DE BRIELSE JAREN – feuilleton door Kees Weltevrede 1

'Uit een grijs verleden opdoemend', aquarel door Kees Weltevrede

 EEN OUDE FOTO

Een foto, waarop mijn grootouders staan afgebeeld, opa en oma Weltevrede. Ze kijken in de lens van de camera, naar het vogeltje, zoals wij vroeger zeiden, en zien eigenlijk niets. Dat wil zeggen: ze zien en horen de fotograaf die routineuze handelingen verricht. Opa en oma zitten in een houding die weinig van hun innerlijk verraadt. De foto is vergeeld en ademt een vooroorlogse sfeer van nette armoede, propere kleren en de opsmuk van het fotoatelier. De schoenen gepoetst, opa in een driedelig kostuum, de horlogeketting zichtbaar op z’n vest, een donkere strik om de boord. Hij heeft geen bril op. Oma wel. Ze kijkt zoals oom Dries uit Woerden kon kijken, en ook als tante Pie uit Den Haag: een beetje geknepen mond met invallende mondhoeken, maar wel ogen die je aankijken vanuit een innerlijke rust. Dat is mooi: als je oud geworden bent, en je bekijkt het drukke leven om je heen en je hebt een innerlijke rust. Trouwens… hoe oud zouden ze zijn? Ik schat zestig en als dat juist is, is de foto van midden twintiger jaren van de twintigste eeuw. Misschien vergis ik me, en zijn ze ouder. Misschien waren ze veertig jaar getrouwd, en zeiden ze: Kom laten we eens een foto van ons tweetjes laten maken, voor later, als we er niet meer zijn. Oma ziet er wel ouwelijk uit trouwens, maar dat komt vooral door de mode van die tijd: hoge schoenen, lange hooggesloten jurk met een kraagje, geen sieraden, behalve de broche die veel weg heeft van de broche die mijn moeder ook had. Misschien is het dezelfde… Nee, het is toch een andere, bij nader inzien. Ze heeft een ring om, nauwelijks te zien, om de middelvinger van haar rechterhand. Waarom daar? Was ze vermagerd en schoof hij steeds van haar ringvinger?

Ze zitten aan een hoog plantentafeltje, er staat een mandje op met droogbloemen en varens. Op het tafeltje ligt, je kunt nog net de rand op ooghoogte zien, een antimakassar. Verre herinnering uit een koloniaal tijdperk. Opa steunt met z’n linkerarm op het tafeltje. Hij kijkt niet vrolijk, eerder nors. Zijn snor, zijn ietwat scheve mond, die mijn vader ook had toen hij ouder werd, maken zijn gezicht niet vriendelijk. Maar misschien was hij het wel. Ik weet het niet, want ik heb grootvader nooit gekend. Verhalen over zijn persoon ken ik ook niet. Wel dat hij twee weken voor zijn dood de hik kreeg. Dat gegeven is één van mijn angstvisioenen geworden: twee weken de hik en dan doodgaan.

Wat waren het toch voor mensen, grootvader en grootmoeder Weltevrede. Er is mij niets van hen nagelaten. Geen brief, geen ansicht met ‘de groeten uit Scheveningen, het is hier fijn…’, geen oude doos met foto’s… niets, behalve deze ene foto. Grootmoeder heb ik wel gekend. Ze heette Maria Bouman. Ze was de laatste jaren tot haar dood bij ons in huis, van 1944 tot 1948. Of was het 1949? Zesentachtig is ze geworden en ze stierf op 6 december. De avond tevoren had ze nog een suikerbeest gegeten. Eerst een suikerbeest eten, en dan doodgaan. Daar moet ik ook vaak aan denken. Oma Weltevrede, ik heb haar zelfs goed gekend, maar heb geen precieze herinneringen. De details zijn verdwenen. Hoe komt dat toch? Waren de herinneringen aan die lieve vrouw te pijnlijk en heb ik ze verdrongen? Heb ik met die ene handbeweging van toen al mijn herinneringen weggewist? Hoe gaat dat eigenlijk, verdringen. Gaat dat vanzelf? Toen de dragers met haar kist de trap afkwamen vielen er een paar druppels bruin lichaamsvocht op een traptrede. Ik zag het gebeuren, twee druppels waren het, en veegde ze weg met een doekje dat ik snel van het aanrecht nam. Niemand had het in de gaten, alleen ik, ik keek er pal op. Wat een waanzinnig moment. Hoe moest je daarmee verder leven, ik zonder mijn grootmoeder, haar jongste kleinkind, ik kon het blijkbaar niet, en ‘koos’ onbewust voor het niets, het niet meer weten, het niet meer herinneren, en nog steeds is alles wat zij voor mij geweest moet zijn weggevaagd en onvindbaar in mijn geheugen. Hoe lang is het geleden… bijna zestig jaar…

