R. Dijkxhoorn
Door: Kees van Rixoort
Luctor et emergo. De strijd tegen het water is een strijd van eeuwen. Het water, in wezen een goede vriend, kon verwoestend en zonder genade toeslaan. Dijken konden de golven niet altijd keren en hele stukken land - vruchtbare polders met boerderijen en nederzettingen – moesten worden prijsgegeven. Doorgaans kwam het water uit het westen, voortgedreven door hevige winden. Maar er is in ieder geval één uitzondering: het water dat in 1944 over Voorne kwam. Dat water kwam uit het oosten. In 1944 zetten de Duitsers de polders onder water. Het Derde Rijk stond er niet rooskleurig voor en de vrees voor geallieerde acties was meer dan gerechtvaardigd. Door het land te inunderen dachten de Duitsers een stokje te steken voor de landing van vijandige vliegtuigen. In het najaar van 1944 stond meer dan de helft van het eiland onder water. Dorpen als Hekelingen, Nieuw-Helvoet en Oudenhoorn werden bijna volledig geëvacueerd. Vanuit Nieuw-Helvoet evacueerden 2146 mensen. Ze kregen onderdak in de omgeving – Brielle, Rockanje, Hellevoetsluis, Nieuwenhoorn en Oostvoorne – maar er was ook gastvrije opvang in verre oorden als Groningen.

‘Dijkshoorn’, na de oorlog speciaalzaak voor lingerie geworden (foto: Jur Snijders).
Lingerie
Een van de Nieuw-Helvoetse evacués was Ridder Dijkxhoorn. Ridder, geboren in 1938, was de zoon van een winkelier aan de Rijksstraatweg. Het magazijn, zoals de zaak te boek stond, was een winkel van sinkel. Van tapijt tot onderbroek. De wagentjes van Dijkxhoorn reden over het hele eiland om de waar te bezorgen. De manufacturenzaak is na de oorlog een speciaalzaak voor lingerie geworden. Maar toen het water kwam was Ridder – een jochie nog – met heel andere dingen bezig. Vijftig jaar na de bevrijding vertelde hij het volgende verhaal. “Heel de polder van Nieuw-Helvoet was ondergelopen. Na de oorlog zijn we tweeënhalf jaar bezig geweest om alles weer schoon te maken, er lag een halve meter ingeklonken modder. Wij moesten ons huis uit en werden in Oostvoorne opgevangen door ene De Vries. Die had daar een textielzaak en was dus een collega. Onze buren gingen naar Hellevoetsluis of Nieuwenhoorn; daar werden heel veel mensen opgevangen.”
Geen toeval
“Wij zouden eerst naar Lekkerland gaan, maar mijn vader kreeg een ingeving. Hij stapte op de fiets en reed richting Oostvoorne. Op de Strypsedijk komt hij een ander tegen, ook op de fiets. Net op tijd herkent hij hem, het was De Vries. Bleek dat ze naar elkaar op weg waren. De een zocht hulp en de ander was onderweg om het aan te bieden. Nee, dat is geen toeval meer te noemen. We hebben daar twee jaar onderdak gekregen; de opvang was zeer liefdevol.” Oostvoorne was het dorp waar de evangelist Van der Meer actief was. Hij was een felle anti-nazi, regelde onderduikadressen en luisterde in het evangelisatiegebouw aan de Achterweg naar verboden radio-uitzendingen. De Duitsers kregen er lucht van, betrapten Van der Meer, vonden bovendien nog wat illegale geschriftjes en fusilleerden de evangelist in de duinen. Zijn gebouw werd in de brand gestoken. Dijkxhoorn: “Dat incident bij het evangelisatiegebouw van Van der Meer herinner ik me nog als de dag van gisteren. Het pand stond in de vlammen en er reed een paard en wagen voorbij met bijbeltjes. Die hadden ze er nog net voor de brand uit kunnen halen. Er stond een Duitse soldaat voor me, met zo’n zware nek. Die stond daar met een paar granaten. Precies zo’n nek zag ik veel later – ver na de oorlog – tijdens een bezoek aan de fabriek van Schiesser in Duitsland. Ik schrok ervan, die oorlogstijd werkt toch verder door dan je denkt.”
