Marina de Bondt sep 13, 2009
Eén van die oude Hellevoeters – deel 2
Jeugdherinneringen van Willem J. van Beveren
Van mijn 9e tot 13e jaar woonden we in Rotterdam, maar iedere vakantie waren we weer in Hellevoet. Ik was zeer bevriend met mijn neefje Gerrit van Beveren, waar ik dan ook steeds mee samen was. Hij stierf echter reeds op zijn15e jaar aan een blindedarmontsteking, ook voor mij een zeer treurige ervaring. In Rotterdam kon ik het nauwelijks wennen, ik kreeg er bloedarmoede, moest staal en levertraan slikken. Bij stormweer leefde ik er een beetje op, want dat vond ik dan echt Hellevoets weer. Ik zwierf veel op het toen opgespoten land tussen Delfshaven en Schiedam, waar nu havens zijn, en aan de Maasoever. Het water trok me reeds vroeg aan!

Het 2e Hoofd met het houten frame voor de mistbel.

De Slikken tussen de zeedijk en de punt van de duinen.

De afhaalbotter gemeerd in de Marinehaven met verderop het m.s. De Zuiderdiep. Op de wal de heer Grumke.
De peentijd
Met mijn l3e jaar werd mijn vader gelukkig weer naar Hellevoet overgeplaatst en werd schipper op de Loodsafhaalbotter, die bij mijn grootvader voor de deur, Oostkade 24, lag en die er voor diende om de buitenloodsen op zee op te wachten en naar Hellevoetsluis terug te brengen. Tevens voor opleiding van loodskwekelingen, en het peilen en in kaart brengen van diepte en betonning van zeegaten en rivieren. Voordien waren die buitenloodsen vóór Hellevoetsluis met de motorsloep van Dubbelt aan boord van de uitgaande schepen gebracht. De binnenloods werd dan meteen in Hellevoetsluis aan de wal gebracht. Fijn, ik was dus weer in mijn element! – tussen de zwermen kokmeeuwen, sterntjes (mijn lievelingsvogel), meerkoeten, tankkrabben, de geur van zoutwater en zeewind en bij mijn oude vrienden en bekenden. Allereerst moest ik weer naar school, een paar maanden naar de Mulo en toen naar de eerste klas van de R.H.B.S. in Den Briel. Dat betekende elke dag op de fiets heen en weer, weer of geen weer, wat vooral in de winter wanneer het soms hard waaide en 20 graden vroor, vooral op het “lange eind” halverwege de straatweg, waar geen bomen stonden, geen pretje kon zijn. We probeerden ons soms door de vrachtauto van Sieseling mee te laten trekken, maar die was daar niet van gediend en probeerde ons dan “af te schudden”, maar soms merkte hij het niet, of deed alsof! In de tijd dat de suikerbieten geoogst werden – de peeentijd – lag de straatweg over grote afstanden vol met vette klei, daar kon je gemeen op slippen met je fiets.

De afhaalbotter van het Loodswezen bij vertrek uit de Marinehaven.
Stijf bevroren
Eenmaal bij uiterst koud en slecht weer besloten we, toen we net het lange eind voorbij waren, bij een boerderij te vragen of we daar konden schuilen. Daar woonden vriendelijke mensen waar we dikwijls aan zwaaiden. ‘T was goed, dus de hele morgen met vier meisjes en vierjongens in de hooischuur verstoppertje gespeeld. Ik ruik het hooi nog. Wat een genot, de school hebben we die dag niet meer gehaald – vanwege het weer natuurlijk! Halverwege het lange eind was ook een klein cafeetje. Daar gingen we wel eens biljarten. Het cafeetje was zo klein dat er een speciale korte keu was die je moest gebruiken. Omdat je met een normale keu tegen het raam of de wand kon stoten. Eens bij erg koud weer bestelden we daar bier maar alle flesjes waren stijf bevroren, gesprongen en aan elkaar gevroren. Toen moesten we wel jenever drinken. Intussen had ik er nog een goede vriend bij gekregen, Leen Lambo zijn vader was hoofd van de school in Veur-Leidschendam . Hij werd spoedig aangenomen als adelborst bij de marine, we zagen elkaar vrijwel iedere vakantie. Ook Kees Boutkan was er dikwijls bij, hij woonde in de barakken bij de familie Engelenmoer. Hij was ook op de H.B.S. in den Briel. Na de oorlog vertrok hij naar Australië.

Voor de haven van Stellendam. Op de achtergrond de zandbank Scheelhoek.