Mevrouw Van Orselen
Door: Kees van Rixoort
“Drie lichtpunten, meer was er niet op dat lange stuk tot het Kanaal. Drie lichtpunten bij de IJzeren Brug.” Mevrouw Van Orselen (bijna 84) heeft er vaak naar staan kijken. ’s Avonds laat, door het huiskamerraam. “M’n man was vrachtrijder en die kwam nogal eens laat thuis. Bij de brug kon ik hem aan zien komen; in het donker draaiden z’n koplampen zo deze kant op. Nog een stukkie Ravenseweg en hij was thuis.” Mevrouw Van Orselen woont niet meer in het huis aan de Rijksstraatweg. Een jaar of wat geleden verliet ze het voor een aanleunwoning tegenover De Rozenhoek, elders in het dorp, en sinds kort is haar domicilie in het verzorgingshuis zelf. Maar als ze nog op haar oude plekje zou wonen, dan zou ze de brug over het Kanaal niet meer kunnen zien. Evenmin als de honderden lichtpunten, die als een oneindige elektrische feestslinger bezit hebben genomen van het olle, stenen land. “Aan de overkant is bos gekomen”, zegt ze. “Nee, daar was ik niet blij mee. Het uitzicht waren we kwijt, maar je kunt uiteindelijk beter naar een bos kijken dan naar een wijk met allemaal huizen.”

Ze ging in 1943 aan de Rijksstraatweg wonen; “Ik ben gehecht geraakt aan die weg”. (foto: Jur Snijders)
Ze trouwde in 1943 – “Wie gaat er nu midden in de oorlog trouwen”, lacht ze – en ging direct aan de Rijksstraatweg wonen. “Ik heb er 45 jaar gewoond en ik ben gehecht geraakt aan die weg. Ook al hadden we het altijd over de oude straatweg; hij zat namelijk vol putten en bulten. Weet je wat het is? Die straatweg is voor ons gewoon de straatweg. Die bracht wat leven met zich mee. Iedereen die naar Flakkee ging, kwam bij ons langs de deur. Trouwens, in 1953 – met de watersnood – zagen we de Flakkeeërs hier in wagens langs ons huis rijden. De andere kant op. Hier is het veel te stil”, vervolgt ze zonder pauze. Ze kijkt haar volle appartement rond en vertelt over de gezellige drukte, die altijd in huize Van Orselen heerste. “Het was net de zoete inval bij ons. De fi etsclub kwam altijd even aan om koffi e te drinken. ‘Toossie, is de koffie al bruun’, riepen ze dan op het erf. Stoelen had ik niet genoeg, maar dan gingen ze gewoon in een kring op de grond zitten. Alles kon.”
Tweedehands
Op 1 juni 1946, een jaartje na de oorlog, begon Van Orselen zijn transportbedrijf. “Met één auto. En nog een tweedehands ook, want je had geen geld. De eerste tijd deed m’n man het alleen, later kwamen de kinderen in het bedrijf. En die hadden ook allemaal een auto. Nu zijn er geloof ik wel twaalf auto’s; nee, ik weet niet precies hoeveel. Ze rijden overal containers naartoe: België, Duitsland. ’t Is een heel bedrijf geworden.” De auto’s zijn geel geverfd en erop staat in duidelijke letters: J. van Orselen, Nieuwenhoorn. “Ze denken er niet over om er Hellevoet op te zetten”, snijdt ze – ruim veertig jaar na de gemeentelijke herindeling – een nog altijd teer punt aan. In het begin transporteerde Van Orselen vee. Ook wel naar de veemarkt in Leeuwarden. Als het nodig was ging hij onderweg z’n bevroren ramen ‘te lijf’ met een kaarsje. Later kreeg de Nieuwenhoornse transporteur een melkwijk in Oostvoorne. “Hij heeft daar meer dan twintig jaar melk opgehaald. Terug nam hij in de begintijd altijd drinkwater mee, want toen hadden ze op Oostvoorne nog geen waterleiding. Ik reed wel eens met hem mee naar Rotterdam. Dan bracht hij de melk naar de Persoonshaven en dan ging ik winkelen.”
In pyjama
Mevrouw Van Orselen assisteerde ook in het bedrijf. Ze deed bijvoorbeeld de administratie. “Het was een druk leven. Vaak kwam m’n man laat thuis en ging hij vroeg weer weg. Als hij om vier uur vertrok, ging ik om drie uur uit bed om koffie en thee te maken. De mensen in de buurt hielpen elkaar als er wat was. Het gebeurde wel dat de auto niet wilde starten. Nou, dan riep je iedereen bij elkaar en dan kwamen ze om te douwen. Desnoods in pyjama.” Zelf, zegt ze met een lachje, heeft ze ook regelmatig in haar nachtkleding getracht de auto aan de praat te krijgen. “Nieuwenhoorn was in die tijd een heel geweun durpie. Iedereen sprak dialect. En ze waren allemaal ‘rood’. Koninginnedag werd hier niet gevierd, want het Wilhelmus wilden ze niet blazen. Tja, je had hier natuurlijk nogal veel arbeiders. In Hellevoet waren ze juist weer erg Oranjegezind. Bij ons werd er ook wel rond een boom gedanst. Dat was iets van de AJC of zo. Ach, als kind ging je gewoon, of het nou rood was of niet.” Zelf was ze niet rood, maar ook niet kerks, hoewel ze tientallen jaren op het kerkkoor heeft gezeten. “Ik ging altijd op oudejaarsavond naar de kerk, en daarna een borreltje drinken bij Piet Vinke.” Die had tot op hoge leeftijd een cafeetje langs de Rijksstraatweg, tussen Van Orselen en de dorpskern.
Al die lampen
Op een avond kwam mevrouw Van Orselen terug van de zangrepetitie. Ze was op de fiets en werd – niet ver van huis – aangetrokken door een grote hoeveelheid licht in de duisternis. Ze fi etste een stukje door in de richting van Brielle en zag waar die helle gloed vandaan kwam. Onder het zojuist gebouwde viaduct reden de eerste auto’s over de N57 richting Goeree-Overflakkee. “Al die lampen! Dat waren we niet gewend. Maar ach, nu weet je niet beter.” Een onafzienbare rij koplampen is in de plaats gekomen van drie verre lichtpuntjes bij de IJzeren Brug. En een langzaam maar zeker groeiend bos is in de plaats gekomen van ‘de bosjes’ langs de Rijksstraatweg: niet meer dan wat kreupelhout, verwijderd om de aanleg van het viaduct mogelijk te maken.