Une vie incroyable

‘De Vrijheid, de Woede en het Water’ beschouwt op speelse wijze de moeite die Jan Blanken had om zich te handhaven in de verschillende tijdperken die hij meemaakte als man van lagere afkomst tegenover de regenten, ingenieurs en anderen die van hogere komaf waren. Zijn doorzettingsvermogen, zijn inventiviteit maar ook zijn tactiek en arrogantie speelden hierbij een grote rol.
OPERA SPECTACULAIRE IN DRIE AKTEN
Met ouverture, proloog, twee intermezzi, epiloog en apotheose
Libretto: Frank Herzen
Colofon:
‘De Vrijheid, de Woede en het Water’ werd geschreven door Frank Herzen in opdracht van de stichting Hellevoets Openlucht Theater ter gelegenheid van het cultuurprogramma ‘Havens en Heerlijkheden’ waarmee zeventien Rijnmond-gemeenten deelnemen aan ‘Rotterdam Culturele Hoofdstad van Europa 2001’.
De stichting Hellevoets Openlucht Theater produceert ‘De Vrijheid, de Woede en het Water’ in samenwerking met de stichting Droogdok Jan Blanken Hellevoetsluis op locatie in het monumentale Droogdok Jan Blanken in de historische vesting van Hellevoetsluis.
Regie: Arno Ouwenhand
Muziek: Saskia Apon, Hellevoetsluis,
Décor en aankleding: Brussels Lof, Jos van Doorn, Slijk-Ewijk
Belichting: Johan Veenstra
Organisatie en continuïteit: Marq Oudshoff, stichting H.O.T., Hellevoetsluis
Vormgeving en publiciteit: Reitsma & Snijders Reclamemakers, Ako Reitsma, Brielle
Publieksuitgave libretto: stichting H.O.T. in samenwerking met de gemeente Hellevoetsluis
Auteur: Frank Herzen, Hellevoetsluis
Alle rechten voorbehouden / Hellevoetsluis 2000 / Frank Herzen
Ondersteuning: Kunstgebouw, stichting Kunst en Cultuur Zuid-Holland, Karel Willems, Rijswijk
Sudsidies: Ministerie van Rijkswaterstaat, Provincie Zuid-Holland, stichting Marinestad, gemeente Hellevoetsluis
THEMA
‘De Vrijheid, de Woede en het Water’ beschouwt de moeite die Jan Blanken had om zich te handhaven in de verschillende tijdperken die hij meemaakte als man van lagere afkomst tegenover de regenten, ingenieurs en anderen die van hogere komaf waren. Zijn doorzettingsvermogen, zijn inventiviteit maar ook zijn tactiek en arrogantie speelden hierbij een grote rol.
Rolverdeling:
- Jan Blanken Jansz.
- Maria van Lakerveld: zijn echtgenote
- Niesje: dochter van Jan Blanken Jansz.
- Jan Anthonie: zoon van Jan Blanken Jansz
- Pieter Vreede: patriot, journalist
- De timmerman Van Gogh
- Wilhelmina, prinses van Oranje
- Artillerist
- Koor van patriotten
- Koor van orangisten
- Burgers van Hellevoet
- Willem V: stadhouder
- Generaal Pichegru
- Koor van hannekemaaiers
- Koor van Yuppen
- Koor van Franse soldaten
- Napoleon Bonaparte: keizer der Fransen
- Marie-Louise: zijn echtgenote
- Falck: zijn adjudant
- Goudriaan: inspecteur-generaal van het Noorderkwartier
- Groep notabelen Hellevoetsluis
DE VRIJHEID, DE WOEDE EN HET WATER
OUVERTURE
DE VRIJHEID, DE WOEDE EN HET WATER
PROLOOG
‘EEN HANDVOL STUIVERS’
ZANGER:
Hij is geboren in Bergambacht,
dat is een flink eind hiervandaan.
Zijn vader was daar molenbouwer,
die wist zijn vak wel te verstaan.
Zijn zoon, die hogerop wou komen,
besloot toen nog maar twintig jaar
zijn eerste baantje aan te nemen
voor een handvol stuivers, ‘t is waar!
REFREIN:
Zijn naam was Jan, de zoon van Blanken.
Van rombom, wat maal ik erom.
Hij wist van dik hout zaagt men planken,
Van rombom, wat maal ik erom.
Een man om te bedanken, rombom!
Jan kwam naar Helvoet, voor de forten
En bouwde links en rechts aan onze kust.
Hij deed hier danig van zich spreken
En gunde zich maar nauwelijks rust.
Hij trouwde hier en kreeg drie koters,
Waarachtig ook geen wassen neus!
Verknocht aan Willem en regenten,
‘t ‘ORANJE BOVEN!’ was zijn leus.
REFREIN:
Zijn naam was Jan, de zoon van Blanken.
Van rombom, wat maal ik erom.
Hij wist van dik hout zaagt men planken.
Van rombom, wat maal ik erom.
Een man om te bedanken, rombom!
Voor Hollands vrijheid bleef Jan pal staan,
voor de regenten trouwens ook.
Maar ‘t arm volk, geknecht door Heren,
raakte eindelijk van de kook!
Het kwam in opstand tegen onrecht
en koos de kant der patriot.
Ook Jan deed toen een duit in ‘t zakje,
want wie niet meedeed die was zot!
REFREIN:
Zijn naam was Jan, de zoon van Blanken.
Van rombom, wat maal ik erom.
Hij wist van dik hout zaagt men planken.
Van rombom, wat maal ik erom.
Een man om te bedanken, rombom!
DE VRIJHEID, DE WOEDE
EN HET WATER
Historische achtergrond akte I
‘DE VRIJHEID’
Jan Blanken komt in 1775 naar Hellevoetsluis als Opziender van ‘s Lands Fortificatiën. Hij is dan 20 jaar oud.
Hij wordt op 25 november 1775 aangesteld en legt de Eed van Zuivering af. Hij krijgt een ‘wedde’ van 55 stuivers per dag. Hij gaat wonen in de barakken. Hij huwt in 1777 met Maria van Lakerveld, dochter van een rijke steenfabrikant in Vianen. Ze krijgen drie kinderen: Jan Anthonie, Niesje en Petronella Johanna.
Ons land beleeft dan de tijd van de Republiek der 7 Provinciën, onder stadhouder Willem V. Jan wordt benoemd door de Gecommitteerde Raden, na goedkeuring van de stadhouder en op voorspraak van de controleur-generaal der Hollandse Fortificatiën: C.J. van de Graaff.
Blanken brengt de kust van Voorne-Putten in staat van verdediging door versterkingen te bouwen. Hij wordt ook opziender te Brielle, in 1781. Op 26 september van dit jaar begint in feite de patriottentijd. In dat jaar verhuist Blanken met zijn gezin naar deze vestingstad. Hij wordt tevens onder-luitenant bij de artillerie, in de compagnie van kolonel Du Pont.
Vanaf 1781 verenigen zich de burger-democraten (patriotten). Ze bewapenen zich en richten sinds 1783 exercitiegenootschappen (vrijkorpsen) op.
Het land raakt vanaf 1785 steeds verder in staat van burgeroorlog. In 1787 vindt de echte patriottenrevolutie plaats. Willem V verliest een groot deel van zijn macht en vlucht al in 1785 uit Den Haag naar Nijmegen, weg uit het vijandelijke Holland. Zijn vrouw, Wilhelmina van Pruisen, werd de ballingschap van haar gemaal beu en trachtte naar Den Haag te komen. Zij werd op 28 juni 1787 aangehouden bij Goejanverwellesluis en teruggestuurd door de patriotten (Kezen). Willem V kreeg toen hulp van zijn zwager, de Pruisische koning Frederik Willem II, die door het zenden van een leger van 26.000 man de prins weer in zijn oude luister kon herstellen. In september 1787 waren duizenden patriotten op de vlucht naar Frankrijk en namen de inmiddels afgezette regenten hun plaats weer in. Het patriotse bolwerk stort als een kaartenhuis in elkaar.
Jan Blanken helpt in 1787 tijdens de patriotten revolutie een patriotse vriend door hem zijn sjees te lenen en de Brielse Poort te openen, zodat de arme man naar Brielle kon vluchten. Ook dominee Huygens vlucht uit Hellevoetsluis.
