Eén van die oude Hellevoeters – deel 4

Jeugdherinneringen van Willem J. van Beveren

Bij laag water gingen we onder het 2e hoofd, waar het water snel onderdoor stroomde, en liepen los balancerend over de smalle modderige ijzeren profielbalken. Het is altijd goed afgelopen – gelukkig – ook al konden we intussen zwemmen als ratten. We zwommen veel in het Voornse kanaal, tegenover het drijvende zwembad van de V.I.Z.. De badmeester vond ons soms maar brutaal, omdat we wel eens vlug van de duikplank gebruik maakten en jaagde ons dan met het nodige commentaar weg. Om ons te wreken hebben we toen de vlag gestreken die daar fier in de wind wapperde en er in plaats van een rol kippengaas in gehesen. lk heb zelden iemand zo kwaad zien worden. Als een razende sprong hij in een roeiboot en kwam aangeroeid. We hadden nauwelijks tijd wat kleren aan te trekken en op de fiets te vluchten, waarbij ik nog een flinke val maakte. Fiets kapot en een bloedende kin. Mijn vader zei altijd “Het kwaad straft zich zelve”!

foto00091-590x337

Kees, Jo en Leen met naast de boot gevangen wilde eenden op Scheelhoek

De plaat van Scheelhoek

Als het extra laag water was gingen we met mijn vlet naar de zandbank van Scheelhoek, meestal bij oostenwind, die lag voor Stellendam. We zochten daar naar de overblijfselen van de ontplofte granaten die bij oefeningen vanuit Hellevoetsluis daar terecht waren gekomen. We vonden dan loden knikkers, koperen banden en de koperen tijddoppen, waarmee de ontploffingstijd was ingesteld. Alleen aan lood vonden we soms meer dan 20 kg. We verkochten het lood en de roodkoperen banden dan bij de vader van Freek Klop, die loodgieter was en ook op de Westzanddijk woonde. Van het geld kochten we dan in Den Briel luchtbuksen a 6 gulden per stuk. Nou, en toen maar schieten, maar waarop?  We schoten vanuit een zinken dakje boven aan de achterzijde van het Bellenhuis op de Westzanddijk waarin Jo woonde. Eerst sneuvelde een paar ruiten van dakvensters, maar daar bleken mensen te wonen, want even later kwam politieagent Jan Haaien in de richting van het Bellenhuis. We konden nog net vlug naar de eerste etage afdalen, waar een woning leeg stond en we ons in een kast konden verstoppen tot de storm voorbij was! Natuurlijk wist men toch wel wie de schuldigen waren, dus moest mijn vader voor een nieuwe ruit betalen. Bij het politiebureau zat meestal iemand te vissen met een lange hengel van bamboe. Als aas werden levende krabben gebruikt, het ging meestal om bot, paling of spiering. Vanuit het dakraam van het Bellenhuis werd dan de dobber onder “vuur” genomen, waarna de man dan dacht dat er iemand met steentjes aan het gooien was. Na enige tijd werd hij dan zo kwaad dat hij achter elke boom en rondom het politiebureau ging zoeken naar de dader. Tenslotte ging hij dan maar weer verder met vissen, totdat we zijn blik met krab  beschoten, net voordat hij zijn hand er in wilde steken. Het blik stond naast zijn vouwstoeltje op de kade!  Tenslotte zette hij dan vlug het blik achterop zijn fiets en ging er vandoor, niet zonder dat het blik nog een paar maal getroffen werd. Wij vonden dat natuurlijk allemaal geweldig leuk, maar helemaal ongevaarlijk was het ook niet.

