DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 6

‘Het horloge’

door:  Kees Weltevrede

Ik moet net twaalf geweest zijn toen mijn grootvader Scheygrond tegen me zei: ‘Kees, we moesten samen eens praten, kom vanavond na het eten maar op mijn kamer.’ Mijn grootvader woonde na zijn pensionering met grootmoeder bij ons in huis, het waren oude mensen geworden na een leven van sappelen en sloven en toen niet lang daarna zijn vrouw overleed, mijn grootmoeder dus, kreeg hij op de eerste verdieping van ons huis op Nobelstraat 85 een kamer voor zichzelf, een zit- slaapkamer.
Er stond een eiken buffet met daarop een lampetkan en een marmeren pendule. Er was een linnenkast. Aan de wand hing een ondergaande zon, een ingelijste pentekening van de Brielse Dom door Van de Voorde, voordat hij gerestaureerd was. Er was een medicijnkastje met een glas-in-lood deurtje en verder een uitschuiftafel met een paar stoelen, een bed en een nachtkastje met daarop een vergeelde jeugdfoto van mijn grootmoeder en een lege brillenkoker. Ook lag er een kleedje op het linoleum naast het bed, een imitatiepers met figuren in rood en blauw, en er hing een ‘oudemensenlucht’ die ik nog steeds herken en die me, eenmaal ergens opgesnoven, direct terugbrengt naar een voorgoed vervlogen tijd van oude mensen en hun dingen die voorbijgaan.
Het was een tamelijk grote slaapkamer, op het zuiden gelegen, zodat het er overdag, als de zon scheen, weldadig licht was. De twee ramen aan de zuidzijde konden open geschoven worden, maar dat kostte wel moeite, want de touwen van het contragewicht waren van ouderdom gerafeld en daarna geknakt en alleen als je ze met de ene hand omhoogschoof en er met de andere een plankje onder plaatste, bleven ze hangen. Grootvader was invalide, hij had maar één arm.

Meestal als ik bij hem op zijn slaapkamer zat, gingen we dammen, hij vertelde tussen de zetten door verhalen van vroeger. Soms moest ik hem voorlezen. Grootvader wilde alleen nog maar kinderverhalen horen en zijn lievelingsschrijver was W. G. van der Hulst. De boekjes waren afdankertjes van mij en mijn zuster, ze waren stuk gelezen en hadden dus veel losse bladzijden zodat er wel eens een deel van het verhaal ontbrak, maar grootvader nam er genoegen mee omdat hij de verhalen bijna uit het hoofd kende. Soms depte hij met zijn rode zakdoek onder zijn bril een traan weg en dan kwamen bij mij ook de waterlanders, want bij het verdriet van een ander bleef ik als kind zelden onbewogen.

Toen ik die avond zijn kamer binnenstapte, zat hij al klaar. ‘Ga maar zitten jongen’, zei hij, en schoof met zijn ene hand zijn pijp en tabak aan de kant, vouwde met dezelfde hand heel vernuftig de krant op en streek met het stompje dat van zijn andere overgebleven was het tafelkleed glad.
‘Kees’, zei hij, na een korte stilte, ‘je bent nu twaalf geworden, en dat is de leeftijd waarop je toch bijna groot bent. Volwassen ben je nog niet, maar je bent al een hele vent, bijna net zo groot als ik, dus ik dacht, we moesten nu maar eens ergens over praten.’ Hij hield zijn woorden binnen en keek naar het portret van zijn vrouw, mijn grootmoeder. ‘Kijk, je weet, jij hebt vroeger een broertje gehad, en dat is overleden. De kleine Bouwen. Bouwen heette het, hij was naar mij vernoemd’, vervolgde hij, ‘en overleed nog geen jaar oud, en nu is er niemand meer op de hele wereld waarmee ik, hoe zal ik het zeggen, waarmee ik een naamsverwantschap heb. Behalve met jou natuurlijk, want jij bent naar je grootmoeder genoemd, mijn Cornelia. Ik bedoel: er is niemand die zich mijn bestaan zal herinneren, ooit, als ik er straks niet meer ben, of zal voortzetten zelfs, als Bouwen, ja dat bedoel ik.’
Nog steeds wist ik niet wat grootvader eigenlijk wilde zeggen, maar voor ik er ernstig over kon nadenken was het eruit. ‘Zou jij, als je later een zoon krijgt. Stel voor: je trouwt en je krijgt een zoon. Zou jij dan die zoon naar mij willen noemen?’

Op zo’n vraag is niemand voorbereid, en zeker ik niet, ik was pas twaalf. Maar och. Ik had me aangeleerd, in moeilijke situaties, net als mijn vader dat deed, uitstel af te dwingen met een: ik zal er eens een nachtje over slapen, maar eigenlijk had dat niet gehoeven, want ik wist al direct wat mijn antwoord zou zijn, maar het was toch beter het tot morgen uit te stellen, dacht ik, dat zou mijn antwoord meer gewicht geven, alsof ik er lang over had nagedacht.

