Kees van Rixoort aug 7, 2009
Een schier onneembare burcht
Jacob Sonneveld
Door: Kees van Rixoort
Kloeke kapitalen kondigen aan wat komt. Wat je te zien krijgt, als je de werf mag betreden. Als je de poortpalen mag passeren en de daarop aangebrachte letters Esterenburch achter je laat. Het woord is in tweeën gehakt: de linker paal telt zeven kapitalen, de rechter vijf. Wat komt is een boerderij, gelegen in het schaduwrijke lommer. Een gevel met kleine ramen en gesloten groene luiken. Meer krijgen de meeste mensen niet te zien, gastvrijheid is op deze idyllische plek geen vanzelfsprekend goed. Meestal moet je het doen met de kloeke kapitalen, de palen en de norse gevel. Soms zie je een paar koeien, soms een mens. Esterenburch ligt in een polderhoekje, bijna tegen de Rijksstraatweg aan. Jacob Sonneveld was dertig jaar buurman van de boerderij. Hij heeft de werf betreden, hij was binnen om de onvoorstelbare realiteit te toetsen aan de fantasiën die in de loop der jaren bezit namen van zijn hoofd. Maar dat was pas nadat de boerderij was verlaten. Nadat er rond de eeuwwisseling een eind was gekomen aan het tijdperk dat Esterenburch een schier onneembare burcht was.

De monumentale boerderij Esterenburch. (foto: Jur Snijders)
De fruitcrisis begon
“Ik heb dertig jaar getuind op Rijksstraatweg 28”, zegt Sonneveld. Hij heeft zojuist de leidsels van zijn paarden ingevet en gaat eens goed zitten voor zijn verhaal. “M’n schoonvader had er een bloeiend fruitbedrijf en nog wat boomgaarden in de polder. Perziken, peren, veel glasfruit. Niet lang nadat ik me had ingekocht en de tuinderij samen met m’n schoonvader ging doen, begon de fruitcrisis. Dat was niet best. Europa werd één en het fruit kwam overal vandaan. Perziken en pruimen uit Spanje en Italië waren veel goedkoper en dikwijls van een redelijke kwaliteit. Druiven: hetzelfde verhaal.” Het was niet meer te doen. Sonneveld en zijn schoonvader namen het besluit om te stoppen met de fruitteelt. “De boomgaarden werden gerooid. Het land op Lagerwaarde, in de polder, ging naar m’n zwager en ik begon aan de straatweg met bloemen. Ik ben nog steeds blij met die beslissing. Kasfruit is in heel Nederland praktisch niet meer te vinden, maar bloemen zijn rendabel.” Jacob Sonneveld kweekte fresia’s, chrysanten en gerbera’s, maar uiteindelijk alleen nog maar fresia’s. “Ik had het geluk dat er een paar fruitcellen waren. Voorheen koelden en bewaarden we daar tonnen fruit in, maar ze bleken ook geschikt voor het drogen, prepareren en opslaan van fresiaknolletjes. Zo ontstond een vorm van dienstverlening voor andere fresiatelers. Dat gaf veel werk. Het waren sowieso tropenjaren. Altijd druk: ’s winters de oogst en in de zomer de preparatie. Als ik naar de veiling in Berkel en Rodenrijs ging, zat ik ’s morgens voor vijf uur al in de auto. En ’s avonds kwamen m’n klanten voor de knollen.”

Het voormalige woonhuis van Sonneveldstaat niet ver van Esterenburch. (foto: Jur Snijders)
Spelen met de natuur
De overstap van fruit naar bloemen was een stap die paste bij veranderde omstandigheden, bij nieuwe ontwikkelingen. Grote spijt over de gerooide perziken- en pruimenbomen is er nooit geweest. De bloementeelt werd een passie. “Prachtig! Je bent met de natuur bezig, je probeert de natuur een handje te helpen en superkwaliteit te telen. Ik had dikwijls de hoogste prijs op de veiling. Men kocht blindelings op naam. Hoe dat komt? Tja, waarom is het druk bij de ene slager en bij de andere niet? Waarom trekt een restaurant veel publiek en komt zijn collega er bekaaid vanaf? Weet je wat het is? Het is fingerspitzengefühl. Zeker als je met een levend product bezig bent. Spelen met de natuur, dat is het.” Een jaar of wat geleden nam zoon Maarten het bedrijf over. Sonneveld komt er nog veel. Hij helpt graag – aanvankelijk met de rozen, later met de amaryllissen – maar is ook graag thuis, in Ouddorp. De tropenjaren zijn achter de rug. Evenals de jaren dat de gepensioneerde tuinder heel regelmatig auto’s uit de bocht zag vliegen. “Op een gegeven moment werd het stuk weg bij ons voor de deur opgeknapt. De snelheid moest worden teruggebracht. Dat deed men door de bocht te veranderen. De drie weekenden daarna vloog er steeds een auto de berm in. Wij konden hulp bieden omdat we een trekkertje hadden.” Jacob Sonneveld ziet het nog voor zich en kan een glimlach niet onderdrukken. “Een andere keer, op een maandagmorgen, kwam er een dieplader aandenderen. Verschrikkelijk hard. Er stond een dragline op en die reed in de bocht zo van die dieplader de kant in. Trouwens, ik heb ook wel eens een luxe auto rechtop tegen de Vuijle Vaetdoek zien staan. Ook uit de bocht gevlogen.”

