen Scheygrond. Oma Scheygrond dreef een levensmiddelenwinkeltje in de Nobelsstraat waar later Teun Wageveld in kwam en mijn grootvader ging dagelijks met paard-en-wagen de boer op. In zijn weinig rooskleurig bestaan hield hij van zijn paard alsof het een lotgenoot was, en dat was het ook, want waar weinig is, kan weinig gegeven worden. Ik heb mijn grootvader eens met tranen in de ogen een konijn zien slachten, en zijn leghoorns, die al lang geen eieren meer legden, zijn alle van ouderdom gestorven.

Toen grootmoeder stierf, gingen wij, Piet en ik, naar zijn levensmiddelenwinkeltje, iedere dag na schooltijd, om te helpen. Nou ja… helpen… Er was geen helpen aan zagen wij al gauw en het duurde niet lang of de zaak werd van de hand gedaan aan. Mina werd verkocht, ik heb haar nooit meer terug gezien. Grootvader kwam bij ons inwonen en daarmee brak voor hem en voor ons een nieuwe fase aan. Op een dag, we zaten op een bank in onze tuin, zei ik tegen mijn grootvader: ‘Ik zou best een hond willen hebben…’ Het was niet zomaar een opwelling, want ik had het plan al lang. En nu wilde ik hem eens uithoren hoe hij erover dacht. Het standpunt van mijn ouders was bekend: we hadden een poes, konijnen, kippen en een geit en dat moest maar genoeg zijn.

Eigenlijk behoefde ik hem niet te polsen, want ik wist dat hij voor mij partij zou kiezen, dat was zijn zwak, ik weet het nu maar al te goed, meer grootouders lijden daaraan. Hij was er dadelijk voor, een hond, dat was een kameraad, je kon er mee de polder in en hij bewaakte het huis…

Nu liep er toentertijd -mijn tijdgenoten zullen het beamen- in ons stadje een ongelooflijk grote hond schaarloos rond. Hij had iets van een Duitse herder met de afmetingen van een Deense dog. Hij was de Coppelstockstraat binnen komen lopen en niemand wist van wie hij was, zodat het niet lang duurde of hij was van iedereen. Ook ik had die hond op het oog. En mijn plan stond vast: op een woensdagmiddag, als mijn ouders niet thuis waren, zou ik hem vangen en mee naar huis nemen. Als hij eenmaal thuis was, zouden mijn ouders vast geen bezwaar meer hebben tegen die schitterende hondenreus. Met mijn grootvader had ik afgesproken dat hij tegenover mijn ouders duidelijk de kwaliteiten van onze nieuwe huisvriend zou aanprijzen, en ook mijn broer en zuster had ik met dropveters (die ik toch niet lustte) daartoe weten over te halen.

Het wilde maar geen woensdagmiddag worden, maar toen de bel voor de laatste maal ging, vlogen we de school uit, Piet en ik, het avontuur tegemoet. Piet zou voor een lang touw zorgen en ik zou wat brood meenemen om onze toekomstige metgezel te lokken. Het touw bleek niet nodig, want de kolos bleef braaf naast ons lopen, maar het brood ging erin als lever. Maar… eenmaal thuis veranderde het beest echter op slag: het sprong tegen deuren op, zette de grote poten in het raamkozijn, zwaaide met de staart de kopjes van een theemeubel en ging pardoes aan ons vloerkleed liggen happen. In de keuken lichtte het een achterbeen op en besproeide een tafelpoot, om zich daarna op een volle pan melk te werpen, die met enige snelle tong- en slikbewegingen leeggedronken werd.

Zo kon het niet langer besloten wij. Ik stelde voor onze vriend zolang in het kippenhok te bergen; de kippen konden wel even in de ren. Dat werd gedaan. Kippen uit het binnenhok, hond erin, deurtje dicht… klaar is Kees. In de korte tijd dat wij in huis grote schoonmaak hielden, moet het gebeurd zijn. Toen we weer in de tuin kwamen, was ons nieuwe huisdier uitgebroken en had zich aan de kippen vergrepen: overal lagen plukjes kippenveren, we vonden vijf ontzielde kippenlijven, één kip had zich blijkbaar fladderend gered en zat op de dakgoot zieltogend naar adem te happen.

Toen mijn ouders aan het eind van de middag terugkwamen, heeft het erom gespannen of hemel en aarde nog gewoon zouden voortbestaan… Mijn vader, die doorgaans de vredelievendheid zelve was, ging te keer als een briesende leeuw, en mijn moeder begon nu werkelijk aan mijn verstandelijke vermogens te twijfelen en dreigde voortdurend met een opvoedingsgesticht ergens in de buurt van Maassluis. Omdat grootvader alle schuld op zich nam, heb ik dit avontuur heelhuids overleefd. Hij is al jaren dood, maar ik ben hem er nog steeds dankbaar voor. De hond werd op straat gezet en was weer van iedereen, alleen ik wist dat hij eigenlijk van mij was…

Toen ik een paar weken geleden mijn jeugdvriend Piet in een restaurantje aantrof, zat hij achter een bord groentesoep; met kippensoep had hij nog steeds moeite, zei hij. Anders ik wel, antwoordde ik, en we vonden dat de tijd snel ging… veel te snel.

DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 4

Tante Jannie 

Ze zitten achter het huis in de Nobelstraat waar opa en oma Scheygrond een winkel dreven. Nummer 41 of zo. Het was een lange winkel, met een hoge toonbank. Achter de toonbank waren schappen en ingebouwde voorraadbakken, van waaruit de levensmiddelen los werden verkocht: bruine bonen, erwten, suiker, vermicelli, zout, meel, rijst, sunlight zeep … Achter het huis was de bleek en een plek waar ze in de zon konden zitten, en daarachter een schuurtje met een hooizolder. We hebben daar eens een voederbak onder het hooi vandaan moeten halen, mijn broer Adriaan en ik, en ik vroeg aan mijn opa: Mag ik hem hebben, daar kan ik een boot van maken… Maar hij was al vergeven, en trouwens: er zat een gat in de bodem. Mijn oma en tante Jannie, haar dochter. Mijn oma is op het driehoekstoeltje met de gedraaide poten en spijlen in het gras voor de plaats gaan zitten. Tante Jannie is er naast gaan zitten, op een omgekeerde krat of emmer. Het lijkt wel of de zon schijnt, maar ik zie geen schaduw. Het moet lekker weer geweest zijn, want tante Jannie zit in een truitje met korte mouwen en ze kijken allebei niet kouwelijk. Er moet iemand geweest zijn die gezegd heeft: ik zal eens een foto van jullie maken, ga maar even hier zitten. Mijn opa kan het niet geweest zijn, want hij had één hand en daarmee was het moeilijk foto’s maken. Ik haal wel even een stoeltje voor moeder, zal tante Jannie gezegd hebben, ze was altijd behulpzaam. De foto is spontaan genomen. Ze poseren niet. Ze kijken zo maar om zich heen. De fotograaf heeft niet gezegd: kijk even naar mij…