Half open kleding

Dan was er op het baantje vlak bij de brug een openbaar ijzeren urinoir, zo een met links en rechts een separate standplaats, aan de waterkant was de ingang. We konden het net halen met onze windbuksen en als er iemand in ging openden we het vuur, één laden, één schieten. Ook daar begreep niemand wat er aan de hand was en werd met half open kleding druk naar stenengooiers gezocht. In de peeentijd, als de suikerbieten geoogst werden, holden we die uit en sneden er een soort doodskop van met een kaars erin en hingen die dan ‘s avonds tussen de rododendrons in het plantsoen aan de Glacisweg. Als de Hellevoetse meisjes dan voorbijkwamen begonnen we te grommen, waarop ze gillend de benen namen.

W. van Beveren jeugdfoto

Leen en ik in de vlet voor Rockanje.

Hinderibben

Met de vlet voeren we dikwijls met ebtij naar de Voornse duinen en tot voor het groene strand, waar de zandbank “Hinderibben” lag. Soms lagen daar ook zeehonden en op de gedeelten die meestal droog bleven waren veel nesten van zeevogels. Je kon daar heerlijk vrij en  avontuurlijk rondzwerven en hopen dat je iets bijzonders vond wat aangespoeld was.  We namen ook wel eens een paar aardige meisjes mee van het strand voor Rockanje, daar was in de zomer volop strandleven! We moesten echter steeds op het weer letten, want als je door storm werd overvallen was de rivier en het zeegat behoorlijk gevaarlijk. Het is gelukkig altijd goed gegaan, al kregen we wel eens een flinke golf in de boot!Vanuit de zeedijk  liepen we vaak over de slikken naar de punt van de Hellevoetse duinen. Op die slikken waren ook hardere gedeelten waar we nog veel geheel loden geweerkogels vonden, waarschijnlijk nog uit de Franse tijd. Verder ging het dan langs het strand of door de duinen naar het Pompstation van de waterleiding en dan naar de Rondewei en het strand van Rockanje, dan verder naar het Groene strand en dan door de duinen naar het Brede water, waar vele zeldzame vogels hun nesten hadden en waar een heerlijke geur van duinplanten hing – we hadden geen vergunning om daar te komen – dat maakte het extra spannend, want je kon elk ogenblik een koddebeier tegenkomen.

foto00091-590x337

Kees, Jo en Leen met naast de boot gevangen wilde eenden op Scheelhoek.

Paasseduinen

In de ingang van de Hellevoetse duinen lag later een van de lopen van de grote kanonnen van Hellevoetsluis, bijna op het hoogste punt. Een tweede loop lag op het strand aan de voet van het duin, ongeveer 60 meter rechts van de ingang en langs een prikkeldraadhek. Mogelijk in de buurt van de strandtent, die er nu staat. Mijn vrienden, Freek Klop en Jo van de Breevaart hebben er veel moeite voor gedaan om die kanonlopen weer terug te laten brengen naar Hellevoet, als historisch aandenken! In 1986 is Freek Klop, een rasechte Hellevoeter gestorven. Ik hoop dat het later alsnog zal gelukken, ik meen dat het de moeite waard is. Onderaan het einde van de zeedijk, vlak voor de duinen, lag het huisje van Huib de Hennik, waar je voor een paar centen limonade en snoep kon kopen. Strandtenten kwamen er pas veel later. Met 2e Paasdag gingen veel Hellevoeters naar de duinen – zgn. Paasseduinen. Dan stonden daar veel handkarren met snoep-, drink- en eetwaren en was het er gezellig druk, maar nog te koud om te zwemmen! In de zomer zwommen we voor het strand, waar dikwijls een sterke stroom liep. Je liet je dan meedrijven en liep later langs het strand terug, of je hield je vast aan een van tonnen of boeien die daar verankerd waren.

