Brielle: De zestiende eeuw; de stad ommuurt zich

Brielle werd op Sint Andriesdag, 30 november 1330 stadsrechten verleend door Gerard van Voorne. Amper vijf jaar later kreeg de stad ook het recht om versterkingen aan te leggen, om ‘ongewenst volk tegen te houden’. Na een jaar of vier moet de stadsvest geheel aanwezig zijn geweest, maar in hoeverre er dan al sprake is van muren en poorten is niet duidelijk. Wel is in 1342 al rond de gehele stad een gracht aangebracht.

Voor de versterkingen werd allereerst een stadsmuur aan de west- en zuidzijde aangelegd. Aan de noord- en oostzijde liepen twee rivierarmen en tot omstreeks het midden van de zestiende eeuw werd dit voldoende geacht om de toegang tot de stad te belemmeren. In de jaren rond 1500 was de dreiging van oorlog verschillende malen aanleiding tot het aanleggen van verdedigingswerken.

Cartograaf Jacob van Deventer tekende rond 1566 op gedetailleerde wijze de verdedigingswerken: een langgerekt stadsgebied, geheel omgeven door water en een ommuring met vier poorten: de Noord- en de Zuidpoort en in het westen de Lange- en de Piermanspoort. Alleen waar aan de oostzijde de ter plaatse brede en tweearmige Goote voor een natuurlijke barrière zorgde was een muur weggelaten. Van Deventer tekende verder in totaal 22 verdedigingstorens.

Uitgelicht

Plattegrond

Tussen 1558 en 1575 vervaardigde ‘koninklijk geograaf’ Jacob van Deventer plattegronden van ongeveer 260 vestingsteden in de zeventien Nederlandse gewesten die op dat moment deel uitmaakten van het Spaanse rijk onder Philips II. Het werk van Van Deventer wordt algemeen als een mijlpaal in de Nederlandse cartografische traditie beschouwd. Zijn kaarten vormen een historische bron van grote waarde. Geen enkel ander land kent een vergelijkbare reeks stadsplattegronden. Jacob van Deventer kreeg de opdracht omdat Philips II zich geconfronteerd zag met dreigend oproer in de Nederlandse gewesten, waarover hij sinds het aftreden van zijn vader Karel V in 1555 het gezag voerde. Met het oog op militaire acties liet de koning alvast alle strategisch belangrijke plaatsen in kaart brengen. vandeventer

Van Deventer hanteerde bij zijn karteringswerk de driehoeksmeting om eerst de hoofdstructuur van een stad in beeld te brengen. De ligging van de stadsmuren en markante gebouwen, zoals kerken, kloosters, kapellen, het stadhuis en vestingwerken, werd zo nauwkeurig mogelijk weergegeven. Vervolgens vulde hij de plattegrond verder in door de straten met passen te meten. Hierbij maakte hij gebruik van instrumenten als het kompas en de bóussole (om hoeken te meten). Deze werden vervolgens – waarschijnlijk in combinatie met geschetste topografische details – met pen overgetekend en ingekleurd. De aldus ontstane kaarten worden ‘minuten’ genoemd, die op hun beurt hebben gediend als basis voor ‘netkaarten’. Het resultaat van Van Deventers inspanningen is indrukwekkend.

In de Biblioteca Nacional te Madrid worden twee dikke banden met de netkaarten bewaard, een derde band is verloren gegaan. Opvallend is dat de huidige kadastrale kaart van Brielle ‘door de oogharen gezien’ nog hetzelfde beeld geeft als omstreeks 1560 getekend.

De stadsmuur aan de Langestraat

In april 1998 is in opdracht van de gemeente Brielle door het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van gemeentewerken Rotterdam (BOOR) archeologisch onderzoek verricht op het terrein van de vroegere meisjesvakschool, waar over een lengte van ruim honderd meter de historische stadsmuur is opgegraven. De opgravingen werden onder leiding van archeoloog drs. A.J. Guiran uitgevoerd. De opgegraven muur ligt vrijwel parallel aan de Langestraat; na circa 62 meter knikt de muur in de richting van de Burgemeester H. van Sleenstraat. De indrukwekkende funderingen van de stadsmuur zijn over het algemeen over een hoogte van 1.50 à 2.20 meter bewaard gebleven.

