Arie van den Ban
Door: Kees van Rixoort
Twee lange lijnen kruisen elkaar en verdelen het lege landschap in rechte hoeken. Die ene lijn is de straatweg, die andere de kolenpad. De kolenpad? Jazeker, Nieuw-Helvoeters hadden het nooit over de Moriaanseweg. De weg was niet meer dan een pad met kolenas, dus… Die andere lange rechte lijn duidden ze ook nooit aan met de officiële naam. Nee, de Rijksstraatweg, die richting vesting zonder hapering overging in de Brielse Straatweg, heette gewoon de straatweg. Twee lijnen, twee straten. Op de kruising – helder vastgelegd door een vliegende fotograaf in de jaren vijftig – woonde Arie van den Ban. “Je had de straatweg en de kolenpad. En verder niets. Behalve dan de coöperatie en de kern. In de kern zat ik op school. Anderhalve kilometer lopen, we verzamelden bij ons op de hoek en werden door de juf afgemarcheerd over de kolenpad.” Arie van den Ban kijkt een halve eeuw terug en ziet zichzelf weer lopen. Net als op die foto waarop de tamboers en pijpers van Wilhelmina, in de volksmond de fl uitclub, al musicerend over de straatweg schrijden. Precies voor zijn ouderlijk huis. Zelf loopt hij te trommelen, rechts vooraan. De armoede straalt eraf, geen enkel lid van de fl uitclub draagt een uniform. Een stropdas en een petje, meer kon er niet af.

De ‘fluitclub’ marcheert al musicerend over de Straatweg.
Onder water
Arie van den Ban is min of meer vergroeid met Nieuw-Helvoet. Toch is hij er niet geboren. “Mijn geboortejaar is 1944 en toen zat heel Nieuw-Helvoet in Nieuwenhoorn of verder weg. We waren geëvacueerd, Nieuw-Helvoet stond een meter onder water, helemaal tot aan de kanaal toe. Ik ben geboren in de villa naast het voetbalveld, op een zolderkamertje.” Na de inundatie keerde de eenjarige Arie Nieuwenhoorn de rug toe. Het Nieuw-Helvoetse deel van de straatweg lonkte en zou een zekere constante vormen in zijn leven. “Mijn vader was kolenboer. En slijter. Zelf heb ik ook een slijtersdiploma, al heb ik nooit een druppel gedronken. Mijn vader nam de zaak over van mijn opa, die ook Arie van den Ban heette. Ik heb hem nooit gekend, hij overleed in 1938. Mijn opa was boer en op een gegeven moment ging hij er kolen bij verkopen. Met de hondenkar. Maar hij was altijd meer boer dan kolenboer. Bij mijn vader was het net andersom. In 1963 werd het aardgas ontdekt, tijdens de strengste winter sinds tijden. Wat het beste jaar voor de kolenboer had moeten worden, werd het jaar van zijn ondergang. Toen zijn wij begonnen met banden. Ik was niet technisch, maar een band onderzetten, dat kan de grootste sufferd.” De kolenhandel werd na enkele jaren afgestoten. Evenals de slijterij, die tot het laatst een hoop vaste klantjes had. Klantjes die hun fl es bij Van den Ban lieten vullen met een maatje jenever.
Naar Den Briel
Als Arie van den Ban terugkijkt op de straatweg van zijn jonge jaren, schieten de herinneringen en anekdotes als paddestoelen de grond uit. “Ik zat op de HBS en ben zes jaar over de straatweg naar Den Briel gefi etst. Zes jaar, want ik ben één keer blijven zitten. We verzamelden op ‘t Zwaantje en om half acht vertrokken we met tachtig jongens en meiden richting Den Briel. Als het waaide reden de jongens voorop. Ik ben niet één keer met de bus gegaan. Dat werd je aangerekend, dan was je een sul. Nee, wij fietsten. Tien kilometer heen en tien kilometer terug, zes dagen in de week.” “Onderweg was het lachen, gillen, brullen. We zijn nog eens met z’n allen omgedonderd. De hele groep! Het was opeens glad geworden. Natuurlijk waren we allemaal te laat op school. Een andere keer was er een hele groep fi etsers zonder licht Een politieagent stuurde iedereen terug. Maar met een kleine bocht, via de oude straatweg, waren ze zo weer terug op de weg naar school. Niet zo’n slimme agent!”