Naderend onheil
“M’n vader was van ‘het gebroken geweertje’. Op een gegeven moment moest hij vlaggendienst doen. Langs de weg tussen Brielle en Oostvoorne stonden om de zoveel meter mensen met een witte vlag om vrachtwagens te waarschuwen voor naderend onheil vanuit de lucht. Ik was op een woensdagmiddag met m’n vader meegegaan en ik hoor het hem nog zeggen: ‘Ridder, als er vliegtuigen komen moet je als een speer en zonder om te kijken naar Oostvoorne rennen, want ik vlag niet.” In de opvangplaats Oostvoorne ging vader Dijkxhoorn gewoon door met de verkoop van textiel. “Alleen aan mensen uit onze omgeving, hoor”, zei Ridder. Anders zou De Vries z’n goedheid immers hebben moeten bekopen met omzetverlies. “Vier cent stond er op een washand, terwijl we wel vier gulden hadden kunnen vragen op de zwarte markt. Toch deden we dat niet. We verkochten die washanden gewoon voor vier cent. Maximaal zes stuks per klant.”
Melk in een boek
“Eten en drinken was geen probleem in Oostvoorne”, vervolgde Ridder Dijkxhoorn. “De Vries kende aardig wat mensen en m’n vader had al gauw een adres waar hij melk kon halen. Speciaal daarvoor had hij een boek uitgehold en daarin een tankje gemonteerd. Daar kon precies een liter melk in. Elke dag ging hij boeken ruilen op die boerderij. Steeds hetzelfde boek open en bloot op de bagagedrager. Gelukkig is hij nooit gepakt.” “We fietsten een keer midden in het Overbos. Ik zat achterop bij mijn vader. Het stikte daar van de Duitsers, altijd. Stond er tussen de bomen een Engelsman platen te draaien en te dansen met een Oostvoornse schone. Heel gevaarlijk, met al die Duitsers in de buurt. Het was de eerste keer dat ik een bikini zag.”
Tussen de tramrails
“Er kwamen uitgehongerde mensen vanuit Rotterdam naar Oostvoorne. Een keer zat een lange magere knul kruimels tussen de tramrails vandaan te eten, vlak bij ons voor de deur. Ik moest er erg om lachen en die knul kwam achter me aan. Hij gaf me zo’n pak slaag, dat ik het nog voel. M’n moeder stond in de deuropening te kijken. Ze deed niets, zei alleen dat die jongen gelijk had en dat ik niet had mogen lachen. Ik moest die knul halen en hem mijn twee boterhammen geven. Hij zat enorm te genieten van mijn brood en melk, en bedankte wel tachtig keer. Mijn moeder zei dat hij elke week een boterham mocht komen halen, maar we hebben hem nooit meer gezien. Een wijze levensles was het wel: nu kon ik ook eens voelen wat die jongen dagelijks moest meemaken.” In 1945 was het voorbij. “Tja, de bevrijding”, peinsde Ridder Dijkxhoorn. “Er kwamen Tommies met vrachtwagens door het dorp en ze deelden chocolade en sigaretten uit. ‘Jij krijgt vast wel wat’, zei mijn vader, ‘want jij hebt rood haar en veel van die Engelsen hebben dat ook.’ Maar je moest wel netjes op je beurt wachten. Maar ik was niet brutaal genoeg en kreeg niets. Tja, de bevrijding. Die gaf grote blijdschap. Het was een echte bevrijding, de spanning was weg en je kon jezelf weer ontplooien.” Luctor et emergo, terug naar de Rijksstraatweg, modder verwijderen!

De lingeriezaak aan de Rijksstraatweg (foto: Jur Snijders).