DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 3

Het binnenplaatsje in Brielle aan de Voorstraat 133

Het binnenplaatsje aan de Voorstraat 133

Vooraan staat Marja van Dam. Ze heeft een vlag in haar ene hand, en met de andere probeert ze hem te ondersteunen. De foto dateert van vlak na de bevrijding. Ze zwaait met de vlag, je kunt het zien aan de wazige vlek op de foto. Het is leuk ding, Marja van Dam. Ze heeft een lief smoeltje. Hoe oud zou ze zijn? Ik denk twee, misschien drie. Kijk haar knieën eens. Haar piekhaar… Haar handjes zullen smoezelig zijn, en misschien komt er wel snot uit haar neusje. Heeft ze geen zakdoek? Nee Marja heeft geen zakdoek. Ze veegt haar neus af met haar mouw. Misschien likt ze het wel op. Hmmm… lekker, snot. Ze heeft op haar knieën over ons plaatsje gekropen, of op de bank. Bank op, bank af, dat is een leuk spelletje. Het is een levendig ding, Marja. Niet voor niets gaat mijn allervroegste herinnering naar haar terug.

Zij is de enige herinnering die ik koester uit mijn vroege kleutertijd. Marja van Dam. Ze speelt met me bij de zandbak in onze tuin en ineens laat ze haar broekje zakken, zo maar, alsof ze wil zeggen: kijk eens wat ik nog meer allemaal heb, dit is mijn kontje, dit zijn mijn billen, dit is mijn buik… en hier plas ik mee. Ik had nog nooit zoiets gezien, een naakt kindje dat geen piemeltje heeft, dat niet heeft wat ik wel heb. Hier klopt iets niet, hier is iets fout gegaan… , moet ik gedacht hebben. Maar misschien is ze nog niet af, Marja van Dam? Misschien komt er nog iets uit haar gegroeid. Mijn ogen zijn vol van een ‘hoe bestaat het’, een kindje met niets wat iets hoort te zijn.

Achter Marja staat een ander kindje met een gestreept truitje aan. Het is een jongetje, dat zie je aan zijn haar. Jantje Ploege. Ik weet niet meer van hem dan dat hij Jantje Ploege heette, en… dat hij hakkelde. Als ik hakkelde, dan had ik dat van hem geleerd, heb ik vroeger moeten horen. Het was vast een leuk ventje. Hij heeft een guitig smoeltje en staat op één been, de handen in zijn zak. En daar rechts, dat ventje op het trapje, dat ben ik. Je kunt het nauwelijks zien, want de vlag van Marja zwaait vervaarlijk voor mijn gezicht langs. Maar die diepe ogen… dat moeten mijn ogen zijn. Ik doe niets, ik kijk zo maar wat, de handjes gevouwen, de blik op de persoon met het fototoestel. Ik heb anders wel een dikke kop zeg, zo dik dat ik even denk dat ik het niet ben…, dat het een ander is. 

Waar zijn we? We zijn achter ons huis, op het plaatsje, Voorstraat 133… Den Briel. Wat is er zoal om mee te spelen? Een houten bank met daarop een aardappelbak, een deksel, een doek. Daarboven een waslijn, een jurk en een broekje eraan, of een truitje. Geen knijpers. Achter de waslijn is een ovale verzinkte wasteil. Hij hangt met het ene oor aan een spijker, er ligt een dweil op of zoiets. De plank waaraan hij hangt is niet zo degelijk meer. Hij hangt scheef, er steekt een grote gevaarlijke roestige spijker doorheen, waaraan je je pijnlijk kunt bezeren. Er is een wasketel, rond en kleiner dan de teil, een ketel om de was op te koken. Hij staat naast de bank op de vloer, er ligt een deksel op dat er niet bij hoort, want het is groter dan de emmer. Daar speelden we dus vroeger mee: deksels, doeken, rommel…

Met Marja van Dam, Voorstraat 133

Je kunt links over de schutting kijken, daar woont Marja van Dam. Ook kun je door de ramen van de achterdeuren naar binnen kijken. Die achterdeuren zouden wel eens geverfd mogen worden. Als je goed kijkt, zie je iemand zitten. Je kijkt van buiten naar binnen op de rug van iemand. Misschien is het mijn moeder, en leest ze de krant. Er is ook een kastje te zien. Op dat kastje staat een ander kastje, en daarop een doos. Het is binnen vast ook een gezellige rommel.

Verder is er op onze plaatsje een houten trapje, er liggen allerlei leuke gevaarlijke dingen op de vloer en helemaal rechts is er een regenton. De regenbuis is te hoog afgezaagd, maar er zal heus wel water in de ton sijpelen als het regent. Water voor de was, water om ons plaatsje te schrobben, water voor de tuin, water om te drinken.

De deur van de keuken staat open. Staat er iemand in de deuropening? Is het mijn oma? Ze overziet ons plaatsje en denkt: wat een bende is het hier, maar laat maar… de kinderen hebben het zo naar hun zin. Als de deur helemaal open slaat, zoals nu, draait hij net boven de regenton tegen de planken keukenwand, dat is knap gemaakt, eigenlijk perfect. Wie heeft dat zo knap verzonnen? Mijn vader vast niet. Hij had een houten kist met gereedschap, maar ik heb hem nog nooit zien timmeren of zagen. Eén stuk gereedschap heb ik van voeger uit die gereedschapskist behouden; het is een winkelhaak, helemaal verroest en ingevreten, maar ik werk er nog mee als ik wat te bouwvakkeren heb, en hij doet het nog perfect, niet krom of scheef maar volmaakt haaks. Kom daar tegenwoordig eens om, een winkelhaak van meer dan vijfenzestig jaar die nog volmaakt haaks is…

In onze tuin Voorstraat 133

Wat mij nu, na zoveel jaren, het meest bezighoudt is toch de schaduwgestalte links op de vloer van ons plaatsje. Daar staat iemand. Wie is dat geweest? Het lijkt me de schaduw van een vrouw. Die brede heupen. Wie heeft er toch gezegd: …hé… wat leuk… ik haal even een fototoestel en maak een foto van de kinderen. Kijk even naar mij, jongens. Jantje Ploege kijkt in de lens. Marja is in haar spel verdiept en merkt niets. Ik kijk ook in de lens. De handen gevouwen, de knieën opgetrokken kijk ik in de lens.

Hoe zou het toch komen, bedenk ik me ineens, dat ik later, eenmaal groot en volwassen, zo’n notoire chaoot ben geworden…? Wat ben ik allemaal niet kwijtgeraakt door mijn slordigheid, door de bende die ik om me heen verspreidde en waardoor ik niet meer kon vinden wat ik zojuist nog had? En heeft de vrouw met het fototoestel dat beseft, in een visionaire blik? Heeft ze geweten dat deze kleine chaos, deze warrige kinderspeelplaats, ooit voor mij gevolgen zou hebben. Heeft ze gezegd: dat moet ik vereeuwigen, dat plaatsje, die bende, voor later, voor als Kees vijfenzestig is… opdat hij zich niet schuldig hoeft te voelen als hij weer zijn sleutelbos kwijt is… of zijn zonnebril, zijn giromaatpas, zijn garantiebewijs, zijn tas, zijn nieuwe vulpen, zijn schoenen, zijn rijbewijs, z’n horloge, z’n oude vulpen, z’n fietssleuteltje… z’n leesbril… o nee, die heeft ie op…

Met Jantje Ploege (rechts)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met Marja van Dam, Voorstraat 133

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In onze tuin 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>