Oma draagt een lange gebloemde jurk, tot op haar schoenen en hoog gesloten. Om de middel vastgeknoopt met een ceintuur of band en naar de hals toe dichtgeknoopt met vijf knoopjes. De onderste twee zijn niet origineel, ze horen niet bij de jurk, zijn later aangezet, want ze hebben een andere grijswaarde. Oma zit frontaal, maar haar gezicht is afgewend. Haar rechterhand leunt op de stoel, ze heeft een trouwring om de ringvinger, je kunt hem zien. De andere rust samengeknepen in haar schoot, misschien verbergt ze er een zakdoekje in. Ze heeft lang blond haar, oma, dat achter haar hoofd in een knot opgebonden is. Of was het grijs? Het haar van tante Jannie is veel donkerder, bijna zwart. Het zal ook wel opgebonden zijn. Je kunt het niet zien, want ze kijkt en face een beetje schuin naar beneden, alsof ze naar iets kijkt wat op de grond ligt, Trixie misschien, de poes. Ze heeft geen ring, tante Jannie, ze is nog niet getrouwd. Ik schat haar vijfendertig, misschien iets jonger. Oma zal bijna zestig geweest zijn, maar ze oogt nog jong, een rond gezicht, als dat van Riet, mijn zuster. Oma heeft een vrolijke uitstraling. Riet, mijn zuster, is de enige die op haar lijkt.

Tante Jannie en oma Scheygrond

Die mollige bouw, die houding, dat gezicht… Ik zie dat oma de broche draagt die mijn moeder later van haar geërfd moet hebben. Een zilveren ronde broche met centraal één grote zilveren knikker en aan de rand allemaal kleine. Ze heeft de broche vaak op gehad, mijn moeder, en niet alleen bij gelegenheden. Waar zou hij gebleven zijn…

Suze lijkt op tante Jannie, heel duidelijk, die diepe ogen, die neus, die mond. Gelijkenis laat zich niet ontkennen, tot onze dood dragen we een gelijkenis met ons mee. Als je oud bent, zullen ze nog zeggen ‘dat is er één van die en die… kijk maar…’, en ze halen er een foto bij.

Toen tante Jannie veertig was kreeg ze kennis aan oom Jaap. Wij vonden oom Jaap niet zo. Hij hield niet genoeg van tante Jannie, vonden wij, was uit op een avontuurtje… tenminste… dat werd gezegd, door mijn moeder. Mijn moeder en tante Jannie waren zussen, en in hun jeugd onafscheidelijk en die onafscheidelijkheid liet eigenlijk niemand toe, en dan verzin je zoiets. Ze trouwden en kregen een kind: Suze. Het was toch wel spannend, tante Jannie was immers een vrouw van middelbare leeftijd, die haar eerste kind kreeg. De zwangerschap verliep voorspoedig. En… er werd een mooie, gezonde baby geboren, Suze… Maar een dag na de bevalling was er paniek. Een bloeding… De paniek veranderde in verslagenheid: tante Jannie overleed, zonder dat er iemand bij was. In het ziekenhuis, in het kraambed gebleven. Doodgebloed. Het gebeurde ‘s nachts. Als de zuster er bij geweest was, was er niets gebeurd, hoor ik mijn moeder nog zeggen, was er niets gebeurd… Nou ja, niets… er was paniek geweest… maar meer niet, de bloeding was gestelpt.

Ik was toen zeven of acht, en ik hoor in de verte nog het diepe ingehouden schreien, dat van alle kanten door ons huis klonk, iedereen zocht een plek voor verdriet. We hadden een groot huis, maar je kon het overal horen. Er werd weinig gesproken. Dagenlang werd er weinig gesproken. En als er gesproken werd, op gedempte toon. Mijn opa kon het niet aan zijn vrouw, mijn oma, vertellen. Oma had een chronische longziekte, was bedlegerig geworden en was noodgedwongen met opa bij ons in getrokken. Ze lag boven in haar kamer altijd naar de zoldering te staren en te wachten op iets dat nog gebeuren ging. Hoe is het met Jannie?, vroeg ze vaak. En: Wat hoor ik toch voor vreemde geluiden…? Mijn vader heeft het haar toen verteld. Wij zaten beneden en luisterden naar flarden van een verhaal met veel tussenpauzes, alsof het niet echt gebeurd was, alsof het een ander gold. Ik hoor haar nog onophoudelijk snikken en roepen: O, Djen, o Djen…

Lange tijd bleef het verdriet om de dood van tante Jannie als een donkere echo door ons huis resoneren. Een eng geluid… je kon er niet voor wegkruipen. Er moest iets gebeuren en dokter Tellegen zei: Jullie moeten Suze maar in huis nemen, en Jaap ook. En dat gebeurde. Jaap ook?, heeft mijn moeder nog gevraagd. Ja, Jaap ook, zei dokter Tellegen, hij is de vader, en waar moet hij anders heen… En zo kwamen ze bij ons inwonen. We waren toen met z’n negenen. Mijn moeder, mijn vader, opa en oma, Jaap en Suze. Mijn zus, mijn broer en ik… Tante Jannie was er niet.