Aan de achterzijde van de muurfunderingen is, op onderlinge afstand van ruim drie meter, een groot aantal steunberen aangetroffen. Deze dienden om de muur in balans te houden en om de tongewelven te dragen, waarop een weergang was aangebracht. De lengte van de gebruikte bakstenen (27 – 29 centimeter) geeft een – voorzichtige – indicatie voor de datering van de muurfunderingen: de eerste helft van de veertiende eeuw. Een bakstenen vloertje tussen de steunberen en een beerputje uit het laatste kwart van de veertiende eeuw wijzen op een mogelijke bewoning onder de bogen van de weergang.

Een heel bijzonder fenomeen is de doorgang in de stadsmuur ter hoogte van het midden van de Maarlandse haven. Deze doorgang is al aanwezig in de eerste aanleg van de stadsmuur. Een groot gedeelte van vermoedelijk een gemetselde boogconstructie bleek in de opening naar beneden te zijn gestort.

De stadsmuur verloor haar functie aan het eind van de zestiende eeuw door de modernisering van de verdedigingswerken. Ergens in het midden van die eeuw is men de sluisgang gaan slopen. Een grote uitgraving getuigt van deze activiteit. De vulling van deze uitgraving bestaat onder andere uit mest en puin. Er komen naast aardewerk en dergelijke ook bijzondere vondsten als gebrandschilderd glas in voor.

Een zeer bijzondere en zeldzame vondst vormt een aantal (delen van) leren boekbanden met stempelversieringen en metalen sluitingen. De boekbanden moeten met ander afval in het midden van de zestiende eeuw in de bodem zijn terecht gekomen tijdens het slopen van de doorgang in de stadsmuur. Het gaat om delen van minimaal zes grote en kleinere banden uit de periode 1450-1520, die nu aanwezig zijn in Historisch Museum Den Briel.

Alva verliest zijn bril

Op 1 april 1572 verwierf Brielle een bijzondere plaats in de geschiedenis. Die dag bleken er in de monding van de Maas zesentwintig schepen te liggen, bemand door de Watergeuzen. Lieden van allerlei slag; edelen, ambachtslieden en zeelui, allen strijdend tegen de zware repressie van het  Spaanse bewind, belichaamd in Don Alvarez de Toledo, hertog van Alva. Het Spaanse garnizoen, dat de stad en zijn toen bijna vierduizend inwoners tegen de dreigende plunderingen door de Geuzen had kunnen beschermen, was een half jaar eerder door Alva verlegd naar Utrecht.

Veerman Coppelstock roeide naar de vice-admiraal en voormalige Briellenaar Jonker Willem Bloys van Treslong. Nadat hij de Geuzen informeerde dat zich geen Spaans garnizoen meer in Brielle bevond, besloten zij de stad in te nemen. Coppelstock kreeg de opdracht het stadsbestuur op de hoogte te brengen van de eisen: er moesten twee afgevaardigden worden gestuurd, waarmee de overgave kon worden besproken.

Het stadsbestuur stond in tweestrijd. Als de eis van de Geuzen werd geweigerd, zou de stad worden geplunderd. Als de eis werd ingewilligd, zou op den duur de straf van de Spanjaarden niet gering zijn. Het was een keuze uit twee kwaden, die uiteindelijk niet gemaakt hoefde te worden. Het geduld van de Geuzen was op, voordat het stadsbestuur een keuze had gemaakt…

Bloys van Treslong benaderde de stad vanuit het zuiden en kon via de openstaande Zuidpoort binnen trekken. Een tweede groep kwam voor de Noordpoort te staan, die ze met een scheepsmast rammeiden. Brielle was door de Geuzen ingenomen. De stad werd vervolgens in opperste staat van verdediging gebracht in afwachting van een Spaanse tegenaanval.

innamegeuzen

Die volgde op 5 april, toen verschillende compagnieën uit Utrecht naar Brielle werden verscheept. Vanuit Heenvliet en Zwartewaal marcheerden de soldaten naar de stad, waar een paar schermutselingen plaats vonden. Voordat het tot een echte belegering kon komen, wist stadstimmerman Rochus Meeusz., volgens overlevering, het Nieuwlandse sluisje open te zetten en daarmee de omringende polder onder water te zetten.