Land van Paling

Veel speelden we ook op het land van Paling, dat lag langs de vest vanachter café Paling, tegenover de kippenbrug, en in de richting van het Haringvliet. Er langs lag de bunkerkolenopslag van van Engelen met er naast een standplaats voor woonwagens voor zigeuners. Als het gras er hoog was kon je er van alles spelen, je werd er niet gestoord, want ook daar mocht je eigenlijk niet komen. Mijn vader had ook een heel klein roeibootje gekocht om mee te vissen. Het had een visbun in het midden om de gevangen vis levend te houden. Daarmee gingen we dan peuren naar paling, meestal achter het mijnengebouw, aan de kant van het Haringvliet. Ik herinner me dat ik daar op een avond alleen was en steeds maar mooie palingen ving, maar … met de schemering kwamen duizenden muggen uit de rietgorzen, die me regelrecht aanvielen. Ik had nog een korte broek en blote  knieën, en ik smaakte blijkbaar prima. Er bleef me niets anders over dan zover mogelijk van de kant en in de ebstroom te vluchten, maar niet voordat ik vol met muggenbeten zat!  Maar de paling smaakte later geweldig. Een enkele keer visten we ook wel met lange lijnen, elk met 50 haken eraan. Daarmee ving je dan van alles. Veel tong, schol en paling. Je moest ze met een kleine boei erop een paar uur bij dood tij laten liggen. Met dat kleine bootje, het stak maar net boven water, voeren Jo en ik op een mooie dag en bij zeer laag water met het staartje van het ebtij naar scheelhoek om naar lood en koper te zoeken (van de ontplofte granaten) en later met de vloed en wat wind weer terug naar de Hellevoetse haven. Mijn vader had met de verrekijker vanuit zijn loodskantoor het hele avontuur gevolgd en vond dat ik dat maar geen tweede keer moest doen. Kort daarna kreeg ik mijn zeilvlet – prima vader!

Wolf!

In de winter gingen we natuurlijk op het ijs, zo vlug dat kon. De vest was prachtig om op te schaatsen, grote delen lagen uit de wind. Bij de Brielse brug was dan al vlug een tent op het ijs met hete anijsmelk en polkabrokken en op den duur was het ijs dik genoeg dat je ook onder de Brielse brug door kon rijden. Maar  voordat het ijs dik genoeg was om er over te lopen kropen wij, op ons buik, over de dunne glasheldere laag ijs van de vest. Eronder kon je dan,  net als in een aquarium, allerlei planten, visjes en torretjes zien  bewegen, vooral als de zon scheen was dat reuze boeiend! We moesten echter ver van elkaar blijven om er niet samen door te zakken, want het ijs scheurde soms onder je neus. Zelfs onze hond “Wolf”, die er ook bij wilde zijn, moesten we om die reden wegjagen. Op de barakkensloot werd in de schoolpausen veel ijssiegetaaid. Viel je erin dan zong iedereen in koor: Dat komt van je ijssietaaien, sila hoho sila ho!  Op de vest schaatsten we dikwijls met een hele rij jongens naast of achter elkaar. Dan begon het ijs te golven en hoorde je het naar alle kanten scheuren. Gelukkig is het altijd goed gegaan, maar spannend was het wel. De havens slibden telkens weer aan en moesten dan uitgebaggerd worden. Ik hoor nog de baggermolen in de marinehaven aan het werk. Snoerstrakke staaldraden op Oost- en Westkade tussen de meerpalen (oude kanonnen) waartussen het grommende monster zich heen en weer trok en daarbij de ernaast liggende modderbakken volklotste, daarbij luid kreunend! De volle bakken werden dan door een sleepbootje naar het midden van de rivier gesleept. Dan werden de bodemkleppen geopend en zag je (meestal vanaf het tweede havenhoofd), de bak aarzelend naar boven komen. Steeds weer een boeiend gezicht! Ook werd er gebaggerd in de binnenhaven, bijv. achter het politiebureau, waar ook de schokker van mijn grootvader vroeger lag. Dat gebeurde echter nog met de hand door Versluis en zijn twee zonen en wel met een soort schep aan een lange houten steel, die met een staaldraad en een handlier door de modder en in de kleine bak getrokken werd, waarbij zeer aanmoedigende woorden vielen,  niet voor herhaling vatbaar!

Vader en Wolf jeugdfoto

Mijn vader met Wolf op het Baantje.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>