INHOUD EERSTE AKTE
De eerste akte handelt over de komst der patriotten (Kezen) en de patriottenrevolutie. Jan Blanken is onderluitenant der artillerie en moet het land verdedigen tegen de Engelsen. De vierde Engelse oorlog is aan de gang. De orangisten proberen tegen de patriotten in verzet te komen, wat niet lukt. Waar Blanken eerst een fervent oranjeaanhanger was, schaart hij zich zonder moeite onder de patriotten. Hij redt een patriotse vriend van de orangisten.
Bij Goejanverwellesluis wordt de echtgenote van prins Willem V, Wilhelmina, een zuster van de Pruisische koning Frederik Wilhelm II, van Hohenzollern, door de patriotten gevangen gezet op een stapel kaas. Dat brengt de Pruisische koning tot razernij en hij stuurt 26.000 Pruisen naar ons land. De patriotten vluchten in paniek naar Frankrijk. De republiek wordt in ere hersteld. De Pruisen trekken zich terug. Jan Blanken loopt weer met oranje. Hij moet nu het land verdedigen tegen de Fransen die het zuidelijk deel van de Nederlanden al bezet hebben.
DE VRIJHEID, DE WOEDE
EN HET WATER
EERSTE AKTE
‘DE VRIJHEID’
] ] ]
SPREEKSTEM:
Eenmaal ingeburgerd als opziender van de Hollandse Fortificaties krijgt Jan Blanken vanaf het jaar 1780 te maken met de patriotten. Hun vrijkorpsen zetten het land in lichtelaaie. Men vervloekt de houding van de stadhouder Willem V die de Nederlandse vrijheid onderdrukt en men scheldt op de regenten. De vierde Engelse oorlog woedt, de vloot is verwaarloosd, de haringvisserij lamgelegd. Het volk lijdt honger en de ontevredenheid over het beleid van Oranje groeit. Overal in de steden klinken dan ook de opgewonden kreten en spreekkoren van de Kezen tijdens hun exercities…
JAN BLANKEN:
Laden! Richten! Schieten!
Op alles wat beweegt!
Het is een ware artillerist
die voor Hollands vrijheid
en Oranje de valse vijand
van onze kusten veegt!
Dood aan de Engelsman,
weg met de Fransen!
Laden! Richten! Schieten!
Geen traan zal ik vergieten.
Ik denk modern!
Ik grijp mijn kansen!
Ik, Jan Blanken, ik sta pal!
STEM UIT HET PUBLIEK:
Wie is die blaaskaak?
Wie is die kerel in zijn apenpak?
ORANGIST I:
Da’s Jan. Jan Blanken.
JAN BLANKEN:
Natuurlijk!
Het zal niet waar zijn!
Weer zo’n schreeuwerd uit het volk.
ORANGIST II:
Jij komt anders ook uit het volk, Blanken! Die vader van je was een gewone molenbouwer!
ORANGIST I:
En je komt niet eens uit Hellevoet!
JAN BLANKEN:
Op eigen kracht, meneer,
heb ik mij kundig
ontworsteld aan de massa.
Aan het plebs.
Op eigen kracht nam ik
elke barrière!
STEM UIT HET PUBLIEK:
Jawel, ik ken dat!
Jij denkt alleen maar
Aan je eigen carrière!
MARIA VAN LAKERVELD:
Jan! Jan Blanken! Waar zit je, man?
JAN BLANKEN:
Hier, Maria!
MARIA VAN LAKERVELD:
Ze komen, Jan!
JAN BLANKEN:
Ze komen… wie? Ik heb het te druk. Stoor me niet!
MARIA VAN LAKERVELD:
De Kezen, Jan! De patriotten! De revolutie is begonnen! Ze brengen de vrijheid!
NIESJE BLANKEN:
Ik wil een haring, ma!
MARIA VAN LAKERVELD:
Stil jij.
JAN BLANKEN:
Vrijheid, vrouw? Revolutie? Wat klets je toch, Maria! Bemoei je liever met het huishouden! Laat de verdediging maar aan echte kerels over.
KOOR VAN PATRIOTTEN:
Met stengun en geweren , met mitrailleur en vlammenwerper,
revolvers, bommen, messen, baseball-bats en handgranaten,
marcheren wij door Hollands straten, de vrijheid tegemoet.
Weg met Oranje en regenten, geen gevreet van onze centen.
De nieuwe orde komt eraan, wij zullen Holland laten zien
hoe echte vaderlanders onbevreesd in hun gepoetste schoenen staan!
REFREIN:
Hier komen de Kezen, hier komen wij aan.
Wij brengen hier de vrijheid, laat ons maar gaan!
Opzij, opzij met dwingelandij, Oranje gaat eraan!
Oranje gaat de laan uit, Oranje die moet wijken!
Oranje gaat eraan! Al moet het over lijken!
Met schuimspaan en met deegrol, met koekenpan en tandenstoker,
heggenschaar, harken, bezems, kettingzaag en grasmachine
marcheren wij door Hollands steden en vegen alles schoon.
Te lang gekneveld, te lang geknecht, bedonderd door een vals bestuur.
De revolutie is een feit, we zullen Holland laten zien
hoe wij, de patriotten, heel de Oranjekliek in hun hemd laat staan.
REFREIN:
Hier komen de Kezen, hier komen wij aan.
Wij brengen hier de vrijheid, laat ons maar gaan!
Opzij, opzij met dwingelandij, Oranje gaat eraan!
Oranje gaat de laan uit, Oranje die moet wijken!
Oranje gaat eraan! Al moet het over lijken!
PIETER VREEDE:
Wij hebben er genoeg van om ons te laten ringeloren!
Wij zijn te vaak van ‘t kastje naar de muur gestuurd!
Wij willen niet meer naar de pijpen van Oranje dansen.
Het roer moet om! Zoals het ging daar bij de Fransen!
Nu is de beurt aan Holland! Het heeft te lang geduurd.
REFREIN:
Hier komen de Kezen, hier komen wij aan.
Wij brengen hier de vrijheid, laat ons maar gaan!
Opzij, opzij met dwingelandij, Oranje gaat eraan!
Oranje gaat de laan uit, Oranje die moet wijken!
Oranje gaat eraan! Al moet het over lijken!
PIETER VREEDE:
Mijn waarde heer Blanken,
Ik zie dat u nog steeds oranje draagt?
JAN BLANKEN:
Inderdaad, mijnheer Vreede.
Wat is daar mis mee?
PIETER VREEDE:
Het roer gaat om, mijnheer.
We varen nu een andere koers.
JAN BLANKEN:
Wat u zegt, mijnheer Vreede.
Staat nu ineens een ander stuurman
dan de stadhouder aan het roer
van het schip van Staat?
PIETER VREEDE:
Inderdaad.
Wij hebben de prins uit Den Haag gejaagd.
Wij patriotten gaan scheep in het schip der vrijheid.
U vaart toch mee, heer Blanken?
JAN BLANKEN:
Ik vaar liever mijn eigen koers,
Als u het niet erg vindt.
Maar als ik u een plezier kan doen,
prins of patriot,
Het is mij om het even,
de wereld is toch zot!
KOOR VAN ORANGISTEN:
Verrader!
Afvallige!
Wij krijgen je wel!
KOOR VAN ORANGISTEN:
Wij zijn de Orangisten, de toppers in dit land!
Wij kunnen niet verliezen, daarvoor zijn wij te goed.
Dit wordt een rondje knokken, de boel gaat in de brand.
Wij zijn de fans van Willem, supporters van ons land!
REFREIN:
Aanvallen!
Wij willen de prins, wij willen zijn wijf.
Wij willen Willem en Willemien!
Wij zijn van Oranje, wij gaan voor de winst.
Wij willen die Kezen hier niet meer zien!
Nu niet geaarzeld, ze hebben geen keus.
Oranje boven is onze leus!
Wij zijn de Orangisten, de hoeders van de club!
Wij gaan de Kezen slopen, al kost dat ook ons bloed.
Kom broeders grijpt de wapens, de stokken en het mes.
Wij leren al die Kezen waarachtig eens de les!
REFREIN:
Wij zijn de Orangisten, wij kennen maar één doel!
Dat doel heet patriotten, tuig met hun grote smoel!
We laten ons niet kisten, we schoppen ze er uit.
Het gaat niet om de knikkers, het gaat ons om de buit!