De volgende avond ging ik weer bij hem aan tafel zitten. Grootvader schoof zijn pijp en tabak aan de kant, vouwde de krant op en streek het tafelkleed glad. Ik stak van wal. ‘Ik weet het’, zei ik, en nam een korte pauze om mijn blik langs de dingen in de kamer te laten dwalen. ‘Ik weet het’, zei ik nog en keer. Maar ik begon ineens over iets heel anders. ‘U weet toch dat er in het laatje van de kast een horloge ligt, een gouden horloge, er staat een naam in gegraveerd, Cornelia van Druten staat er, ik ben naar haar vernoemd, mijn grootmoeder. Kan ik dat niet krijgen.? Ik ben nu twaalf jaar, eigenlijk ben ik groot, bijna net zo groot als u?’

Grootvader keek me aan. Hij had een bril met dubbele glazen, en als hij peinsde legde hij het hoofd in de nek en keek door het leesgedeelte naar een onduidelijke plek in de verte.
‘Wil jij dat gouden horloge?’, vroeg hij eindelijk. Ik knikte nauwelijks zichtbaar, alsof het een overeenkomst betrof die al gesloten was. Mijn vraag had niets met zijn vraag van gisteravond te maken, zo leek het, maar voor mij was er, in mijn onuitgesproken opzet, een duidelijk verband: als ik het horloge zou krijgen, zou ik mijn zoon Bouwen noemen, zo had ik met mezelf afgesproken.

Het tikte niet, het zong...

‘’t Is goed’, zei hij, na een aarzeling. ‘Jij krijgt het horloge. Het hoort jou trouwens toe, je broer Adriaan niet, je zus Riet niet, jij bent immers naar mijn vrouw genoemd, jouw grootmoeder.
Maar, hoe zit het eigenlijk met de naam Bouwen, weet je nog?’, vroeg hij.
Ik streek in een gewoontebeweging door mijn haar om te voelen of de scheiding nog goed zat en of de ingedrukte slag bijeengehouden werd door de brylcream die ik er ’s morgens insmeerde en ik antwoordde: ‘Dat hoeft u toch niet te vragen, dat wist u toch wel, mijn eerstgeboren zoon zal Bouwen heten, daar kunt u van verzekerd zijn.’ Mijn antwoord klonk als een zin door mijn vader uitgesproken als hij met een klant een verzekeringscontract doorsprak. ‘Maakt u geen zorgen, meneer Van Driel, daar kunt u van verzekerd zijn. Uw zorgen zijn onze zorgen.’
‘Maar, als je vrouw het niet goed vindt, later, wat dan?’, vroeg grootvader. Ik dacht na. ‘Wat dan?’, vroeg hij nog een keer. ‘Oh, ik neem een vrouw die alles goed vindt’, antwoordde ik. Een andere vrouw wil ik niet. Ik moet er niet aan denken. Het stemde hem gerust, want mijn antwoord klonk zo resoluut, er hoefde niets aan toegevoegd te worden. Zo zou het zijn, later, als ik getrouwd was, en niet anders

Die avond kreeg ik van mijn grootvader het gouden horloge. Het was een kettinghorloge dat mijn grootmoeder om haar hals gedragen had. Er stond een Franse merknaam op de wijzerplaat, Le Bouvreuil, stond er, en daaronder Paris en: 17 rubis. Langs de rand stonden rondom twaalf Romeinse cijfers en de fragiele wijzers waren ook van goud. Het had een deurtje vóór en een deurtje achter en achter dát deurtje was nog een deurtje in matgoud waarin de naam gegraveerd stond.
Ik wond het langzaam op, drie, vier slagen, en luisterde. Het tikte niet, het zong. In een vloeiend ritme zong het aan mijn oor een zoete melodie. ‘Is dat voor mij?’, vroeg ik en verfoeide diep in me mijn onbeschaamde opzet, want ik had het toch wel gekregen, ook zonder mijn listig plan. Goed beschouwd betrof mijn plan een ordinaire ruilhandel. Ik het horloge, mijn grootvader de naam, en ik schaamde me, maar het had geen zin daar nog op terug te komen, vond ik, dus ik liet het zo.

Die nacht kon ik niet slapen. Ik had het horloge onder mijn kussen gelegd en elke keer moest ik het tevoorschijn halen om even te luisteren. Ik maakte het deurtje aan de voorkant open en probeerde in het donker te kijken hoe laat het was. Ik sloot het weer en luisterde. Ik hoorde nog duidelijker het zingende ritme, nog zangeriger als die avond bij mijn grootvader aan tafel. De volgende dag en de dagen daarna nam ik het mee naar school en toonde het iedereen die het maar wilde zien. Ik heb een gouden horloge, kijk maar…

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>