De bloemen van mijn jeugd , aquarel

 

DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 3

Het binnenplaatsje in Brielle aan de Voorstraat 133

Het binnenplaatsje aan de Voorstraat 133

Vooraan staat Marja van Dam. Ze heeft een vlag in haar ene hand, en met de andere probeert ze hem te ondersteunen. De foto dateert van vlak na de bevrijding. Ze zwaait met de vlag, je kunt het zien aan de wazige vlek op de foto. Het is leuk ding, Marja van Dam. Ze heeft een lief smoeltje. Hoe oud zou ze zijn? Ik denk twee, misschien drie. Kijk haar knieën eens. Haar piekhaar… Haar handjes zullen smoezelig zijn, en misschien komt er wel snot uit haar neusje. Heeft ze geen zakdoek? Nee Marja heeft geen zakdoek. Ze veegt haar neus af met haar mouw. Misschien likt ze het wel op. Hmmm… lekker, snot. Ze heeft op haar knieën over ons plaatsje gekropen, of op de bank. Bank op, bank af, dat is een leuk spelletje. Het is een levendig ding, Marja. Niet voor niets gaat mijn allervroegste herinnering naar haar terug.

Zij is de enige herinnering die ik koester uit mijn vroege kleutertijd. Marja van Dam. Ze speelt met me bij de zandbak in onze tuin en ineens laat ze haar broekje zakken, zo maar, alsof ze wil zeggen: kijk eens wat ik nog meer allemaal heb, dit is mijn kontje, dit zijn mijn billen, dit is mijn buik… en hier plas ik mee. Ik had nog nooit zoiets gezien, een naakt kindje dat geen piemeltje heeft, dat niet heeft wat ik wel heb. Hier klopt iets niet, hier is iets fout gegaan… , moet ik gedacht hebben. Maar misschien is ze nog niet af, Marja van Dam? Misschien komt er nog iets uit haar gegroeid. Mijn ogen zijn vol van een ‘hoe bestaat het’, een kindje met niets wat iets hoort te zijn.

Achter Marja staat een ander kindje met een gestreept truitje aan. Het is een jongetje, dat zie je aan zijn haar. Jantje Ploege. Ik weet niet meer van hem dan dat hij Jantje Ploege heette, en… dat hij hakkelde. Als ik hakkelde, dan had ik dat van hem geleerd, heb ik vroeger moeten horen. Het was vast een leuk ventje. Hij heeft een guitig smoeltje en staat op één been, de handen in zijn zak. En daar rechts, dat ventje op het trapje, dat ben ik. Je kunt het nauwelijks zien, want de vlag van Marja zwaait vervaarlijk voor mijn gezicht langs. Maar die diepe ogen… dat moeten mijn ogen zijn. Ik doe niets, ik kijk zo maar wat, de handjes gevouwen, de blik op de persoon met het fototoestel. Ik heb anders wel een dikke kop zeg, zo dik dat ik even denk dat ik het niet ben…, dat het een ander is. 

Waar zijn we? We zijn achter ons huis, op het plaatsje, Voorstraat 133… Den Briel. Wat is er zoal om mee te spelen? Een houten bank met daarop een aardappelbak, een deksel, een doek. Daarboven een waslijn, een jurk en een broekje eraan, of een truitje. Geen knijpers. Achter de waslijn is een ovale verzinkte wasteil. Hij hangt met het ene oor aan een spijker, er ligt een dweil op of zoiets. De plank waaraan hij hangt is niet zo degelijk meer. Hij hangt scheef, er steekt een grote gevaarlijke roestige spijker doorheen, waaraan je je pijnlijk kunt bezeren. Er is een wasketel, rond en kleiner dan de teil, een ketel om de was op te koken. Hij staat naast de bank op de vloer, er ligt een deksel op dat er niet bij hoort, want het is groter dan de emmer. Daar speelden we dus vroeger mee: deksels, doeken, rommel…

Met Marja van Dam, Voorstraat 133

Je kunt links over de schutting kijken, daar woont Marja van Dam. Ook kun je door de ramen van de achterdeuren naar binnen kijken. Die achterdeuren zouden wel eens geverfd mogen worden. Als je goed kijkt, zie je iemand zitten. Je kijkt van buiten naar binnen op de rug van iemand. Misschien is het mijn moeder, en leest ze de krant. Er is ook een kastje te zien. Op dat kastje staat een ander kastje, en daarop een doos. Het is binnen vast ook een gezellige rommel.

Verder is er op onze plaatsje een houten trapje, er liggen allerlei leuke gevaarlijke dingen op de vloer en helemaal rechts is er een regenton. De regenbuis is te hoog afgezaagd, maar er zal heus wel water in de ton sijpelen als het regent. Water voor de was, water om ons plaatsje te schrobben, water voor de tuin, water om te drinken.

De deur van de keuken staat open. Staat er iemand in de deuropening? Is het mijn oma? Ze overziet ons plaatsje en denkt: wat een bende is het hier, maar laat maar… de kinderen hebben het zo naar hun zin. Als de deur helemaal open slaat, zoals nu, draait hij net boven de regenton tegen de planken keukenwand, dat is knap gemaakt, eigenlijk perfect. Wie heeft dat zo knap verzonnen? Mijn vader vast niet. Hij had een houten kist met gereedschap, maar ik heb hem nog nooit zien timmeren of zagen. Eén stuk gereedschap heb ik van voeger uit die gereedschapskist behouden; het is een winkelhaak, helemaal verroest en ingevreten, maar ik werk er nog mee als ik wat te bouwvakkeren heb, en hij doet het nog perfect, niet krom of scheef maar volmaakt haaks. Kom daar tegenwoordig eens om, een winkelhaak van meer dan vijfenzestig jaar die nog volmaakt haaks is…

In onze tuin Voorstraat 133

Wat mij nu, na zoveel jaren, het meest bezighoudt is toch de schaduwgestalte links op de vloer van ons plaatsje. Daar staat iemand. Wie is dat geweest? Het lijkt me de schaduw van een vrouw. Die brede heupen. Wie heeft er toch gezegd: …hé… wat leuk… ik haal even een fototoestel en maak een foto van de kinderen. Kijk even naar mij, jongens. Jantje Ploege kijkt in de lens. Marja is in haar spel verdiept en merkt niets. Ik kijk ook in de lens. De handen gevouwen, de knieën opgetrokken kijk ik in de lens.