ARTILLERIST:
Moeten we schieten, luitenant?
JAN BLANKEN:
Nu even niet, mannen!
MARIA VAN LAKERVELD:
Maar Jan!
Dat kun je toch niet doen?
Zo ken ik je niet!
ARIA:
Mannen! Wat moet een vrouw met mannen?
Eigenwijs en zelfgenoegzaam, trots en ijdel.
Mannen! Ze vragen je om eten, je schenkt ze wijn,
ze nemen je in bed, je kunt misschien nog wel
een slaperig zoentje krijgen,
maar verder dient een vrouw te zwijgen.
Je bent geen baas in eigen buik,
je mag alleen maar pootjes geven.
Mannen, je kunt er eigenlijk niet mee leven.
Mannen! Wat moet een vrouw met mannen?
Bevelend, vooral veeleisend, vaak ook gekrenkt.
Mannen! Ze denken het te weten, je geeft ze raad,
maar altijd vang je bot, je kunt misschien nog wel
een goedkeurend knikje krijgen,
maar verder dient een vrouw te zwijgen.
Je bent geen baas in eigen buik,
Je mag alleen maar pootjes geven.
Mannen, je kunt er eigenlijk niet mee leven.
NIESJE BLANKEN:
Ik wil een haring, ma!
MARIA VAN LAKERVELD:
Houd je mond, kind!
JAN BLANKEN:
Tegen de stroom inroeien heeft geen zin, vrouw.
Wat maakt het voor de drommel uit?
ARIA:
Als wij maar overleven.
De een die gaat, de ander komt.
De slimme is het om het even!
En allemaal graaien ze uit de trog
En vreten uit de ruif.
Zo was het vroeger, zo is het nog.
Maar ik, Jan Blanken,
Voel mij als een vis in ‘t water
en zwem overal tussendoor.
Ik vind bij alle overheden
steeds een gewillig oor.
ORANGIST I:
Zie je dat? Hoor je dat?
Die Blanken heeft weer wat!
De wind waait oost,
de wind waait west.
Hij waait met alle winden mee.
ORANGIST II:
Geen wonder,
hij heeft het niet van een vreemde!
Zijn vader is immers molenmaker?
Hij is een windbuil, dat is hij.
ORANGIST I:
Daar!
Is dat niet die timmerman?
Die Van Gogh?
Dat is ook een patriot!
ORANGIST II:
Grijp hem in zijn kladden!
Lynch die kerel!
JAN BLANKEN:
O vaderland, mijn vaderland,
Wat is er met jou aan de hand?
Gisteren nog zo vredig,
vandaag sta je weer in brand.
Maar ‘t is waar, de aarde draait,
De wereld tolt in ‘t rond
en we draaien allemaal mee.
Wie zal zeggen waar het eind is,
wie kent het doel van dit bestaan?
Het is dus beter, dan te wachten,
Zijn zelfgekozen weg te gaan.
MARIA VAN LAKERVELD:
Jan! Bemoei je er niet mee! Denk om de kinderen!
NIESJE BLANKEN:
Ik wil een haring, ma!
MARIA VAN LAKERVELD:
Zeur niet, kind.
VAN GOGH:
Meneer Blanken! Meneer Blanken! Ze vermoorden me!
JAN BLANKEN:
Dat is niet ongewoon in deze tijd.
ARTILLERIST:
Moeten we nou schieten, luitenant?
JAN BLANKEN:
Even niet, mannen!
Hier, brave borst, de sleutel van de poort.
Maak dat je naar Den Briel komt.
Daar ben je veilig naar ik heb gehoord.
VAN GOGH:
Dank u wel, mijnheer Blanken!
De Heer zal het u lonen!
Want ik kan het niet!
PIETER VREEDE:
Een moedige daad, heer Blanken!
ARTILLERIST:
We willen schieten, luitenant!
JAN BLANKEN:
Zijn er Engelsen in de buurt?
ARTILLERIST:
Niemand te zien, luitenant!
Alleen wat herrie, op zee!
JAN BLANKEN:
Dan wordt er niet geschoten.
Op eigen volk schiet men niet.
ORANGIST I:
Dat zal je ook geraden zijn, Blanken!
KOOR VAN ORANGISTEN:
Jan Blanken kan niet schieten,
hij is bang dat hij ons mist.
Jan Blanken heeft een grote mond,
maar nog groter is de bek
van een waarlijk orangist!
KOOR VAN PATRIOTTEN:
Jan Blanken is een vriend van ‘t volk!
Een steunpilaar van patriotten,
Die zich door oranje niet meer laat bedotten!
SPREEKSTEM:
Dan wordt, bij Goejanverwellesluis, prinses Wilhelmina, de echtgenote van de stadhouder, gevangen gezet op een stapel kaas. Zij probeerde de macht van haar gemaal
te herstellen. Willem zelf was naar Nijmegen gevlucht, omdat de grond in Den Haag hem te heet onder de voeten werd…
MARIA VAN LAKERVELD:
Gut, Jan, kijk nou toch. Die arme vrouw. Daar zit ze nou.
JAN BLANKEN:
‘t Is waarachtig de Willemien!
NIESJE BLANKEN:
Ik wil een haring, ma!
MARIA VAN LAKERVELD:
Je kan een draai om je oren krijgen!
KOOR VAN PATRIOTTEN:
De Willemien, de Willemien,
die willen we hier niet meer zien!
De tijd van Willem is voorbij,
het is gedaan met dwingelandij!
Daar zit ze op haar stapel kaas,
Wie heeft ooit zoiets gezien?
MARIA VAN LAKERVELD:
Haar vader heeft toch een oorlogsverleden?
JAN BLANKEN:
Luister, mijnheer Vreede, dat kunnen jullie niet maken.
Zo’n hooggeplaatste dame. Ze is geen Edammer!
PIETER VREEDE:
Ze is nu ook hoog geplaatst, meneer Blanken.
WILHELMINA:
Onteerd!
Geschandvlekt door bezopen woestelingen.
Die in dit land hun smerig liedje zingen.
Onteerd!
Vernederd door het liederlijk gespuis
Dat de Fransoos ziet als hun vaderhuis.
KOOR VAN ORANGISTEN:
‘t Is een schande, ‘t blijft een schande,
heel die vuige patriottenkliek.
‘t Is een schande, ‘t blijft een schande,
‘t Is een bloedblaar op de republiek!
WILHELMINA:
Onteerd!
Beschimpt door dronken Kezen vol met puisten,
die mij beroerden met hun vieze knuisten!
Onteerd!
Ik! Wilhelmina, van het Pruisisch bloed,
Dat jaren gold als allerhoogste goed.
KOOR VAN ORANGISTEN:
‘t Is een schande, ‘t blijft een schande,
heel die vuige patriottenkliek.
‘t Is een schande, ‘t blijft een schande,
‘t is een bloedblaar op de republiek!
WILHELMINA:
Onteerd!
Wat blijft mij over? Terug naar mijn gemaal.
Om te berichten van dit schandelijk onthaal.
Onteerd!
Maar wees gewaarschuwd, mijn broer de Pruis,
verwoest meedogenloos uw kaartenhuis!
ARTILLERIST:
Moeten we nou schieten, luitenant?
JAN BLANKEN:
Zijn het Engelsen?
ARTILLERIST:
Nee, luitenant! Pruisen! Er komen er twintigduizend deze kant op!
JAN BLANKEN:
Dan niet schieten!
PATRIOT:
Weg, mannen, weg!
Redt het vege lijf!
PATRIOT:
Naar Frankrijk!
KOOR VAN ORANGISTEN:
Wunderbar! Wunderbar!
De Pruisen zijn in ‘t land!
Wunderbar! Wunderbar!
De redders van ons land!
Wunderbar! Wunderbar!
Nu komt het wel in orde!
De Pruisen zijn in ‘t land!
Er komt een nieuwe orde!
NIESJE BLANKEN:
Ma! Ik wil een haring!
MARIA VAN LAKERVELD:
Vooruit dan maar, neem maar een haring!
De eerste akte is nu toch voorbij!
Einde eerste akte
DE VRIJHEID, DE WOEDE
EN HET WATER
INTERMEZZO I
‘EEN JONGEN UIT HET VOLK’
] ] ]
ZANGER:
Jan Blanken deed een forse gooi
naar officier bij de genie.
Die heren zagen hem niet zitten,
die wilden Blanken nie.
