DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 2

'Uit een grijs verleden opdoemend', aquarel door Kees Weltevrede

Het gelukkige gezin 

Ze zijn allemaal in bad geweest en ze zetten hun mooiste gezicht. Ze gaan op de foto. Rietje wil niet lachen, later zou ze vertellen dat ze op een foto niet kan lachen, vroeger niet en nog steeds niet. Ik heb een foto van haar, met onze kleinzoon, de kleine Mathijs, in haar armen, en inderdaad: ze probeert het wel, maar ze lacht niet. En ik heb ook een foto van toen ze zestien was of zo, en daarop lachte ze ook niet… Ach, jonge mensen moeten lachen, vind ik.

Mijn vader vindt dat hij op de foto devoot omlaag moet kijken, hij heeft de ogen gesloten alsof hij bidt en mijn moeder -zie ik het goed?- verbergt een glimlach in haar mondhoek. Je kunt het nauwelijks zien. Mijn moeder moet naar eau de cologne geroken hebben, en zeep. Ze heeft haar mooiste halsketting om, haar mooiste jurk aan. Haar lange haar is achter opgebonden tot een rol. Ze moet vroeger zeker voor jodin zijn aangezien, zo donker die oogopslag, zo zwart dat haar. De kleine Bouwen ligt op een schapenvacht, het hoofd op een kussen, in zijn nieuwe kleertjes. Ze zijn nog nooit gebruikt. Het zijn vast zelfgemaakte kleertjes, speciaal voor dit doel, de foto, gebreid. En hij heeft slofjes aan met gestrikte bandjes. Het is een vergeelde zwart-wit foto, je kunt het niet zien, maar ze zullen lichtblauw geweest zijn, net als zijn overige kleertjes. Hij kijkt naar de lens van de camera en zijn rechterhandje grijpt ook in die richting. Hij kijkt een beetje bang. Rietje heeft een grote strik in haar haar. Wat heeft ze grote ogen. Ze kijkt ook naar de camera, een beetje verschrikt alsof ze zeggen wil: ik zit hier wel, maar ik ben zo weer weg. Vier mensen: een vader, een moeder, een kleine meid en een kleine jongen… het gelukkige gezin. Míjn vader, míjn moeder, míjn zusje, míjn broertje. Eigenlijk moet ik zeggen: mijn zus, mijn broer… want ik ben later geboren, vijf jaar later. Wat een onbegrijpelijk fenomeen: kijken naar een werkelijkheid waar je geen deel van uitmaakt en die toch de grond van je bestaan geworden is…

De foto is gemaakt op het atelier van ‘Foto de Wette’ in Den Briel, dat staat eronder. Wie zou er gezegd hebben: we moeten eens een foto laten maken? Ter ere waarvan is hij gemaakt? Was er een feest, een speciale gebeurtenis? Een spontane ingeving zal het niet geweest zijn, want mijn ouders deden zelden ‘zo maar iets’ en zeker niet zo mooi gekleed naar de fotograaf gaan… Mogelijk is hij rondom kerst 1935 of vlak na nieuwjaar van het jaar 1936 gemaakt. Ik ben dus nog niet geboren en mijn broer Adriaan ook niet. Die is in 1937 geboren; ik in 1941. Maar Riet was er al, en Bouwen ook.

En dit blijft ook een vreemde gewaarwording: wij kinderen zijn er zo veel jaren later nog steeds, en Bouwen is er niet meer. Hij overleed op 12 maart 1936, na ‘een korte ongesteldheid’, zoals op de overlijdenskaart staat, ‘in den aanvallige leeftijd van 9 maanden’. Aanvallig, wat betekent ‘aanvallig’? Hij begon net een lief ventje te worden, begon net contact te maken, begon net tegen je te brabbelen van plezier als je hem uit z’n bedje kwam halen… Op 16 maart is hij begraven, om 12 uur. Merkwaardige tijd om 12 uur begraven te worden, etenstijd, maar dat was gewoonte heb ik me laten vertellen.

Een gelukkig gezin

Hoe bleek was zijn huidje, hoe koud zijn gelaat, hoe zacht zijn haar? Hoe klein was zijn kistje? Lagen zijn handjes gevouwen op zijn buikje, of langs zijn lichaampje? Hij had mooi lang haar, donkerblond, bijna zwart. Later zou gezegd worden dat ik op hem leek, het meest van allemaal leek ik op hem. Maar wat is lijken op? Misschien had ik dezelfde blik. Dezelfde mond, hetzelfde haar, lang, donker en een beetje springerig.

Hij is begraven op het kerkhof van Den Briel, de kinderafdeling. Eén rijtuig, geen volgauto’s of stoet, alleen mijn vader, mijn oom Han en een dominee. Mijn moeder is niet meegegaan naar de begrafenis. Het was toentertijd ook niet ongewoon dat een moeder van een kind onder het jaar thuis bleef als het ter aarde besteld werd. Er was toen nog weinig vertoon van grote gebaren om een dode, zeker niet als het zo’n jong kind betrof. Er was stil verdriet. Maar mijn moeder ging ook niet mee, omdat ze het niet kon. Ik ga niet mee, heeft ze gezegd, en niemand vroeg: Waarom niet?…

Hoe ging het? Wat heeft de dominee gezegd?, zal ze nog gevraagd hebben toen ze terugkwamen. Verder heeft ze niets gezegd, niets gevraagd. En verder heeft ze ook een leven lang eraan gedacht, dat dode jochie diep van binnen bewaard in haar hart, er met weinig woorden over gesproken, een leven lang. Tot haar dood toe. Ze is tweeënnegentig geworden…

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>