De Moriaanseweg alias het Kolenpad.
Egaal zwart
Vanuit zijn slaapkamertje kon hij de straatverlichting boven het kruispunt heen en weer zien zwabberen in de wind. “Het was zo’n goedkoop lampje. Het hing aan een draad tussen de telefoonpalen. Alleen het kruispunt was verlicht, voor de rest was het donker. Er liep een sloot langs de straatweg. Tot Dijkxhoorn. Een vieze baggersloot was het en ik ben er talloze keren ingevallen. Eén keer met m’n nieuwe matrozenpakje, egaal zwart kwam ik er uit. Later is die sloot weggehaald.” Wonen op het punt waar die twee lange rechte lijnen van de luchtfoto elkaar kruisten, had zo z’n voordelen. Er was licht, er was leven. En er was dubbele gezelligheid. “Omdat we op het kruispunt woonden, waren we lid van twee buurtverenigingen: Rijksstraatweg Noord en Moriaanseweg West. We hadden de feestweken van Nieuw-Helvoet. En de Drie Eilanden Spelen. Het hele dorp liep uit als de vijftienhonderd meter werd gelopen tussen ‘t Zwaantje en Vermaat. Ik herinner me ook de lichtweek. Alle straten waren dan versierd en iedereen deed mee. Overal werden lampjes opgehangen. Tussen de telefoonpalen, aan de dakranden en in de tuinen stonden zelfs kabouters met lichtjes. Dan was er ook een patatboer. Een zak patat kostte vijftien cent en die betaalden we met een papieren gulden. Iedereen was op straat om te kijken en iedereen was er mee bezig.”

De sloot met de bruggetjes is vanuit de lucht goed te zien.
Andere aanblik
“Er is veel veranderd”, mijmert Arie van den Ban bijna vijftig jaar later. Hij bedoelt het individualisme, dat een lichtweek al lang op de puinhopen van de geschiedenis heeft doen belanden. Maar hij bedoelt ook het aanzien van de straatweg. Hij noemt de bomen die langs de rijbaan stonden. “Heel mooi, ze gaven de straatweg een heel andere aanblik. Net of je beeld kleiner is. Intiem. Als je nog wel eens foto’s ziet uit die tijd, dan kun je bijna niet geloven dat dat de straatweg is.” De straatweg zelf was bedekt met smalle straatsteentjes. Later, in de jaren zestig, werd de weg geasfalteerd. Arie van den Ban glundert en schudt de volgende anekdote uit zijn mouw. “Iedereen kwam altijd met zijn kerstboom naar de hoek, waar wij woonden. En daar, midden op straat, maakten we er een berg van. Arie gooide er banden en olie op en zo gingen we met een vreugdevuur het nieuwe jaar in. Dat deden we ook toen de weg geasfalteerd was. Eén keer, want het asfalt was weggesmolten en grind geworden.”
Geen kanaalbonk
Van den Ban maakte – “door inspiratie en transpiratie” - een succes van zijn autobandenbedrijf en verhuisde zijn zaak deels naar de Molshoek, niet ver van de kanaal. Een kanaalbonk is hij echter nooit geworden. Een echte Hellevoeter evenmin. “Hellevoetsluis was de vijand. Daar werd je als Nieuw-Helvoeter uitgeslagen. Nee, ik niet. Maar ik ging ook nooit alleen.” Geen kanaalbonk, geen Hellevoeter. Arie van den Ban is altijd Nieuw-Helvoeter gebleven. Een jongen van de hoek, een jongen van de kruising van straatweg en kolenpad. “Als mensen naar Van den Ban vragen worden ze altijd naar de Rijksstraatweg gestuurd. En van daar naar de Molshoek. Dat vind ik prachtig!

‘Van den Ban’ anno 2005, deels nog altijd gevestigd aan de Rijksstraatweg (foto: Jur Snijders).
Wat leuk om een stukje over Nieuw-helvoet te lezen.
Als kleuter, verzamelen op het kruispunt van de straatweg, zal ik nooit vergeten. Evenzo de lichtweek, een sprookje in mijn beleving. Het slootje bij “De Zon” op het kruispunt, ben ik zo in gekukelt met mijn fietsje.
Beste Arie, ook ik was een Nieuw-Helvoeter, wat een prachtige tijd aan de Rijksstraatweg, spelen op de kolenbergen op de werf. Ik weet nog als de dag van gisteren dat je een arm brak en dat ik van de schrik als een speer naar huis rende. Wat een leuk verhaal over Nieuw-Helvoet en wat gaat de tijd hard Arie. We zijn nu dikke zestigers. Groeten van een lagere schoolvriend, Jan Lugtenburg, Poortugaal.