Hoe zou het toch komen, bedenk ik me ineens, dat ik later, eenmaal groot en volwassen, zo’n notoire chaoot ben geworden…? Wat ben ik allemaal niet kwijtgeraakt door mijn slordigheid, door de bende die ik om me heen verspreidde en waardoor ik niet meer kon vinden wat ik zojuist nog had? En heeft de vrouw met het fototoestel dat beseft, in een visionaire blik? Heeft ze geweten dat deze kleine chaos, deze warrige kinderspeelplaats, ooit voor mij gevolgen zou hebben. Heeft ze gezegd: dat moet ik vereeuwigen, dat plaatsje, die bende, voor later, voor als Kees vijfenzestig is… opdat hij zich niet schuldig hoeft te voelen als hij weer zijn sleutelbos kwijt is… of zijn zonnebril, zijn giromaatpas, zijn garantiebewijs, zijn tas, zijn nieuwe vulpen, zijn schoenen, zijn rijbewijs, z’n horloge, z’n oude vulpen, z’n fietssleuteltje… z’n leesbril… o nee, die heeft ie op…

Met Jantje Ploege (rechts)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met Marja van Dam, Voorstraat 133

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In onze tuin 

DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 2

'Uit een grijs verleden opdoemend', aquarel door Kees Weltevrede

Het gelukkige gezin 

Ze zijn allemaal in bad geweest en ze zetten hun mooiste gezicht. Ze gaan op de foto. Rietje wil niet lachen, later zou ze vertellen dat ze op een foto niet kan lachen, vroeger niet en nog steeds niet. Ik heb een foto van haar, met onze kleinzoon, de kleine Mathijs, in haar armen, en inderdaad: ze probeert het wel, maar ze lacht niet. En ik heb ook een foto van toen ze zestien was of zo, en daarop lachte ze ook niet… Ach, jonge mensen moeten lachen, vind ik.

Mijn vader vindt dat hij op de foto devoot omlaag moet kijken, hij heeft de ogen gesloten alsof hij bidt en mijn moeder -zie ik het goed?- verbergt een glimlach in haar mondhoek. Je kunt het nauwelijks zien. Mijn moeder moet naar eau de cologne geroken hebben, en zeep. Ze heeft haar mooiste halsketting om, haar mooiste jurk aan. Haar lange haar is achter opgebonden tot een rol. Ze moet vroeger zeker voor jodin zijn aangezien, zo donker die oogopslag, zo zwart dat haar. De kleine Bouwen ligt op een schapenvacht, het hoofd op een kussen, in zijn nieuwe kleertjes. Ze zijn nog nooit gebruikt. Het zijn vast zelfgemaakte kleertjes, speciaal voor dit doel, de foto, gebreid. En hij heeft slofjes aan met gestrikte bandjes. Het is een vergeelde zwart-wit foto, je kunt het niet zien, maar ze zullen lichtblauw geweest zijn, net als zijn overige kleertjes. Hij kijkt naar de lens van de camera en zijn rechterhandje grijpt ook in die richting. Hij kijkt een beetje bang. Rietje heeft een grote strik in haar haar. Wat heeft ze grote ogen. Ze kijkt ook naar de camera, een beetje verschrikt alsof ze zeggen wil: ik zit hier wel, maar ik ben zo weer weg. Vier mensen: een vader, een moeder, een kleine meid en een kleine jongen… het gelukkige gezin. Míjn vader, míjn moeder, míjn zusje, míjn broertje. Eigenlijk moet ik zeggen: mijn zus, mijn broer… want ik ben later geboren, vijf jaar later. Wat een onbegrijpelijk fenomeen: kijken naar een werkelijkheid waar je geen deel van uitmaakt en die toch de grond van je bestaan geworden is…

De foto is gemaakt op het atelier van ‘Foto de Wette’ in Den Briel, dat staat eronder. Wie zou er gezegd hebben: we moeten eens een foto laten maken? Ter ere waarvan is hij gemaakt? Was er een feest, een speciale gebeurtenis? Een spontane ingeving zal het niet geweest zijn, want mijn ouders deden zelden ‘zo maar iets’ en zeker niet zo mooi gekleed naar de fotograaf gaan… Mogelijk is hij rondom kerst 1935 of vlak na nieuwjaar van het jaar 1936 gemaakt. Ik ben dus nog niet geboren en mijn broer Adriaan ook niet. Die is in 1937 geboren; ik in 1941. Maar Riet was er al, en Bouwen ook.

En dit blijft ook een vreemde gewaarwording: wij kinderen zijn er zo veel jaren later nog steeds, en Bouwen is er niet meer. Hij overleed op 12 maart 1936, na ‘een korte ongesteldheid’, zoals op de overlijdenskaart staat, ‘in den aanvallige leeftijd van 9 maanden’. Aanvallig, wat betekent ‘aanvallig’? Hij begon net een lief ventje te worden, begon net contact te maken, begon net tegen je te brabbelen van plezier als je hem uit z’n bedje kwam halen… Op 16 maart is hij begraven, om 12 uur. Merkwaardige tijd om 12 uur begraven te worden, etenstijd, maar dat was gewoonte heb ik me laten vertellen.

Een gelukkig gezin

Hoe bleek was zijn huidje, hoe koud zijn gelaat, hoe zacht zijn haar? Hoe klein was zijn kistje? Lagen zijn handjes gevouwen op zijn buikje, of langs zijn lichaampje? Hij had mooi lang haar, donkerblond, bijna zwart. Later zou gezegd worden dat ik op hem leek, het meest van allemaal leek ik op hem. Maar wat is lijken op? Misschien had ik dezelfde blik. Dezelfde mond, hetzelfde haar, lang, donker en een beetje springerig.

Hij is begraven op het kerkhof van Den Briel, de kinderafdeling. Eén rijtuig, geen volgauto’s of stoet, alleen mijn vader, mijn oom Han en een dominee. Mijn moeder is niet meegegaan naar de begrafenis. Het was toentertijd ook niet ongewoon dat een moeder van een kind onder het jaar thuis bleef als het ter aarde besteld werd. Er was toen nog weinig vertoon van grote gebaren om een dode, zeker niet als het zo’n jong kind betrof. Er was stil verdriet. Maar mijn moeder ging ook niet mee, omdat ze het niet kon. Ik ga niet mee, heeft ze gezegd, en niemand vroeg: Waarom niet?…

Hoe ging het? Wat heeft de dominee gezegd?, zal ze nog gevraagd hebben toen ze terugkwamen. Verder heeft ze niets gezegd, niets gevraagd. En verder heeft ze ook een leven lang eraan gedacht, dat dode jochie diep van binnen bewaard in haar hart, er met weinig woorden over gesproken, een leven lang. Tot haar dood toe. Ze is tweeënnegentig geworden…

 

 

 

 

 

 

 

DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 1

'Uit een grijs verleden opdoemend', aquarel door Kees Weltevrede

 EEN OUDE FOTO

Een foto, waarop mijn grootouders staan afgebeeld, opa en oma Weltevrede. Ze kijken in de lens van de camera, naar het vogeltje, zoals wij vroeger zeiden, en zien eigenlijk niets. Dat wil zeggen: ze zien en horen de fotograaf die routineuze handelingen verricht. Opa en oma zitten in een houding die weinig van hun innerlijk verraadt. De foto is vergeeld en ademt een vooroorlogse sfeer van nette armoede, propere kleren en de opsmuk van het fotoatelier. De schoenen gepoetst, opa in een driedelig kostuum, de horlogeketting zichtbaar op z’n vest, een donkere strik om de boord. Hij heeft geen bril op. Oma wel. Ze kijkt zoals oom Dries uit Woerden kon kijken, en ook als tante Pie uit Den Haag: een beetje geknepen mond met invallende mondhoeken, maar wel ogen die je aankijken vanuit een innerlijke rust. Dat is mooi: als je oud geworden bent, en je bekijkt het drukke leven om je heen en je hebt een innerlijke rust. Trouwens… hoe oud zouden ze zijn? Ik schat zestig en als dat juist is, is de foto van midden twintiger jaren van de twintigste eeuw. Misschien vergis ik me, en zijn ze ouder. Misschien waren ze veertig jaar getrouwd, en zeiden ze: Kom laten we eens een foto van ons tweetjes laten maken, voor later, als we er niet meer zijn. Oma ziet er wel ouwelijk uit trouwens, maar dat komt vooral door de mode van die tijd: hoge schoenen, lange hooggesloten jurk met een kraagje, geen sieraden, behalve de broche die veel weg heeft van de broche die mijn moeder ook had. Misschien is het dezelfde… Nee, het is toch een andere, bij nader inzien. Ze heeft een ring om, nauwelijks te zien, om de middelvinger van haar rechterhand. Waarom daar? Was ze vermagerd en schoof hij steeds van haar ringvinger?

Ze zitten aan een hoog plantentafeltje, er staat een mandje op met droogbloemen en varens. Op het tafeltje ligt, je kunt nog net de rand op ooghoogte zien, een antimakassar. Verre herinnering uit een koloniaal tijdperk. Opa steunt met z’n linkerarm op het tafeltje. Hij kijkt niet vrolijk, eerder nors. Zijn snor, zijn ietwat scheve mond, die mijn vader ook had toen hij ouder werd, maken zijn gezicht niet vriendelijk. Maar misschien was hij het wel. Ik weet het niet, want ik heb grootvader nooit gekend. Verhalen over zijn persoon ken ik ook niet. Wel dat hij twee weken voor zijn dood de hik kreeg. Dat gegeven is één van mijn angstvisioenen geworden: twee weken de hik en dan doodgaan.

Wat waren het toch voor mensen, grootvader en grootmoeder Weltevrede. Er is mij niets van hen nagelaten. Geen brief, geen ansicht met ‘de groeten uit Scheveningen, het is hier fijn…’, geen oude doos met foto’s… niets, behalve deze ene foto. Grootmoeder heb ik wel gekend. Ze heette Maria Bouman. Ze was de laatste jaren tot haar dood bij ons in huis, van 1944 tot 1948. Of was het 1949? Zesentachtig is ze geworden en ze stierf op 6 december. De avond tevoren had ze nog een suikerbeest gegeten. Eerst een suikerbeest eten, en dan doodgaan. Daar moet ik ook vaak aan denken. Oma Weltevrede, ik heb haar zelfs goed gekend, maar heb geen precieze herinneringen. De details zijn verdwenen. Hoe komt dat toch? Waren de herinneringen aan die lieve vrouw te pijnlijk en heb ik ze verdrongen? Heb ik met die ene handbeweging van toen al mijn herinneringen weggewist? Hoe gaat dat eigenlijk, verdringen. Gaat dat vanzelf? Toen de dragers met haar kist de trap afkwamen vielen er een paar druppels bruin lichaamsvocht op een traptrede. Ik zag het gebeuren, twee druppels waren het, en veegde ze weg met een doekje dat ik snel van het aanrecht nam. Niemand had het in de gaten, alleen ik, ik keek er pal op. Wat een waanzinnig moment. Hoe moest je daarmee verder leven, ik zonder mijn grootmoeder, haar jongste kleinkind, ik kon het blijkbaar niet, en ‘koos’ onbewust voor het niets, het niet meer weten, het niet meer herinneren, en nog steeds is alles wat zij voor mij geweest moet zijn weggevaagd en onvindbaar in mijn geheugen. Hoe lang is het geleden… bijna zestig jaar…

Toch is één gebeurtenis me zo vaak verteld door mijn moeder, dat die me bijgebleven is. Ik was vier, en ging in de keuken bij mijn grootmoeder staan en zei op kindertoon: Wat ben je toch een lekkere ouwehoer. Ik had dat woord net op straat opgevangen, en wilde het gebruiken om te kijken hoe zij er op reageerde. Grootmoeder heeft gelachen, vertelde moeder, hard gelachen en geroepen: Jo, Jo, weet je wat ie tegen me zegt? Wat ben je toch een lekkere ouwehoer, zegt ie, een lekkere ouwehoer…, tegen mij! Van haar gezicht op de foto kan ik die lach niet aflezen, maar dat hoeft ook niet. De herinnering is goud waard. Toch blijft de vraag: wat waren dat voor mensen? Ze behoorden ongetwijfeld tot de gewone burgerij, zonder veel centen, zonder veel kapsones of bravoure, oppassend en degelijk. Ze hadden vijf kinderen. Han, Piet, Janus, Dries en Pie. De juiste volgorde weet ik niet. Ik weet wel dat mijn vader de jongste was, hij ondertekende zijn brieven altijd met A. Weltevrede jr. Han was een beetje de losbol, Dries de nette en Pie had iets liefs en zorgzaams, ze was tegelijk ook vrolijk, en vooral aardig. Janus, mijn vader, was de precieze, op het saaie af … Het waren geen depressievelingen, geen melancholici. Alleen oom Piet was een zielig geval. Hij zat altijd voor in z’n winkeltje en ik moest hem vaak van mijn vader een sigaar brengen. Dan moest ik zeggen: Alstublieft oom Piet, met de complimenten van mijn vader. Wat dat betekende wist ik niet, maar ik kon het zeggen zonder te haperen.