Ze waren allemaal
van hogere komaf,
Jan was een jongen uit het volk.
Ze gooiden hem er vierkant uit,
en waren van hem af!
REFREIN:
Daar werd Jan flink pissig om,
dat maakte hem goed kwaad.
Maar buigen, nee, dat deed hij niet,
Want hij stak in een goed vel.
Van poeha moest hij niets hebben,
maar een vechter was hij wel.
Van poeha moest hij niets hebben,
maar een vechter was hij wel!
De Fransen kwamen aan de grens
en onze Jan stond daar dus pal.
Hij kreeg bevel terug te trekken,
moest doen wat men beval.
In plaats van stuk voor stuk
de vijand te verslaan
stond Blanken netjes in zijn hemd.
Zo trok de Fransman Holland in
en onze Jan kon gaan!
REFREIN:
Daar werd Jan flink pissig om,
dat maakte hem goed kwaad.
Maar buigen, nee, dat deed hij niet,
Want hij stak in een goed vel.
Van poeha moest hij niets hebben,
maar een vechter was hij wel.
Van poeha moest hij niets hebben,
maar een vechter was hij wel!
Toen Jan eenmaal de opdracht kreeg
in Helvoetsluis aan ‘t werk te gaan
en droge dokken te gaan bouwen
toen was de boot daar aan.
Er was nooit geld genoeg,
maar er was wel kritiek.
Ze vonden Jan maar eigenwijs,
de lieden van de pen voorop
en de batavenkliek.
REFREIN:
Daar werd Jan flink pissig om,
dat maakte hem goed kwaad.
Maar buigen, nee, dat deed hij niet,
Want hij stak in een goed vel.
Van poeha moest hij niets hebben,
maar een vechter was hij wel.
Van poeha moest hij niets hebben,
maar een vechter was hij wel!
DE VRIJHEID, DE WOEDE
EN HET WATER
Historische achtergrond akte II
‘DE WOEDE’
In 1795, nadat Willem V naar Engeland is gevlucht, is in ons land de Bataafse Republiek ontstaan. Deze zal duren tot de komst van de broer van Napoleon Bonaparte, Lodewijk Napoleon in 1806.
Jan Blanken kreeg in 1795 het bevel om Oudewater tegen de oprukkende Fransen te verdedigen. Hij kreeg echter bevel om te capituleren toen de Fransen onder Pichegru na een snelle tocht over de bevroren rivieren Utrecht hadden bereikt.
De intocht van de Fransen had iets van een carnaval, dat zich ‘ín vroolyckheid voltrok’ schreef een Britse waarnemer. Steden vol Franse driekleuren, revolutionaire aanplakbiljetten en de zwarte kokardes van de terugkerende patriotten.
Hij was verknocht aan het Huis van Oranje. Zijn eerste reactie bij de komst van de Fransen was dan ook om te worden ontslagen uit de militaire dienst. Maar de nieuwe Staten van Holland benoemde hem samen met o.a. J.D. Huichelbos van Liender onmiddellijk tot lid van een commissie van toezicht over de zeedijken van Holland onder voorzitterschap van Christiaan Brunings. Blanken werd ook betrokken bij de marinezaken van het nieuwe bewind.
Sinds de stichting van de Bataafse Republiek was Engeland weer tegenstander geworden. In 1796 publiceerde hij een verhandeling bij het Bataafs Genootschap te Rotterdam waarin hij uiteenzette dat het ook in de slappe Nederlandse grond mogelijk moest zijn om droogdokken te bouwen waarin oorlogsschepen weer snel gevechtsklaar konden worden gemaakt. Na deze verhandeling werd hij met de equipagemeester J.P. Asmus naar Frankrijk gestuurd om de daar bestaande dokken en kustversterkingen te bestuderen en bij terugkomst kreeg hij de opdracht voor het bouwen van een grote zeesluis en de aanleg van twee dokken in Hellevoetsluis en werd hij benoemd tot directeur.
In 1798 heeft er een staatsgreep plaats door de moderaten H. Daendels, I. Gogol en J.Spoors waarbij een einde werd gemaakt aan het democratisch bewind van Pieter Vreede. Het nieuwe Intermediair Bewind begint aan de opbouw van de staat en het bestuur volgens de ideeën van de Verlichting.
Vanaf juli 1798 werkte Jan Blanken aan de dokplannen, onder toezicht van een commissie die aan de agenten rapporteerde. In 1799 gaf Blanken een lezing aan de hand van tekeningen van de Franse reis en zijn dokplan voor de regeringsleden.
Tussen 1798 en 1802 vorderden de dokwerken gestaag, maar toen ontstond er geldgebrek en onenigheid tussen de commissieleden en de directeur. Hij kreeg wel toestemming zijn plan voor een vuurmachine te realiseren. Het werd een stoommachine uit Engeland. In 1800 gingen Blanken en Huichelbos van Liender naar Hamburg om over te steken naar Engeland. Hier werd hen ontraden om naar het vijandige Engeland te gaan.
In 1801 werd de stoommachine vanuit Engeland naar Holland gesmokkeld en afgeleverd. James Watt wilde alleen ijzeren pompen, Blanken koos voor zes eigen pompen extra van hout, die het na korte tijd, bij de eerste proef in 1802 begaven.
In 1802 werd Blankens verzoek om te mogen toetreden tot het ingenieurscorps van de genie geweigerd doordat het hele ingenieurscorps in opstand kwam. De ingenieurs twijfelden behalve aan Blankens militaire ervaring bij de verdediging van vestingwerken, vooral aan diens militaire rang van artillerie-officier die Blanken volgens hen had verloren bij de omwenteling. De protesten waren ingegeven door het standsverschil. De ingenieurs behoorden tot de hogere kringen, Blanken was van mindere afkomst.
Het Staatsbewind benoemde Blanken echter in 1803 tot luitenant-kolonel der Bataafse Armee en zond hem met W. Six en J. Jacobson op een diplomatieke missie naar Parijs voor de onderhandelingen met de Eerste Consul Bonaparte over de militaire bijdrage van de ‘zusterrepubliek’ in de oorlog tegen Engeland. Bonaparte wees de neutraliteit af en eiste een hoge militaire bijdrage, de levering van schepen en soldaten voor de invasie van Engeland.
Eind 1803 verhuisde Blanken vanuit Brielle naar Den Haag, nadat hij benoemd was tot inspecteur van de zeehavens en zeegaten in het Zuiderkwartier van Holland.
In 1806 was de bouw van het kieldok in Hellevoetsluis een feit. Het timmerdok lag nog braak. Jan Blanken kreeg in 1804-1805 ruzie met de commissieleden die zijn ontwerp voor de afbouw van het dok veranderden. Vanaf 1806 weigerde Blanken om nog te vergaderen en de werken werden gestaakt.
INHOUD TWEEDE AKTE
In 1795 vlucht stadhouder Willem V met zijn familie naar Engeland om nooit meer terug te keren. De Bataafse republiek wordt uitgeroepen. Onder generaal Pichegru trekken de Franse legers ons land binnen, vergezeld van de triomfantelijk terugkerende patriotten. Jan Blanken kreeg bevel om Oudewater te verdedigen, maar nadat de Fransen Utrecht hadden bereikt kreeg hij bevel te capituleren. Blanken, eerder een overtuigd Orangist, had geen moeite zich aan het nieuwe bewind aan te passen. Hij werd eerst lid van de commissie van toezicht over de zeedijken van Holland onder Christiaan Brunings. In 1797 maakte Blanken een reis naar Frankrijk. In 1798 werd Blanken Directeur van de Sluis- en Dokwerken in Hellevoetsluis. Hij diende verantwoording af te leggen aan een zware commissie. Blanken bouwde het kieldok van 1802 – 1806. Het timmerdok volgde pas in 1821-1824. Blanken werd een adept van Napoleon die ons land in 1811 bezocht.
In 1804 riep Napoleon Bonaparte zichzelf tot keizer van de Fransen uit. In 1805 had er een staatsgreep plaats, voornamelijk het gevolg van Napoleons onvrede over het gebrek aan medewerking van de republiek, in het geval van levering van manschappen en geld, en over de lakse houding van de republiek in de economische blokkade tegen Engeland. In 1806 werd ons land het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon, een broer van Napoleon Bonaparte. In 1810 werd Holland ingelijfd bij Frankrijk.
