DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 5

Over een paard, een konijn, kippen, een hond en… groetensoep 

Van alle plaatsen in de wereld vind ik Den Briel het mooist: ik ben er geboren en heb er mijn jeugd gesleten, dus ik heb recht van spreken. Af en toe komen we er nog wel eens. Mijn ‘oude moeder’ woont er en elke keer als we er zijn, verbaast het me dat alles nog zo intact gebleven is. Buiten de wallen hebben ze haast gemaakt met nieuwbouw, dat wel, maar daarbinnen is alles er nog: de pomp op het Wellerondom, de Domtoren, het Maerlandt, m’n oude school… Toen ik daar gisteren langs liep, rook ik nog de geur van putwater, zweet en pies. Het was een christelijke school en ik kan u precies vertellen waar Jezus aan het kruis hing en waar Noach een duif losliet.

In die tijd had ik een vriendje, hij heette Piet van Tricht, dat ik zeer bewonderde omdat hij bijna alles durfde. Zo durfde hij zo maar onder het paard van mijn grootvader door te lopen, wat in mijn ogen overeenkwam met de moed die de watergeuzen eens aan de dag legden.

Mina, een groot, schonkig schommelbeest dat nauwelijks het ene been voor het andere kon krijgen.

Nu was het paard van mijn grootvader allesbehalve kwaadaardig. Het heette Mina en in mijn herinnering staat het overeind als een groot, schonkig schommelbeest dat nauwelijks het ene been voor het andere kon krijgen. Wij mochten het ‘s morgens uit de wei halen en dan sjokte het gewillig achter ons aan…, maar wij waren toch maar de ridders die dat klaarden…!

Als je dierenliefde kan erven, dan heb ik die eigenschap van mijn grootvader Bouwen Scheygrond. Oma Scheygrond dreef een levensmiddelenwinkeltje in de Nobelsstraat waar later Teun Wageveld in kwam en mijn grootvader ging dagelijks met paard-en-wagen de boer op. In zijn weinig rooskleurig bestaan hield hij van zijn paard alsof het een lotgenoot was, en dat was het ook, want waar weinig is, kan weinig gegeven worden. Ik heb mijn grootvader eens met tranen in de ogen een konijn zien slachten, en zijn leghoorns, die al lang geen eieren meer legden, zijn alle van ouderdom gestorven.

Toen grootmoeder stierf, gingen wij, Piet en ik, naar zijn levensmiddelenwinkeltje, iedere dag na schooltijd, om te helpen. Nou ja… helpen… Er was geen helpen aan zagen wij al gauw en het duurde niet lang of de zaak werd van de hand gedaan aan. Mina werd verkocht, ik heb haar nooit meer terug gezien. Grootvader kwam bij ons inwonen en daarmee brak voor hem en voor ons een nieuwe fase aan. Op een dag, we zaten op een bank in onze tuin, zei ik tegen mijn grootvader: ‘Ik zou best een hond willen hebben…’ Het was niet zomaar een opwelling, want ik had het plan al lang. En nu wilde ik hem eens uithoren hoe hij erover dacht. Het standpunt van mijn ouders was bekend: we hadden een poes, konijnen, kippen en een geit en dat moest maar genoeg zijn.

Eigenlijk behoefde ik hem niet te polsen, want ik wist dat hij voor mij partij zou kiezen, dat was zijn zwak, ik weet het nu maar al te goed, meer grootouders lijden daaraan. Hij was er dadelijk voor, een hond, dat was een kameraad, je kon er mee de polder in en hij bewaakte het huis…

Nu liep er toentertijd -mijn tijdgenoten zullen het beamen- in ons stadje een ongelooflijk grote hond schaarloos rond. Hij had iets van een Duitse herder met de afmetingen van een Deense dog. Hij was de Coppelstockstraat binnen komen lopen en niemand wist van wie hij was, zodat het niet lang duurde of hij was van iedereen. Ook ik had die hond op het oog. En mijn plan stond vast: op een woensdagmiddag, als mijn ouders niet thuis waren, zou ik hem vangen en mee naar huis nemen. Als hij eenmaal thuis was, zouden mijn ouders vast geen bezwaar meer hebben tegen die schitterende hondenreus. Met mijn grootvader had ik afgesproken dat hij tegenover mijn ouders duidelijk de kwaliteiten van onze nieuwe huisvriend zou aanprijzen, en ook mijn broer en zuster had ik met dropveters (die ik toch niet lustte) daartoe weten over te halen.

Het wilde maar geen woensdagmiddag worden, maar toen de bel voor de laatste maal ging, vlogen we de school uit, Piet en ik, het avontuur tegemoet. Piet zou voor een lang touw zorgen en ik zou wat brood meenemen om onze toekomstige metgezel te lokken. Het touw bleek niet nodig, want de kolos bleef braaf naast ons lopen, maar het brood ging erin als lever. Maar… eenmaal thuis veranderde het beest echter op slag: het sprong tegen deuren op, zette de grote poten in het raamkozijn, zwaaide met de staart de kopjes van een theemeubel en ging pardoes aan ons vloerkleed liggen happen. In de keuken lichtte het een achterbeen op en besproeide een tafelpoot, om zich daarna op een volle pan melk te werpen, die met enige snelle tong- en slikbewegingen leeggedronken werd.

Zo kon het niet langer besloten wij. Ik stelde voor onze vriend zolang in het kippenhok te bergen; de kippen konden wel even in de ren. Dat werd gedaan. Kippen uit het binnenhok, hond erin, deurtje dicht… klaar is Kees. In de korte tijd dat wij in huis grote schoonmaak hielden, moet het gebeurd zijn. Toen we weer in de tuin kwamen, was ons nieuwe huisdier uitgebroken en had zich aan de kippen vergrepen: overal lagen plukjes kippenveren, we vonden vijf ontzielde kippenlijven, één kip had zich blijkbaar fladderend gered en zat op de dakgoot zieltogend naar adem te happen.

Toen mijn ouders aan het eind van de middag terugkwamen, heeft het erom gespannen of hemel en aarde nog gewoon zouden voortbestaan… Mijn vader, die doorgaans de vredelievendheid zelve was, ging te keer als een briesende leeuw, en mijn moeder begon nu werkelijk aan mijn verstandelijke vermogens te twijfelen en dreigde voortdurend met een opvoedingsgesticht ergens in de buurt van Maassluis. Omdat grootvader alle schuld op zich nam, heb ik dit avontuur heelhuids overleefd. Hij is al jaren dood, maar ik ben hem er nog steeds dankbaar voor. De hond werd op straat gezet en was weer van iedereen, alleen ik wist dat hij eigenlijk van mij was…

Toen ik een paar weken geleden mijn jeugdvriend Piet in een restaurantje aantrof, zat hij achter een bord groentesoep; met kippensoep had hij nog steeds moeite, zei hij. Anders ik wel, antwoordde ik, en we vonden dat de tijd snel ging… veel te snel.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>