Een kippenkuiken als overste

Wout van Vugt

Door: Kees van Rixoort

Voorbij het Hellevoetse uiteinde van de Rijksstraatweg, een flink stuk door de poort, lagen ze. Vier mijnenvegers van de Koninklijke Marine. Op één van de schepen was Zaankanter Wout van Vugt actief. Dat was veertig jaar geleden, in 1963 en 1964. De korporaal elektromonteur vertelt over het vegen van zeemijnen in de Hollandse en Zeeuwse zeegaten, enkele hilarische wederwaardigheden en het Hellevoetsluis van toen. “De vier mijnenvegers hoorden in Den Helder, maar waren hier tussen 1958 en 1968 geplaatst om de Zeeuwse stromen en de monding van de Maas te ontdoen van zeemijnen. De zeegaten zouden immers worden afgedamd en explosies waren daarbij natuurlijk niet gewenst. We deden ons werk vanuit de haven van Hellevoetsluis; onze ligplaats was aan de Westkade, tegenover Uiterlinden. ’s Ochtends vroeg vertrokken we en ’s avonds kwamen we weer terug. De schepen werden dan aan de walspanning geknoopt en de bottelier ging aan de gang met de victualiën, die we van de marinekazerne betrokken. Iedere boot had een eigen kok – meer een duvelstoejager – en we aten aan boord.” Van Vugt zat al een paar jaar bij de marine, toen hij voor het eerst de haven van Hellevoetsluis binnenvoer. “Ik was vijftien jaar en acht maanden toen ik bij de marine kwam. Toen we hier gingen vegen, was ik 22, 23 jaar.”

Rijksstraatweg_boek_Pagina_014

Het wachtschip Douwe Aukes, een oude mijnenlegger van de marine, diende louter en alleen nog om in te kwartieren.

Daapse Jaap

De mijnenvegers – scheepjes, noemt Van Vugt ze – waren 34 meter lang en hadden per stuk twee offi cieren, twee onderofficieren en tien manschappen aan boord. “Eén van die tien was ik. De schepelingen waren onderverdeeld in ‘bakken’, een term die nog stamt uit de zeiltijd. Want ze sliepen in bakken in het voorschip. Ik was de bakmeester en moest dus ’s morgens appèl houden: kijken of er geen ziektes waren, of de schoenen goed gepoetst waren en of de haren een acceptabele lengte hadden. Zo niet, dan moest men direct naar de kapper. In de baas z’n tijd.” Niet ver van de vier mijnenvegers lag het wachtschip Douwe Aukes. Wout van Vugt: “Dat was een oude mijnenlegger van de marine. Het schip diende louter en alleen nog om mensen in te kwartieren, die niet langer operationeel waren.” Glunderend: “Er was een commandant aan boord en dat was overste Dasia. Jaap Dasia, heette hij, maar iedereen had het over Daapse Jaap. Hij maakte inderdaad een doorgedraaide indruk. Je had er wel meer in die jaren, en die moesten toch op de een of andere manier aan het werk gehouden worden. Daapse Jaap was overste, een vrij hoge rang voor de onbetekende plaats die hij bezette. Bij de varende vloot hoorde hij niet meer. Nu had je op het achterschip van de Douwe Aukes een kapsalon, waar je in kon kijken zonder dat degene die gekapt werd jou kon zien. De kapper was een vent van de Kaap, van Katendrecht, een verschrikkelijk ruige bonk. Als de commandant onder het mes ging, haalde hij meestal geintjes met hem uit. Hij aaide hem bijvoorbeeld over z’n bol of hij knipte hem zo, dat er nog een klein plukje haar in een staartje onder z’n pet vandaan kwam. De janmaten kwamen dan niet meer bij. Tja, het ging wel om een hele hoge piet; je had eerst Onze Lieve Heer en daarna kwam de overste…”

Rijksstraatweg_boek_Pagina_016

De mijnenvegers aan de Westkade, jaren zestig.