DE VRIJHEID, DE WOEDE
EN HET WATER
TWEEDE AKTE
‘DE WOEDE’
] ] ]
Muziek: Saskia Apon
SPREEKSTEM:
In het jaar 1795 vlucht de stadhouder Willem de Vijfde en zijn familie naar Engeland om nooit meer terug te keren. De Bataafse republiek wordt ingesteld. Onder generaal Pichegru trekken de Fransen over de bevroren rivieren ons land binnen. Jan Blanken, die tot taak heeft ons land te verdedigen bij Oudewater, krijgt bevel te capituleren. Hij omhelst het nieuwe bewind dat hem nieuwe carrièrekansen biedt.
In het jaar 1802 krijgt Blanken van het Directoraat de opdracht om Hellevoetsluis geschikt te maken als marinehaven. Hij wordt directeur en begint ook zijn dokplannnen uit te voeren.
WILLEM V:
Hoe kon dit volk mijn vijand worden,
de onderdanen die ik steeds beschermde.
Dit volk, dit Holland, mijn ziel en zaligheid
waarover ik mij dag en nacht ontfermde.
Men kotst mij uit, verwijt mij wanbeleid,
belaagd word ik door Franse horden.
REFREIN:
Het is voorbij, het is gedaan,
ik kan niet blijven, ik moet gaan,
dit land heeft mij verraden.
Mijn volk, ik keer hier nimmer meer,
trek aan mijn stutten, verwacht een ander heer!
KOOR VAN PATRIOTTEN:
Hij gaat een ander liedje zingen,
Vive le son, vive le son.
Zijn regering staat op springen,
Vive le son du canon!
WILLEM V:
Hoe kon een land zo trouwloos varen,
zo snel vergeten wie het goed bestuurde.
Dit volk, dit Holland, mijn zorg en hartebloed,
waarvoor ik al hoon en spot verduurde,
dat jaagt mij weg, ontkent mijn kracht en moed,
verwijt mij thans de beste jaren.
REFREIN:
Het is voorbij, het is gedaan,
ik kan niet blijven, ik moet gaan,
dit land heeft mij verraden.
Mijn volk, ik keer hier nimmer meer,
trek aan mijn stutten, verwacht een ander heer!
KOOR VAN PATRIOTTEN:
Hij gaat een ander liedje zingen,
vive le son, vive le son.
Zijn regering staat op springen,
vive le son du canon!
WILLEM V:
Zwart wordt de nacht,
zwart zijn de cocarden.
Zwart is de toekomst van mijn vaderland.
Maar ik ga varen, ik ga varen,
naar het veilig Engeland!
KOOR VAN PATRIOTTEN:
Hang op, hang op, hang op,
Alle arristo’s aan de lantaren!
Hang op, hang op, hang op,
Alle arristo’s aan de strop!
Zo dansen wij de carmagnole,
Vive le son, vive le son,
Zo dansen wij de carmagnole,
Vive le son du canon!
GENERAAL PICHEGRU:
Burgers en burgeressen!
Voor u staat generaal Pichegru!
De beroemde, de onoverwinnelijke Pichegru!
KOOR VAN PATRIOTTEN:
Hoezee! Hoezee! Hoezee!
GENERAAL PICHEGRU:
Maar wij komen niet als overwinnaars.
Wij komen als vrienden!
KOOR VAN PATRIOTTEN:
Driemaal hoezee voor de generaal!
Hoezee! Hoezee! Hoezee!
GENERAAL PICHEGRU:
Op, mannen! Naar Utrecht! En is er weerstand, sla ze neer!
MARIA VAN LAKERVELD:
Jan! Wat ben je nu toch allemaal aan het doen? De kinderen hebben je al maanden niet gezien! Eerst die lange reis naar Frankrijk. Dan al die vergaderingen.
JAN BLANKEN:
Ik heb een droom, Maria. Een droom van droge dokken. Ik ga een droogdok bouwen!
MARIA VAN LAKERVELD:
Kom nou toch, Jan. Zorg nou maar dat je de haven hier herstelt. Daar heb je werk genoeg aan. Droge dokken, het zou wat. Dit hele land is zeiknat!
JAN BLANKEN:
Je begrijpt het niet. Maria. Deze droge dokken worden mijn levenswerk.
MARIA VAN LAKERVELD:
Je meent het! En wie zal die droge dokken van jou dan graven? Jij kan nog geen schop vasthouden!
JAN BLANKEN:
Daar heb ik mijn hannekemaaiers voor. Die staan al aan de poort!
HANNEKEMAAIERS:
Steek de schop maar in de grond,
wij zijn de hannekemaaiers.
We komen van Westfalen
en van het bovenland.
We spitten en we graven,
we hollen de wereld uit.
Straks delven we ook ons eigen graf
en dansen tot besluit.
JAN BLANKEN:
De haven, kerels!
Krom de ruggen!
HANNEKEMAAIERS:
Steek de schop maar in de grond,
wij zijn de hannekemaaiers.
We werken voor wat stuivers
en voor een karig maal.
We zweten en we zuchten,
en krijgen te weinig slaap.
Als straks het werk gedaan is
dan staan wij mooi voor aap.
JAN BLANKEN:
Op naar het Groote Dok, kerels!
De blubber in de karren!
HANNEKEMAAIERS:
Steek de schop maar in de grond,
wij zijn de hannekemaaiers.
We sloven voor de heren
en voor een habbekrats.
We weten dat we sterven
in dit verdoemd bestaan.
Maar zonder ons geen donder,
dan wordt er niks gedaan.
Klompendans
JAN BLANKEN:
En dan nu… het Droogdok!
Mijn droom!
Tot heil en eer van Holland
en van dit Helvoetsluis!
HANNEKEMAAIERS:
Steek de schop maar in de grond,
wij zijn de hannekemaaiers.
We komen van Westfalen
en van het bovenland.
Straks als de boel hier klaar is,
dan gaan we toch weer naar huis.
Daar wachten wijf en koters,
daar voelen we ons thuis.
JAN BLANKEN:
Waar Willem niets van wilde weten,
ben ik nog altijd niet vergeten.
Een droogdok, pompen in een huis,
dit wordt mijn levenswerk in Helvoetsluis.
Helaas heb ik te maken met lieden van de pen.
Die wonderlijke snaken waar ik op tegen ben.
Ze smiespelen en smoezen, ze houden mij maar op.
Ze hebben slechts hun reglementen
en geen ogen in hun kop.
Een droogdok, mijne heren! Dat is de toekomst.
YUP I:
Kan hij dat?
YUP II:
Men zegt het.
HOOFDYUP:
Het is hem opgedragen door het nieuwe bewind.
JAN BLANKEN:
Een droogdok, mijne heren, met een pomphuis en een vuurmachine!
YUP III:
Hij heeft ze niet allemaal op een rijtje!
YUP IV:
Het is hem in zijn bol geslagen!
YUP V:
Ik wist het. Hij steekt de boel in brand.
YUP VI:
Hij gooit de knuppel in het hoenderhok!
JAN BLANKEN:
Molens zijn uit, mijne heren!
YUP VII:
Ze moeten de man kielhalen!
JAN BLANKEN:
Stoom is de toekomst!
HOOFDYUP:
Slechts de koninklijke route, heer Blanken! Denk daaraan!
Yuppen doodstil aan tafel.
HANNEKEMAAIERS:
Wij zijn de hannekemaaiers,
ons werk is nu gedaan.
De schoppen op de schouder
en vlug naar huis gegaan.
Vaarwel mijnheer Blanken!
Vaarwel Helvoetsluis!
Nog voor de winter aankomt
zijn wij weer thuis!
Jan Blanken is de bouwer
van het pomphuis en het dok,
hij verhuisde van de vesting naar Den Briel!
Hij vond geen rust en hij was nooit klaar
en hij hield niet van de ambtenaar,
maar het droogdok was zijn hele hart en ziel!
SPREEKSTEM:
In het jaar onzes heren 1802 wordt de eerste steen van het droogdok gelegd. De bouw kan beginnen. Blanken viert deze steenlegging met een feest. Hij zet tenten op de dokbodem, vaten bier en wijn worden aangevoerd en er wordt een maaltijd aangericht…
Tot het jaar 1806 vordert de bouw. Dan ontstaan er steeds weer nieuwe conflicten…
JAN BLANKEN:
Stenen heb ik nodig, mijne heren!