Ik had zielsmedelijden met oom Piet, en eigenlijk was ik een beetje bang voor hem. Daar was totaal geen reden voor, maar een kind heeft andere spoken dan een volwassene. Hij kon amper praten en als ik mijn schoolrapport liet zien, zag hij niet wat er stond. Maar hij zei wel in bijna onverstaanbaar gemompel: Goed zo jongen, pak maar een dubbeltje uit de la. Ik mocht dan gewoon de la van de toonbank opentrekken en er een dubbeltje uit pakken. En denk maar niet dat ik ooit meer zou nemen. Dat was wel anders bij mijn oom Jan Scheygrond, de brood- en banketbakker, daar gapte ik de chocolade truffels onder z’n ogen vandaan…, maar dit terzijde.

Toch vond ik oom Piet op een vreemde manier ook aardig, al kan ik me niet herinneren dat we ooit met mekaar iets vertrouwelijks hadden. Of met elkaar probeerden te praten. Dat deed je trouwens vroeger niet. Kinderen spraken niet met volwassenen en met kinderen werd niet gesproken, er werd hun alleen gezegd wat ze doen moesten en hoe laat ze thuis moesten zijn. Relaties met volwassen mensen waren zelden vertrouwelijk. Als je bij oom Piet door z’n manufacturenwinkeltje liep, kwam je in een soort achterkamertje, en daar zat tante-Pie-van-oom-Piet. Tante Pie Schippers.Tante Pie van oom Piet herinner ik me als een vrolijk en hups type. Ze kon er wat van, ze kon een hele zaal vermaken met haar grappen en grollen, met haar gezang en haar muziek. Straatliedjes zong ze. Louis Davids. En tante Pie had een goddelijk instrument, haar citer. Daar mocht ik wel eens op spelen. Het was een magisch instrument. Je kon er afzonderlijke tonen mee tokkelen, maar ook kon je er akkoorden op aanslaan. Je legde dan een kartonnetje onder de snaren, daarop stonden stippen, ik meen met lijnen en cijfers, en als je die dan in de goede volgorde aanraakte, begon ineens ‘zilveren draden tussen het goud’ te vibreren. Tante Pie Schippers kon spelen en zingen tegelijk. Ik was helemaal weg van dat speeltuig, en ik mocht als ik bij haar was van tante Pie zo lang spelen als ik maar wilde, wel een hele middag, herinner ik me nu.

Toch moeten tante Pie en oom Piet voor opa en oma Weltevrede een grote zorg geweest zijn. Het was het zorgengezin van de Weltevredes, tenminste, zo heb ik het altijd begrepen. De ziekte die oom Piet had, was mij niet duidelijk, het was geen kanker, of dementie, of tbc, of aderverkalking; het was iets in zijn rug volgens mijn moeder, en ze heeft zich wel eens laten ontvallen dat het met seksualiteit te maken had. Het was je reinste kwaadsprekerij, maar in die tijd werd seksualiteit al gauw geassocieerd met dood en verderf door eigen schuld. De ellende moest met al die kinderen toch ergens vandaan komen?

Als ik weer naar grootvader en grootmoeder Weltevrede op de foto kijk, vraag ik me opeens af: zijn die mensen gelukkig geweest, en hoe, en waarmee? Natuurlijk waren de kleinkinderen hun grootste geluk (en ik hun aller-allergrootste), dat is het cadeau dat grootouders eindelijk nog ten deel valt, maar verder… viel er verder nog iets te genieten? Gingen ze wel eens uit? Gingen ze wel eens naar een voorstelling? Aten ze poffertjes in ze zomertent op de Markt? Hielden ze van muziek? Kenden ze Koos Speenhoff, de straatliedjeszanger? Hadden ze het gezellig? Hadden ze zorg voor elkaar? Dronken ze wel eens een glaasje? En wat vonden ze van Den Briel, de buren, de mensen? En hadden ze vrienden? Hadden ze veel over voor anderen? Hadden anderen voor hen veel over? En luisterden ze naar de radio? Lazen ze een boek? Hadden ze een mening over politiek, over kunst, over de kerk…? En als er een kleinkind geboren werd, zeiden ze dan: zo’n liefje hebben we nog nooit gehad; of zeiden ze: sjonge jonge hoe moet die nu weer groot worden in deze ellendige tijd. Misschien hadden ze een diep verdriet, waar niemand iets van wist. Waar nooit over gepraat kon worden. Misschien viel het leven hen eigenlijk zwaar, te zwaar misschien.

Ach, wat heeft het allemaal voor zin hier diep over na te denken. Ik neem maar voor het gemak aan dat ze het allemaal goed gehad hebben, we zullen het nooit weten, geen brieven, geen kaarten, geen foto’s, behalve die ene die nu voor me ligt. Ik zal hem maar weer opbergen. Later, na ons, weet niemand meer wie hier afgebeeld zijn, dus ik zal hun naam er achter op schrijven: opa en oma Weltevrede. Plus minus 1930 heb ik erbij geschreven, want de precieze tijd is door mij niet meer te achterhalen en de aanleiding nog minder.

 

 

Vestingcode 2019

VESTINGCODE KOMT ER WEER AAN OP 15 JUNI! ZATERDAG AANSTAANDE VAN 13.00 TOT 17.00 UUR. LEES HIER HET DAGPROGRAMMA. READ ALL ABOUT IT!

Ook dit jaar weer het inmiddels befaamde evenement Vestingcode in het hartje van Hellevoet. Zaterdag 15 juni 2019. Van 13.00 tot 17.00 uur. Locatie: vesting Hellevoetsluis en de toegang is gratis. Je vindt hier het programma en de routekaart. Bezoek dichters, bandjes, zangers, vertellers, koren, kunstenaars, schrijvers, spoken word-artists, dansers, musici en toneelspelers! En nog veel meer. Ook leuke activiteiten voor kinderen. Komen en je komt oren en ogen tekort in de vesting aan het Haringvliet. Klik op de afbeelding en hij opent groot en leesbaar in een nieuw venster.

 

 

Ouwerkerkers voor 75 centen

Mevrouw Roosenschoon van de ‘Eerste Voornse Melkinrichting’

Mariette en Rudo Enserink bewonen sinds kort de Stationsweg 35 in Oostvoorne, voorheen de Eerste Voornse Melkinrichting. De dochter van de oude eigenaresse (die vorig jaar is overleden) heeft nog veel verhalen. Mariette en Rudo hebben beloofd die verhalen hier te delen.