De Spanjaarden trokken zich terug en ontdekten dat andere Watergeuzen hun schepen bij Heenvliet in brand hadden gestoken. Verslagen dropen ze af. De opstand zou zich spoedig uitbreiden over de Nederlanden, tot grote verrassing van Alva. Sindsdien is het: ‘Op 1 april verloor Alva zijn Bril (Den Briel)’.

In de geschiedenisboeken kwam het verhaal dat de heldhaftige Watergeuzen de stad in naam van Oranje hadden veroverd. Het stadswapen draagt vanaf die tijd de leus ‘Libertatis Primitiae’, ‘eerstelingen der vrijheid’.

willem bloys van TreslongJonker Willem Bloys van Treslong (1529-1594) was in 1572 admiraal van de Geuzen. Hij was de zoon van de oud-baljuw (een ambtenaar die de vorst in de steden en landelijke gebieden vertegenwoordigde) van Brielle en is wellicht geboren in het stadje. Voor Brielle is hij van enorme betekenis omdat hij, toen Lumey, de aanvoerder van de Geuzen, op 1 april 1572 dreigde de stad te plunderen en vervolgens weer te verlaten, ervoor pleitte de stad te behouden. Hiermee werd Brielle niet de zoveelste stad die de Geuzen hebben geplunderd, maar de eerste stad die door hen bevrijd werd. Bloys van Treslong zette de strijd als Geuzenaanvoerder voort, werd Admiraal van Holland (1573) en van Zeeland (1576).

lumeyWillem van Lumey,graaf van der Marck,Collectie Verhuell, Streekarchief Voorne- Putten en Rozenburg.

De Martelaren van Gorcum

Na de inname van Brielle ging de zegetocht van de Watergeuzen door. Eind juni werd Gorinchem ingenomen. Daar werd een groot aantal geestelijken gevangen genomen, die Lumey naar Brielle liet overbrengen. Het blijft een open vraag wat hem daarmee precies voor ogen stond, maar het resultaat was dat negentien van hen even buiten Brielle werden opgehangen. Deze martelaren om het geloof werden in 1674 zalig en in 1860 heilig verklaard, waarna Brielle zich eind negentiende eeuw ontwikkelde tot een belangrijk bedevaartsoord. Nabij het Martelaarsveld verrees een kerk, die in zijn ontwerp herinnert aan de turfschuur waar de martelaren destijds werden opgehangen.

de martelaren van Gorcum

Vervolg.

Dit is het middeleeuwse beeld van de stad; waarschijnlijk het resultaat van diverse periodes van bouwactiviteiten gedurende twee eeuwen. Deze verdedigingswerken gingen bij de modernisering en de ombouw tot de ‘vesting Brielle’ in de zeventiende en achttiende eeuw geheel verloren. De stadsmuur aan de Langestraat kwam zelfs binnen de stad te liggen. Meer hierover in andere berichten.

Brielle omstreeks 1570

1 reactie op “Brielle: De zestiende eeuw; de stad ommuurt zich

  1. De Martelaren van Gorcum werden in 1675 (niet 1674) zalig verklaard; in 1867 (niet 1860) volgde de heiligverklaring. Alhoewel geen exacte, authentieke afbeeldingen van de turfschuur waarin zij ter dood werden gebracht bekend zijn, is de kans dat die danwel een (turf)schuur als basis heeft gediend voor het ontwerp van de huidige bedevaartskerk weinig aannemelijk als bijvoorbeeld gelet wordt op het weliswaar sobere, maar door de spitsboogvorm toch monumentaliteit uitstralende schip van de kerk.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>