YUP VIII:
Te duur!
JAN BLANKEN:
Eikenhout voor mijn banketten!
YUP IX:
Een aanvraag in zesvoud indienen!
JAN BLANKEN:
Natuursteen voor aanslagdorpel!
YUP X:
Wij willen dat u die in hout uitvoert, heer Blanken!
JAN BLANKEN:
Ik pieker er niet over!
YUP I:
Helaas, wij wel, heer Blanken!
HOOFDYUP:
Het blijkt, heer Blanken, dat u steeds naar eigen inzicht handelt.
YUP II:
Naar eigen inzicht!
ALLE YUPPEN:
Dat gaat niet aan! U dient zich te houden aan de voorschriften!
JAN BLANKEN:
Voorschriften, regels en verordeningen!
Paragrafen, voetnoot, afschriften en wetten!
Oponthoud, tegenwerking, afschuifpolitiek,
daartegen dient een man als ik zich te verzetten!
HOOFDYUP:
U gaat te ver, heer Blanken!
JAN BLANKEN:
Regenten, vrouwen, vorsten en prelaten,
kermisklanten, onwil, naijver en leugen!
Waar kan een man als ik nog zijn liedje zingen?
Het is toch werkelijk om uit je vel te springen!
YUPPEN:
Wij kunnen dit niet tolereren, heer Blanken!
JAN BLANKEN:
Dan is het afgelopen, mijne heren!
U zult mij niet meer ter vergadering zien!
Het is gedaan, zo kan ik hier niet werken!
Een man als ik hoort in een groter wereld thuis.
Zoals Den Haag, waar welvaart is te merken,
Da’s heel wat anders dan het gemiezemuis!
REFREIN:
Dag Helvoet, ik groet je,
ik laat je nu alleen.
Droom maar fijn van vooruitgang,
slaap maar lekker,
de Fransoos houdt wel de wacht.
Droom van domheid en van afgang,
dag mijn Helvoet, ik wens je goedenacht.
Het is gedaan, ik ga mij thans ontplooien!
Een man als ik heeft toch een breed’re blik.
Wat zal ik dan nog verder staan te klooien,
Van dat gedonder hier krijg ik compleet de hik!
REFREIN:
Het is gedaan, het mag je wel bekommen!
Een man als ik hoort op het hoogste plan.
Dit is een dorp met dreutels en met dommen,
die niet begrijpen dat de wereld groter kan!
REFREIN:
Einde tweede akte
DE VRIJHEID, DE WOEDE
EN HET WATER
INTERMEZZO II
‘WIE EEN KANAAL GRAAFT VOOR EEN ANDER…’
] ] ]
ZANGER:
Jan kende Nappie als zijn broekzak,
hij wond hem om zijn vinger heen.
Boog voor de keizer als een knipmes
en zong zijn lied voor hem alleen.
Ook met Lodewijk, zijn broertje,
kon hij makkelijk door één deur.
Toen ook de waaiersluis een feit was
werd hij benoemd tot inspecteur.
REFREIN:
Maar al zijn vleien en zijn kronkels,
ze kwamen Jan nog duur te staan.
Want wie het onderst uit de kan wil hebben,
krijgt het deksel op zijn neus.
En wie een kanaal graaft voor ander,
zal door het water nog vergaan.
Voor de keizer mocht Jan bouwen
een grote stad aan het Nieuwe Diep.
Het was ook daar dat hij op stoom ging
en zijn tweede droogdok schiep.
Maar ook de besten maken fouten
en het dok daar zakte scheef.
Alleen het werk van vele mannen
zorgde dat het daarbij bleef.
REFREIN:
Toen de keizer was gevallen
sloot Jan zich aan bij Willem Een.
Voor hem bouwde hij kanalen,
daar was hij goed in naar het scheen.
Totdat eindelijk Blankens onwil
om de koning te verstaan,
met zijn houding en zijn woede
hem de das heeft omgedaan.
REFREIN:
DE VRIJHEID, DE WOEDE
EN HET WATER
Historische achtergrond akte III
‘HET WATER’
Het koninkrijk Holland bestaat van 1806 – 1810. De broer van Napoleon Bonaparte, Lodewijk Napoleon, is in ons land aan de macht. Hij werd als koning afgezet wegens onvoldoende behartiging van de Franse belangen. Toen een Frans bezettingsleger naderde koos Lodewijk eieren voor zijn geld en trad af, waarop Holland bij Frankrijk werd ingelijfd.
Lodewijk Napoleon was de opvolger van de laatste gezaghebber van de Bataafse Republiek, de raadspensionaris Schimmelpenninck. In 1809 zorgde Lodewijk voor een Burgerlijk- en een Strafwetboek. Het metrieke stelsel werd ingevoerd en er werden maatregelen getroffen tot emancipatie van joden en katholieken.
Onder Lodewijk Napoleon kwam de carrière van Jan Blanken weer in een stroomversnelling. Er werd een professioneel waterstaatskorps opgericht onder leiding van Inspecteur-Generaal F.W. Conrad. Blanken werd benoemd tot Inspecteur in Zuid-Holland. Na de dood van Conrad werden Blanken en A.F. Goudriaan in 1808 tot Inspecteur-Generaal benoemd.
Blanken publiceerde in 1808 een nieuwe vinding, een zogenaamde waaiersluis. Hij bouwde met zijn broer Arie Blanken een proefsluis te IJsselstein bij wijze van tentoonstelling voor het publiek, waaronder Lodewijk Napoleon. De originaliteit van de waaiersluis werd echter door Goudriaan bestreden en er ontstond een heftige ruzie tussen de twee, die een leven lang zou duren.
In 1807 werd Blanken Ridder in de Orde van de Unie. In 1808 werd hij lid van de Koninklijke Maatschappij van Wetenschappen, benoemd door de koning. Daardoor kreeg hij toegang tot de wetenschappelijke kringen en kwam in contact met geleerden als Kraijenhoff en de wiskundige J. Florijn.
De waaiersluizen werden op grote schaal toegepast na de watersnoden in 1808-1809. Blanken onderscheidde zich ook tijdens de invasie van Zeeland door de Engelsen.
Jan Blanken gaat in de zomer van 1810, na de inlijving bij Frankrijk, voor de derde keer naar Parijs. Hier werkt hij samen met de minister van financiën Gogol, de jurist Van Maanen, de generaal Dirk van Hogendorp en de admiraal VerHeull voor keizer Napoleon gedwee de annexatiebepalingen uit.
Enkelen van deze bepalingen waren:
- Volledige invoering van Franse wetten
- Strenge toepassing van het continentaal stelsel
- Conscriptie (inschrijving verplichte krijgsdienst)
- Censuur
- Spionagesysteem
- Geheime politie
- Juryrechtspraak
Blanken overhandigt aan de keizer een vertaling van het verslag van de watersnood van 1809. Hij schrijft ook een memorie waarin benadrukt werd dat voor de strijd tegen het water in Holland geen nieuwe manschappen gemist konden worden, want de waterbouwers en dijkwerkers vormen de echte landverdedigers.
Voor de keizer stelde Blanken een aantal memories op over de defensie van de zeegaten, de rede van Texel en de marinehaven aan het Nieuwe Diep. In Parijs was het eerste ontwerpplan van Blanken uit 1803 voor de haven van het Nieuwe Diep bewaard gebleven, Het ontwerp werd door de keizer weer boven tafel gebracht en door Blanken nader uitgewerkt. Door Napoleons wens voor de aanleg van een reeks versterkte marinehavens langs de Europese kust voor de invasie van Engeland, kon Blanken zijn havenplan nu realiseren.
In 1811 brengt Napoleon een bezoek aan Holland (Willemsstad, Hellevoetsluis en Den Helder) in het bijzijn van Blanken. Er wordt besloten tot de uitbouw van het Nieuwe Diep tot een oorlogshaven. Blanken krijgt van Napoleon de opdracht een plan op te stellen voor 1812. Napoleon wilde van Den Helder het Gibraltar van het Noorden maken.
Blanken vat een grote bewondering op voor de keizer vanwege diens kennis van zaken.
Na terugkeer in Holland werd Blanken belast met de uitvoering van de havenwerken en trad in dienst van de marine.