Toch is één gebeurtenis me zo vaak verteld door mijn moeder, dat die me bijgebleven is. Ik was vier, en ging in de keuken bij mijn grootmoeder staan en zei op kindertoon: Wat ben je toch een lekkere ouwehoer. Ik had dat woord net op straat opgevangen, en wilde het gebruiken om te kijken hoe zij er op reageerde. Grootmoeder heeft gelachen, vertelde moeder, hard gelachen en geroepen: Jo, Jo, weet je wat ie tegen me zegt? Wat ben je toch een lekkere ouwehoer, zegt ie, een lekkere ouwehoer…, tegen mij! Van haar gezicht op de foto kan ik die lach niet aflezen, maar dat hoeft ook niet. De herinnering is goud waard. Toch blijft de vraag: wat waren dat voor mensen? Ze behoorden ongetwijfeld tot de gewone burgerij, zonder veel centen, zonder veel kapsones of bravoure, oppassend en degelijk. Ze hadden vijf kinderen. Han, Piet, Janus, Dries en Pie. De juiste volgorde weet ik niet. Ik weet wel dat mijn vader de jongste was, hij ondertekende zijn brieven altijd met A. Weltevrede jr. Han was een beetje de losbol, Dries de nette en Pie had iets liefs en zorgzaams, ze was tegelijk ook vrolijk, en vooral aardig. Janus, mijn vader, was de precieze, op het saaie af … Het waren geen depressievelingen, geen melancholici. Alleen oom Piet was een zielig geval. Hij zat altijd voor in z’n winkeltje en ik moest hem vaak van mijn vader een sigaar brengen. Dan moest ik zeggen: Alstublieft oom Piet, met de complimenten van mijn vader. Wat dat betekende wist ik niet, maar ik kon het zeggen zonder te haperen.

Ik had zielsmedelijden met oom Piet, en eigenlijk was ik een beetje bang voor hem. Daar was totaal geen reden voor, maar een kind heeft andere spoken dan een volwassene. Hij kon amper praten en als ik mijn schoolrapport liet zien, zag hij niet wat er stond. Maar hij zei wel in bijna onverstaanbaar gemompel: Goed zo jongen, pak maar een dubbeltje uit de la. Ik mocht dan gewoon de la van de toonbank opentrekken en er een dubbeltje uit pakken. En denk maar niet dat ik ooit meer zou nemen. Dat was wel anders bij mijn oom Jan Scheygrond, de brood- en banketbakker, daar gapte ik de chocolade truffels onder z’n ogen vandaan…, maar dit terzijde.