De 'Eerste Voornse Melkinrichting' - klik op het artikel en het opent in een groter venster.

Het pand van de 'Eerste Voornse Melkinrichting', klik op de afbeelding en het opent in een groter venster.

Spelen in de spookhuizen

Het verhaal van een zomaar een Hellevoeter – Deel 1
door Wim Balijon

De naam Hellevoetsluis

Er was eens een plaatsje op het eiland Voorne, dat bij weinig mensen bekend was, waar vissers aan de oever visten. Bij een afvoergeul, die uitliep op het Haringvliet, voor het teveel aan water van verder gelegen boerderijen en gehuchten. Het werd Helle genoemd, naar, zoals men beweerde de naam van een vroegere Romeinse burcht Helinium.

Aan de voet van die geul bouwden vissers hun hutten. De geul groeven zij verder uit om hun vissersbootjes, vanwege de stroom in het Haringvliet, binnen te houden en zo ontstond een haventje. Zij woonden dus aan de voet van de hel of zoals men zei in Helvoet. Dit was in de jaren 1100 tot 1200. Ook was er vlak in de buurt een nederzetting van Vlaamse monniken, die er een Uithof bezaten.
Maar de inpoldering hiervan bleek niet te zijn opgewassen tegen de onberekenbare zee, zodat deze nederzetting geheel overspoeld werd.
Pas in 1982 is deze nederzetting blootgelegd. Alles hierover is in een prachtige kunstzinnige uitgave vastgelegd: ‘De Kunst van het graven’. Ravense Hoek: de geschiedenis een open boek’. Uitgegeven door en verkrijgbaar bij de Gemeente Hellevoetsluis, ISBN 90-806540-2-7.

De haven werd later verder uitgebouwd met kaden en een sluis: Hellevoetsluis.
Hoe Hellevoetsluis zich ontwikkelde tot de belangrijkste oorlogshavenstad van Nederland in de Middeleeuwen en hoe het haar verder verging heeft Bob van Dijk op een boeiende en leuke wijze verteld in het weekblad Panorama (zie: Bob van Dijk). Zelf heb ik dat artikel met nog wat foto´s verluchtigd.

Zoon van de petroleumboer

In dat plaatsje ben ik geboren op 4 juni 1925. In een gezin waar al een zusje Janny was en een broertje Nanne, we verschilden anderhalf jaar in leeftijd. Mijn vader was Jan Balijon, de petroleumboer. Hij was getrouwd met een friezin, Antje Koopmans, dochter van een Tjalkschipper uit Friesland. Het was een warm gezin, orthodox hervormd, gebaseerd op het calvinistisch gedachtegoed. We woonden in de Molenstraat 15.

Vader, kar en trekhond

Vader met mij (5 jaar)

De Molenstraat

Beneden in ons huis was een pakhuis waar de petroleumkar ‘s nachts in stond, en er was een machine om de petroleumkannen te vullen, 4 liter in elke kan. Achter het huis was een hondenhok voor de trekhond.
Als kind ging ik vaak met m´n vader mee en probeerde de adressen van de klanten te onthouden, want ik dacht, dat ik het later over moest nemen.
Naast ons woonde Rietdijk met zijn smederij, het beslaan van paarden vond ik als kind een spannend om te zien. Het geluid van het smeden werd niet als overlast ervaren, dat hoorde er gewoon bij.

 

 

 

Een dubbelmannen kwartet

Op zomeravonden zong op de buitenwerkplaats een koor, een dubbelmannen kwartet, dat geweldig was om te beluisteren. Verderop was de molen, waar ook volop bedrijvigheid was. De vrouw van molenaar De Wilt, was een kennis van mijn moeder, zodat ik de molen van binnen mocht bezichtigen. Ik herinner me nog die grote molenstenen, die een geweldige indruk op mij maakten.
Op de hoek van de straat was het snoepwinkeltje van Wouterse; voor één cent kon je snoep kopen. Er stond een grote glazen bak met allemaal vakjes snoep, zodat het moeilijk was een keuze te maken. Aan het eind van de straat om de hoek was de Christelijke School met de Bijbel, waar wij naar school gingen.

De ‘leegloop’

Toen ik opgroeide werd Hellevoetsluis van een bruisend stadje geleidelijk aan afgebouwd tot wat men noemde een ‘Dode Stad’. Het was een belangrijke marineplaats met ooit ongeveer 5.000 inwoners en waar Piet Hein en Michiel de Ruijter hun schepen binnenloodsten. Hellevoetsluis was ook de thuishaven van het beroemde schip de ‘Zeven Provinciën’, waar Michiel de Ruyter geschiedenis mee maakte. Stadhouder Willem III voer met een grote vloot uit Hellevoet naar Engeland om daar Koning van Engeland te worden.

Door het vertrek van de Marinewerf in 1933-1934 naar Den Helder verloor mijn vader soms, als een afdeling werd overgeplaatst, wel 100 klanten op één dag. We woonden in een eigen huis, dus rente en aflossing van de hypotheek gingen gewoon door. Mijn moeder moest kostgangers gaan houden en kamers verhuren. Door het vertrek van al die mensen moest ook de Christelijke school sluiten en moesten mijn broer en ik de laatste twee jaren naar de Christelijke School in Nieuw Helvoet. In 1935 kreeg ik er nog een broertje bij en toen was ons gezin compleet.

Spelen in de spookhuizen

Ja, als opgroeiende kinderen hoor je wel klagen, maar je hebt tóch je eigen leventje. De grote leegstand van huizen vonden wij als jongens prachtig. We speelden verstoppertje, maakten tussen de huizen gaten in de tussenmuren en konden dan een hele straat binnendoor. ‘s Avonds in de winter was het echt geheimzinnig en maakten we elkaar bang met spookverhalen. Meestal in de Peperstraat, waar op de hoek het café was van Van den Berg, waar we later veel gingen biljarten.