Begin 1813 verbleef Blanken voor de laatste keer voor overleg in Parijs waar het havenplan wordt goedgekeurd.
Voor zijn trouwe diensten beloonde Napoleon Blanken in 1811 met de onderscheiding van ridder in het Legioen van Eer. De verering voor de keizer blijkt uit de vele boeken die Blanken verzamelde over het leven en werk van de keizer.
Napoleon wordt in juli 1812 verslagen in Rusland. De Grande Armée wordt gedecimeerd. Er komen ook 15.000 Hollandse jongens om (op een paar honderd na). In 1813 lijdt Napoleon een beslissende nederlaag bij Leipzig.
Na de nederlaag in Rusland neemt een driemanschap onder Karel van Hogendorp, Van der Duyn van Maasdam en Van Limburg Stirum het bestuur over als voorlopig comité, in afwachting van de komst van Willem I.
Willem I (de eerste van de drie koningen van Nederland) kwam op verzoek van Van Hogendorp naar Holland terug, landde op 30 november 1813 te Scheveningen en aanvaardde de regering met de titel souverein vorst: Koning der Nederlanden.
Blanken verschijnt in 1813 schaamteloos te Den Haag met de oranje-cocarde op zijn hoofddeksel. Van aanhanger van het Keizerrijk zwaait hij naar nationale onafhankelijkheid. Hij verlaat de Franse dienst en sluit zich aan bij Koning Willem I. Deze handhaaft hem als bekwaam waterbouwkundige in zijn functie.
Blanken is nu zeer ervaren in het omgaan met machthebbers. Blanken krijgt ook onmiddellijk toestemming om een inundatieplan uit te voeren, omdat anders Holland en Utrecht zouden ondergaan bij de watersnoden.
In de gunst van de koning werd Blanken tevens belast met de voltooiing van de marinehaven aan het Nieuwe Diep. Van 1815 tot 1822 leidde Blanken de werken, zijn ‘travaux chéris’. De bouwmeester werd vertwijfeld toen in 1816 door de overstroming van het dok alles dreigde te mislukken. Geholpen door geluk en vierhonderd arbeiders wist Blanken de ramp te keren. Ook na voltooiing bleef het dok gebreken vertonen, maar daar wilde Jan niets van weten. Naar voorbeeld van Hellevoetsluis bouwde Jan aan het Nieuwe Diep zijn tweede stoommachine.
Van 1822 – 1824 werd ook het timmerdok in Hellevoetsluis eindelijk afgebouwd.
In 1816 pleitte Blanken voor de gelijkstelling in rang van de waterstaatingenieurs met de militaire ingenieurs van de Genie. Dat kostte hem bijna zijn positie. De koning weigerde en Jan diende zijn ontslag in. Alleen een persoonlijk beroep van de koning op zijn verdienstelijke ambtenaar deed Blanken van zijn voornemen afzien.
In 1817-1826 bouwde Blanken het Zederik-kanaal, het Steenenhoek-kanaal (1818-1819) door de Alblasserwaard en het Noordhollands kanaal. In 1818 maakt hij een plan voor de Nieuwe Merwede. Dit plan werd fel bestreden en niet uitgevoerd. Ook zijn algemeen kanalenplan tussen Maas, Waal, Merwede en Rijn werd uitgesteld, door de ‘lieden van de pen’. Door bemiddeling van Falck kon Blanken het Zederik-kanaal graven, in 1823-1826. Jan vindt ook nog de vlotbrug uit, die hij o.a. bij Vianen bouwt.
Zijn grootste werk was het Noordhollands kanaal. Het werd onder zijn leiding gegraven in 1819-1824. Maar dit kanaal werd zijn Waterloo. Hij hield de sluizen gesloten voor uitlozing, tegen het bevel van de koning in. Ook een verzoek van de minister van waterstaat lapte hij aan zijn laars. Hij vreesde dat de scheepvaart op het kanaal zou worden gestremd en de kunstwerken beschadigd. Goudriaan verzocht de koning Blanken te ontslaan, maar de koning weigerde.
In 1826 wordt Blanken gepensioneerd en definitief ontheven van zijn waterstaatfunctie. Hij werd raadsman, verbonden aan het departement van Waterstaat.
In 1838 sterft Jan Blanken te Vianen.
INHOUD DERDE AKTE
In 1811 komt Napoleon Bonaparte op bezoek naar Nederland, teneinde de forten langs de kust te inspecteren. Blanken is in het gevolg van de keizer. Hij krijgt van Napoleon de opdracht om aan het Nieuwe Diep een marinehaven te bouwen. Blanken is een apert adept van Napoleon. Hij ontvangt het Legioen van Eer.
In 1812 wordt Napoleon voor Moskou verslagen met zijn leger van 600.000 manschappen. Er keren slechts 40.000 soldaten terug van deze veldtocht. Als Napoleon vervolgens ook nog in 1813 bij Leipzig definitief in de pan wordt gehakt, is de chaos compleet en de afgang van de keizer een feit.
Willem I komt terug uit Engeland en neemt het koningsschap over vanaf 1813. Voor Willem I ontwerpt Blanken, behalve andere kanalen, zijn levenswerk: het Noordhollands Kanaal. Hij verzet zich echter tegen een bevel van de koning en de ministers om de sluizen te openen opdat het water kan afvloeien wegens dreigende overstromingen. Dat kost hem zijn functie. Het Noordhollands Kanaal wordt het ‘Waterloo’ van Blanken.
In 1838 sterft Jan Blanken in Vianen, op zijn buitenverblijf Vijverlust. Zijn bezittingen worden geveild. Zestien kisten met modellen en boeken gaan naar Den Haag. Jan overleeft zijn vrouw Maria en zijn zoon Jan Anthonie.
DE VRIJHEID, DE WOEDE
EN HET WATER
DERDE AKTE
‘HET WATER’
] ] ]
SPREEKSTEM:
Als het kieldok gereed is vindt Napoleon Bonaparte, keizer der Fransen, dat Holland zo nodig onder toezicht van zijn broer, Lodewijk Napoleon, dient te komen. Dat gebeurt. Het Koninkrijk Holland is echter geen lang leven beschoren. In 1810 roept de keizer zijn broer alweer terug en ons land komt nu volledig onder bestuur van Frankrijk te staan. De keizer bezoekt ons land en inspecteert met Jan Blanken de rede van Den Helder. Er wordt besloten tot uitbouw van het Nieuwe Diep als oorlogshaven. Ook Hellevoetsluis en Willemsstad worden met een bezoek van de keizer der Fransen vereerd. Ondanks het feit dat Jan Blanken geen voet meer in Hellevoetsluis wenst te zetten, is hij er bij het bezoek van de keizer toch…
TROMMELAAR:
Alléz! Eerbied voor de keizer der Fransen!
NAPOLEON BONAPARTE:
Et voilá! Ce sont les Hellepoters waarover u moi sprak, monsieur Blankèn?
JAN BLANKEN:
Inderdaad, uwe keizerlijkheid. Dit zijn de brave ingezetenen van Helvoetsluis. Zij vragen uw welwillend oor. Ook mon son, mes deux filles et ma femme sont ici!
MARIE-LOUISE:
Drie Kinder! Drie Kinder! Das ist doch etwas! Soviel haben wir er nicht!
JAN-ANTHONIE:
Verdraaid! Hij heeft er toch een hele bende meegenomen!
NAPOLEON BONAPARTE:
En Francais, madame! En Francais!
JAN-ANTHONIE:
Wie is die juf? Hoort die bij nappie?
MARIA VAN LAKERVELD:
Dat is Marie-Louise van Oostenrijk, jongen! Zijn vrouw!
NAPOLEON BONAPARTE:
Avant avec la chèvre! Allons-y!
NIESJE BLANKEN:
Chèvre betekent geit, moeder.
MARIA VAN LAKERVELD:
Stil, Nies. Stoor die hoge meneer niet!
JAN ANTHONIE BLANKEN:
Ze willen zijn oor. Doet-ie nooit!
PETRONELLA BLANKEN:
Wat een klein ventje, hè? Daar zou ik nooit genoeg aan hebben!
BURGEMEESTER:
Een lied, ter ere van de keizer!
KOOR VAN NOTABELEN:
Heil, heil, driewerf heil!
De keizer is in ‘t land.
Dat hebben we te danken
aan onze heer Jan Blanken.