Galons met krul

Nog een lotgeval van Daapse Jaap. Wout van Vugt gaat er eens goed voor zitten. “Er was weinig te doen op de Douwe Aukes. Dus ging men geiten houden, of konijnen. Op een gegeven moment was er een gek, die vond dat er kippen aan boord moesten komen. Hij had een elektronisch broedkastje geregeld, want het moest wel bij het ei beginnen. Het lukte, zodat er na enige tijd kuikens op het dek rondstapten. Ze werden groter en groter. Daapse Jaap kreeg het in de gaten en riep: ‘Potverdorie, het lijkt hier wel een boerderij. Afgelopen! Weg met dat vee; ik wil ’t niet meer zien!’ Nu was er ook een kleermaker aan boord. Die hebben ze zo gek gekregen om voor één kuiken mouwtjes te maken. Met daarop drie galons met krul, net als bij de commandant. Jaap vond het prachtig. En het vee mocht blijven.” Van Vugt kwam om de zeegaten mijnenvrij te maken. Is dat een beetje gelukt? “Nou”, zegt hij met een serieuze blik, “eigenlijk hebben we geen mijn geveegd. Helemaal niks.” Het komt lichtelijk overbodig over: twee jaar inspannend arbeiden – met vier keer veertien mensen – zonder enig resultaat. De korporaal elektromonteur verklaart de doelloze speurtocht te water uit het gegeven dat er nog geen mijnenjagers waren, dat de meeste nog ronddobberende mijnen al lang defect waren en dat de mijnenvegers een overvloed aan apparatuur in hun kielzog moesten meeslepen. “Je had magnetische mijnen, akoestische mijnen en aanrakingsmijnen, en voor elk type hadden we weer aparte apparaten om ze te detecteren. Wat wij deden was niet meer dan het zekere voor het onzekere nemen. Maar dat kostte wel een enorme berg energie. Een werkdag was tamelijk inspannend. Je moest eerst een behoorlijk stuk varen om je werkplek – de monding van de Oosterschelde, bijvoorbeeld - te bereiken en als je daar was stond je de hele dag in een bescheiden hokje de apparatuur in de gaten te houden. ’s Avonds kwamen we heel vaak pas met het donker weer binnen.” Zodra een heel zeegat geveegd was, gaf de marine het gebied vrij en konden de dammenbouwers aan de slag. Spannend was het zeker, zegt Wout van Vugt. “Maar meer doordat we in zo’n klein bootje op een soms heftige zee moesten varen dan door de angst dat er mijnen zouden ontploffen. Dat gebeurde toch niet. Hoewel, je wist dat het altijd een keer kon gebeuren…”

Westkade

Westkade, anno nu (foto Jur Snijders).

Waar is de kroeg?

Van Vugt had het vegen van de Lauwerszee achter de rug, toen hij naar Hellevoetsluis kwam. Het stadje op Voorne was hem niet vreemd. “Vanwege de verkering”, verklaart hij. “Mijn vrouw is hier geboren.” Waarschijnlijk had de jonge marineman meer oog voor haar dan voor Hellevoetsluis, want het slaperige vestingstadje kon op dat moment niet veel indruk op hem maken. “Pas later ben ik er achter gekomen waar het Droogdok ligt. Ach, het interesseerde me gewoon niet. ‘Waar is hier de kroeg?’, daar ging het om. En eventueel de bioscoop. Ja, die was er al. Verder was er niets; je kon een kanon afschieten in de vesting. Bootjesgasten waren er nog niet. Er heerste rust en eigenlijk vonden we dat wel prima, want als je ’s avonds hier binnenvoer, dan had je ’t wel gehad. Dan streek je het vaantje, want de volgende ochtend moest je om zes uur weer op.” Hellevoet bleef trekken. In 1998 kwamen Wout van Vugt en zijn vrouw terug. Om te wonen. De Westkade bijna onder handbereik, het fotoalbum van 1963 en 1964 helemaal.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>