 

 

Op de zandplaat

Mijn broer Nanne en ik hadden een vriendje, Jan Uitterlinden. Wij waren altijd creatief bezig. We kampeerden op de gorzen en op een keer bij eb op een droge zandplaat. We hadden een wekker, die het alleen deed als hij op z´n kop lag en dat werd wel eens vergeten. Het werd al donker en we besloten te gaan slapen en dachten niet aan thuis. Toen het donker was hoorden we in de verte op de zeedijk roepen, dat het water bijna tot aan de tent was, want het werd vloed. Er stonden veel mensen op de dijk, ook onze ouders en de veldwachter Haaij. Gelukkig maar, anders waren we door het water ingesloten en had het wel eens verkeerd kunnen aflopen.

Sliksleeën

Bij eb viel een heel stuk gorzen droog, wat wij ‘de slikken’ noemden. Als je langzaam liep kon je zo tot je knieën wegzakken. Mijn broer Nanne had weer een idee. De meeste ideeën kwamen van hem en hij had ook altijd de leiding. Over de slikken sleeën, dus gingen we sliksleeën maken. Hij maakte een tekening en aan de hand daarvan gingen we aan de slag. Zo hebben we er drie gemaakt en dat ging prima, met grote snelheid vlogen we over de slikken.
We hebben ook een geheime bergplaats gemaakt, waarin we ze konden verbergen, want naar huis meenemen kon natuurlijk niet.
Ook werden er op het houten hoofd van de haven, achter de vuurtoren, of beter gezegd onder het hoofd over de balken bij eb gevaarlijke capriolen uitgehaald. Die balken waren soms spiegelglad en er werd verstoppertje gespeeld. Tussen de buitenwand, die dubbel was, kon je wegkruipen. Als het vloed werd moest je wel zorgen dat je weg was anders kwam je er niet meer onderuit.

Hoofd en vuurtoren (ets van Frans Spuijbroek)

Op het ´hoofd´

De ambachtsschool

Na de lagere school gingen we naar de Ambachtsschool in Den Briel, dat was tien kilometer fietsen. Op die school merkten wij, dat we als Hellevoeters niet zo welkom waren, ook sommige leraren lieten dat duidelijk merken, zelfs door het geven van lagere cijfers. Ik wist toen niet, dat die afgunst van de Briellenaren zelfs nog uit de Middeleeuwen stamde, maar dat heeft u kunnen lezen in het eerder genoemde artikel uit de Panorama.

 

Ambachtsschool te Brielle

 ‘Nut van´t Algemeen’

Als creatievellingen moesten we altijd iets maken, en dan heb je geld nodig en dat hadden we niet. Het zakgeld bedroeg 15 cent per week. We wilden een kano maken en daar heb je hout, stopverf, verf, spijkers en dergelijke voor nodig. We ‘organiseerden’ het hout van viskisten van de visboer Willem Otte, die het oogluikend toeliet en onze activiteiten wel kon waarderen. Verder sloopten we ook hout en loden afvoerpijpen uit de lege huizen en vroegen afvalbeenderen van de slager Wessel en verkochten die zaken aan de voddenboer Van der Sluis. Die vroeg nooit waar het vandaan kwam.
We hebben bloemen uit de tuin van de kerk verkocht voor het ‘Nut van´t Algemeen’, dat waren wij zelf dan. Stopverf en die zaken kochten we bij de schilder Dijkgraaf op de Oostkade. En zo kwam er een kano tot stand.

Jan, Wim en Nanne

Met de kano op ´t Haringvliet

De Christelijke Jongelings Vereniging

Wij waren ook op de Christelijke Jongelings Vereniging, de ‘knapen-vereniging’, onder leiding van de Heer Bal. Er waren jongens uit Hellevoetsluis en omstreken lid van. Je hoefde niet christelijk te zijn, als je je maar aan de regels hield, zoals niet vloeken en de bijbellezing bijwonen.
Er waren allerlei activiteiten, zoals dam- en schaakclubjes, figuurzagen en niet te vergeten de alom bekende ‘fluitclub´ onder de eminente leiding van Wim Dubbelt. Nanne was tamboer, maar kon ook goed (dwars)fluiten, Jan en ik waren fluitist. Wim Dubbelt was al sinds 1927 aan de club verbonden. Op 16-jarige leeftijd nam hij al de leiding over van dit korps. Toen hij naar De Haag verhuisde voor zijn werk, heeft hij nog meer dan tien jaar heen en weer gependeld. Wat een motivatie!

Tamboer en Pijperscorps ´Wilhelmina´ Hellevoetsluis

´Ons Genoegen´

Ook was er een zangvereniging ´Ons Genoegen´ in Hellevoetsluis onder leiding van een ‘oude’ operazanger, Van der Linden, waar wij ook bij waren. Mijn zus Janny was solozangeres en op kosten van de Vereniging kreeg zij twee jaar les op het Conservatorium in Rotterdam. Op uitvoeringen in Casino achter café Van Soest zong zij aria´s en duetten met de dirigent voor volle zalen.

Glassnijden achter slot en grendel

We gingen met z´n drieën wel eens naar de markt in Rotterdam. Zo hadden we eens drie glassnijders gepikt en we hadden wel eens op de film gezien dat je daarmee een ruit kon uitdrukken met een doek en groene zeep. Dat moest natuurlijk uitgeprobeerd worden in een huis in de Hoofdwachtstraat, dat te koop stond. Wij druk aan het oefenen en het lukte aardig. Aan de de overkant woonde iemand, die geschrokken was van de herrie en de veldwachter Duisterhof waarschuwde, die direct kwam. Wij vluchtten in de wc en deden de deur op slot. Hij bulderde: ‘In naam van de Koning, doe open die deur!’
Op het politiebureau werden we afgehaald door onze vader, met een laatste waarschuwing en inbeslagneming van de glassnijders.

Volgende keer Deel 2 van het vierdelige feuilleton van Wim Balijon.

Vestingcode 2018

Ook dit jaar weer het inmiddels befaamde evenement Vestingcode in het hartje van Hellevoet. Zaterdag 9 juni 2018 Van 13.00 tot 17.00 uur. Vesting Hellevoetsluis en de toegang is gratis. Je vindt hier het programma en de routekaart. Bezoek dichters, bandjes, zangers, vertellers, koren, kunstenaars, schrijvers, spoken word-artists, dansers, musici en toneelspelers! En nog veel meer. Ook leuke activiteiten voor kinderen. Komen en je komt oren en ogen tekort in de vesting aan het Haringvliet. Klik op de afbeelding en hij opent groot en leesbaar in een nieuw venster.