De Straatweg ter hoogte van de boerderij. (foto: Jur Snijders)
Land geveild
Maar wat deze plek aan de Rijksstraatweg het meest bijzonder maakt is niet zozeer de bocht, het fruit en de bloemen, maar die mysterieuze boerderij aan de overkant van het dijkje. De tweeënhalve hectare grond waar Jacob Sonneveld op tuinde behoorde ooit tot het bezit van de stee. “Esterenburch was een hele grote boerderij met zeventig hectare grond. In de jaren dertig werd het land geveild. De opa van mijn vrouw zat op Lagerwaarde. Hij had drie zoons. Twee werden boer en de derde, mijn schoonvader, tuinder. Hij kocht een stukje bouwland naast Esterenburch. Op de boerderij zelf kwamen pachters: de familie Dekker. Vijf vrijgezellen, heel bijzondere mensen.” Jacob Sonneveld somt de vijf namen zonder haperen op en noemt ook nog een zus, die wèl trouwde en naar Canada vertrok. “Eén broer werkte op de tram in Den Haag. Die kwam in het weekend naar huis. Dan waren er nog twee broers, waarvan er één zo’n beetje de leiding had, en nog twee zussen. Eén zus had een bultje, later is ze overleden. Zij was degene die kookte voor het stel. Toen ze er niet meer was, is er nooit meer een maaltijd gemaakt.”
Hollands bloed
“Het was een grote boerderij met weinig grond. De familie deed aan veehouderij en had een stuk of twintig koeien. Ouderwetse Hollandse bonte koeien. Het was in die tijd gebruikelijk om de melkproductie op te voeren door buitenlands bloed toe te voegen. Met behulp van een Amerikaanse stier kon je wel 7.000 liter melk per jaar krijgen. Maar op Esterenburch wilden ze niets van buitenlandse invloeden weten. Ze hielden vast aan de oude Hollandse bloedlijnen en hadden ook van die stieren. Het oude ras was beter, dachten ze. En tot het eind toe hebben ze die koeien gehouden. Ze dachten dat Nederland nog wel eens tot inkeer zou komen en terug zou komen op dat buitenlandse bloed. Op een gegeven moment was het oude Hollandse bloed alleen nog op Esterenburch te vinden.” Sonneveld zag de zware koeien met de lage uiers vaak grazen, op de dijkweitjes langs het Spui. “Verschrikkelijk mooie beesten”, roept hij uit. Maar veel meer kreeg hij niet te zien van Esterenburch. Het bleef bij wat vee en af en toe een glimp van de bewoners. De boerderij was decennia lang een gesloten bolwerk, het tegendeel van uitnodigende gemoedelijkheid. Nadat de pachtende familie er een punt achter gezet had, is Jacob Sonneveld een keer binnen geweest. “Heel ouderwets”, omschrijft hij het verborgene. “Er was een gedeelte met een aparte ingang en een opkamer. Dat was voor de eigenaar van de boerderij, als hij wel eens een weekend overkwam. Er zat een grote kelder onder. Verder was er over de hele breeedte een zware graanzolder. Esterenburch is een lange, brede stee, waar nog een stuk tussenuit is gebrand. Ik zag een paardenstal voor luxe paarden, waarmee men uit rijden ging, maar ook een grote stal voor de trekpaarden. Het straatje naar hun drinkvijver is er nog.”

“Esterenburch was een hele grote boerderij met zeventig hectare grond.” (foto: Jur Snijders)