Toch vond ik oom Piet op een vreemde manier ook aardig, al kan ik me niet herinneren dat we ooit met mekaar iets vertrouwelijks hadden. Of met elkaar probeerden te praten. Dat deed je trouwens vroeger niet. Kinderen spraken niet met volwassenen en met kinderen werd niet gesproken, er werd hun alleen gezegd wat ze doen moesten en hoe laat ze thuis moesten zijn. Relaties met volwassen mensen waren zelden vertrouwelijk. Als je bij oom Piet door z’n manufacturenwinkeltje liep, kwam je in een soort achterkamertje, en daar zat tante-Pie-van-oom-Piet. Tante Pie Schippers.Tante Pie van oom Piet herinner ik me als een vrolijk en hups type. Ze kon er wat van, ze kon een hele zaal vermaken met haar grappen en grollen, met haar gezang en haar muziek. Straatliedjes zong ze. Louis Davids. En tante Pie had een goddelijk instrument, haar citer. Daar mocht ik wel eens op spelen. Het was een magisch instrument. Je kon er afzonderlijke tonen mee tokkelen, maar ook kon je er akkoorden op aanslaan. Je legde dan een kartonnetje onder de snaren, daarop stonden stippen, ik meen met lijnen en cijfers, en als je die dan in de goede volgorde aanraakte, begon ineens ‘zilveren draden tussen het goud’ te vibreren. Tante Pie Schippers kon spelen en zingen tegelijk. Ik was helemaal weg van dat speeltuig, en ik mocht als ik bij haar was van tante Pie zo lang spelen als ik maar wilde, wel een hele middag, herinner ik me nu.

Toch moeten tante Pie en oom Piet voor opa en oma Weltevrede een grote zorg geweest zijn. Het was het zorgengezin van de Weltevredes, tenminste, zo heb ik het altijd begrepen. De ziekte die oom Piet had, was mij niet duidelijk, het was geen kanker, of dementie, of tbc, of aderverkalking; het was iets in zijn rug volgens mijn moeder, en ze heeft zich wel eens laten ontvallen dat het met seksualiteit te maken had. Het was je reinste kwaadsprekerij, maar in die tijd werd seksualiteit al gauw geassocieerd met dood en verderf door eigen schuld. De ellende moest met al die kinderen toch ergens vandaan komen?

Als ik weer naar grootvader en grootmoeder Weltevrede op de foto kijk, vraag ik me opeens af: zijn die mensen gelukkig geweest, en hoe, en waarmee? Natuurlijk waren de kleinkinderen hun grootste geluk (en ik hun aller-allergrootste), dat is het cadeau dat grootouders eindelijk nog ten deel valt, maar verder… viel er verder nog iets te genieten? Gingen ze wel eens uit? Gingen ze wel eens naar een voorstelling? Aten ze poffertjes in ze zomertent op de Markt? Hielden ze van muziek? Kenden ze Koos Speenhoff, de straatliedjeszanger? Hadden ze het gezellig? Hadden ze zorg voor elkaar? Dronken ze wel eens een glaasje? En wat vonden ze van Den Briel, de buren, de mensen? En hadden ze vrienden? Hadden ze veel over voor anderen? Hadden anderen voor hen veel over? En luisterden ze naar de radio? Lazen ze een boek? Hadden ze een mening over politiek, over kunst, over de kerk…? En als er een kleinkind geboren werd, zeiden ze dan: zo’n liefje hebben we nog nooit gehad; of zeiden ze: sjonge jonge hoe moet die nu weer groot worden in deze ellendige tijd. Misschien hadden ze een diep verdriet, waar niemand iets van wist. Waar nooit over gepraat kon worden. Misschien viel het leven hen eigenlijk zwaar, te zwaar misschien.

Ach, wat heeft het allemaal voor zin hier diep over na te denken. Ik neem maar voor het gemak aan dat ze het allemaal goed gehad hebben, we zullen het nooit weten, geen brieven, geen kaarten, geen foto’s, behalve die ene die nu voor me ligt. Ik zal hem maar weer opbergen. Later, na ons, weet niemand meer wie hier afgebeeld zijn, dus ik zal hun naam er achter op schrijven: opa en oma Weltevrede. Plus minus 1930 heb ik erbij geschreven, want de precieze tijd is door mij niet meer te achterhalen en de aanleiding nog minder.

 

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>