De keizer, dat wij dit beleven,
De keizer die de volken
om ons heen doet beven!
Wij groeten uwe majesteit,
wij buigen voor uw wil.
In uw ge-eerd aanwezigheid
daar zwijgt de burger stil.
Laat Blanken onze spreekbuis zijn,
de bouwer van dit dok.
Hij was het die ons Helvoetsluis
uit duisternissen trok!
Heil, heil, de keizer heil!
Der Fransen grote held.
Nu wordt ook in ons kleine land
zijn naam door ons verteld!
JAN ANTHONIE:
Maar hij kost ons heel wat geld!
STEM UIT HET VOLK:
Meelopers! Angsthazen!
JAN BLANKEN:
Uwe doorluchtigheid. Het is mij een grote eer u in uw wingewest te mogen begroeten. Ik heb al vele jaren een grote achting voor u en uw roemruchte daden.
JAN BLANKEN:
Mijn bibliotheek bevat legio boekwerken over uwe keizerlijke majesteit.
JAN ANTHONIE BLANKEN:
Hij doet het weer, moeder.
NIESJE EN PETRONELLA BLANKEN:
Om je dood te schamen!
JAN BLANKEN:
Staat u mij toe, uwe schatrijkheid, een welkomstlied aan u voor te dragen.
Aan u, mijn keizer,
wordt deze ode opgedragen.
Een loflied, waarin uw daden
en uw grootheid worden gemarkeerd.
Wie weet niet van Toulon, Lodi, Mantua,
uw veldtocht naar Egypte.
Wie heeft niet gehoord van Marengo,
Hohenlinden, Austerlitz.
En straks het heilig Rusland en de tsaar.
Groter vorst dan Bonaparte
heeft de wereld nooit gekend,
allen buigen in het stof
voor de veroveraar!
Heil u, mijn vorst, mijn voorbeeld!
Gezegend ook uw gemalin.
Dat de Lage Landen aan de zee
beseffen dat hun verlosser is gekomen.
Ik schaar mij met hart een ziel
achter het Franse keizerdom!
Ik draai het rood wit blauw
tot blauw wit rood
En keer de vlag een kwartslag om!
HELLEVOETSE VROUW:
Jawel, van draaien weet ie alles af, die Blanken!
TROMMELAAR:
Aandacht! Aandacht voor de keizer!
NAPOLEON BONAPARTE:
Monsieur Blankèn, merci bien!
Cést émouvant!
JAN ANTHONIE BLANKEN:
Ontroerd is-ie!
NAPOLEON BONAPARTE:
Vous zult pour moi bouwen á Den Helder!
Vous zult bouwen het Gibraltar van het Noorden!
JAN BLANKEN:
Grand merci, mon Roi!
NAPOLEON:
Et pour vous… eh… trouw… kunt vous kiezen uit de speld van Jan Blanken of Ordre de la Légion d’Honneur!
JAN BLANKEN:
Als het u hetzelfde blijft, doorluchtige, dan liever het Diplome d’Honeur!
NAPOLEON BONAPARTE:
Het zij zo!
NAPOLEON BONAPARTE:
Et maintenant, á bateau!
JAN ANTHONIE BLANKEN:
Wat nou? Hij gaat er toch niet met de bateau porte vandoor?
MARIA VAN LAKERVELD:
Welnee, naar zijn jacht gaat hij. Dat ligt hier op de ree.
PETRONELLA BLANKEN:
Naar Gorinchem vaart hij, en verder.
NIESJE BLANKEN:
En pa gaat mee.
SPREEKSTEM:
Vanaf die dag werkt Jan Blanken aan de marinehaven van Den Helder. Terwijl in Rusland de poppen aan het dansen gaan. Zeshonderduizend soldaten trekken op tegen de tsaar, veertigduizend keren er verslagen terug…
SPREEKSTEM:
Ook bij Leipzig en Waterloo wordt Napoleon in de pan gehakt, tot groot verdriet van Jan Blanken. Maar geen nood, in de persoon van Willem de Eerste, koning der Nederlanden, bijgenaamd de ‘kanalenkoning’, vindt Jan een nieuwe mogelijkheid zijn talenten uit te buiten…
WILLEM I:
Daar is mijn bouwer! Mijn verdienstelijk ambtenaar! Voorwaar, heer Blanken, u komt als geroepen.
JAN BLANKEN:
Uw wil is wet, heer Koning.
GOUDRIAAN:
Jawel, nog net zo stroperig als vroeger.
WILLEM I:
Wat klaagt u, heer Goudriaan?
FALCK:
De heer Goudriaan is nog altijd pissig over die waaiersluis, sire.
GOUDRIAAN:
Die heeft Blanken niet uitgevonden! Hij heeft hem gejat van Jan ten Holt! Zoals hij dit hele dok gejat heeft in Frankrijk! En de schipdeur erbij!
WILLEM I:
Ik wens geen kwaad woord over mijn Staatsraad Blanken te horen!
GOUDRIAAN:
Nee, natuurlijk niet!
WILLEM I:
Luister, heer Blanken. Ge zult voor mij graven het Noordhollands kanaal!
JAN BLANKEN:
Welzeker, heer koning. Mijn hannekemaaiers staan al klaar!
HANNEKEMAAIERS:
Vooruit, vooruit, vooruit,
nu graven we recht vooruit!
Van Amsterdam naar het Nieuwe Diep,
het grootste werk dat Jan ooit schiep.
Steek weer de spade in de grond,
wij zijn de hannekemaaiers.
We werken voor wat stuivers,
ons drie keer in het rond!
We zweten en we zuchten,
en krijgen te weinig slaap.
Als straks het werk gedaan is
dan staan wij mooi voor aap!
Vooruit, vooruit, vooruit,
Nu graven we recht vooruit!
Het is eigenlijk om te janken,
maar we doen het voor Jan Blanken!
Steek weer de spade in de grond,
wij zijn de hannekemaaiers.
We sloven voor de heren
en voor een habbekrats.
We weten dat we sterven
in dit verdoemd bestaan.
Maar zonder ons geen donder,
dan wordt er niks gedaan!
JAN BLANKEN:
Geweldig, mannen! En nu, vooruit!
GOUDRIAAN:
Stelletje ongeregeld, dat is het. En die Blanken… die… die… komt zichzelf nog wel tegen. Let op mijn woorden.
FALCK:
Ik stel voor, majesteit, om spoorslags naar Den Haag te vertrekken. Daar wacht de ministerraad op u. U dient uw troonrede uit te spreken.
WILLEM I:
U heeft gelijk, waarde Falck. Laten we maar eens zien wat er nu weer bezuinigd gaat worden. En hoe wij die verduivelde wachtlijsten in de gezondheidszorg kunnen oplossen.
MARIA VAN LAKERVELD:
Wanneer zul je nu eens rustig aan doen, Jan?
JAN BLANKEN:
Een kanaal, een kanaal, een kanaal,
dat is het voor mij helemaal!
Een kanaal van het zuiden naar de noord,
nooit heeft men van zoiets gehoord!
Een kanaal, een kanaal, een kanaal,
Dat is geen versje, dat is een verhaal!
Duet:
Voorbij de dorpen en steden
stroomt het water door het land.
Voorbij de akkers en de dreven
van ons goede Nederland
stroomt het water,
stroomt het water,
door de aderen van ons leven.
Een kanaal, een kanaal, een kanaal,
dat is het voor mij helemaal!
Het kanaal van mijn dromen in de nacht,
waarop ik zolang heb gewacht.
Een kanaal, een kanaal, een kanaal,
dat is geen slootje, dat is te banaal!
Duet:
Voorbij de dorpen en de steden
stroomt het water door het land.
Voorbij de akkers en de dreven
van ons goede Nederland
stroomt het water,
stroomt het water,
door de aderen van ons leven.
MARIA VAN LAKERVELD:
Maar Jan, dan zie ik je helemaal niet meer.
JAN BLANKEN:
Het is niet anders, mijn lief. Het landsbelang gaat voor de vrouw.
MARIA VAN LAKERVELD:
Mooi is dat!
JAN BLANKEN:
Als ik niet bouw, word ik ziek. Als ik niet graaf, dan sterf ik.
MARIA VAN LAKERVELD:
Met een man als jij valt niet te leven.
De kinderen die ik je heb gegeven
begrijpen er ook niets meer van.
Maar zo is het misschien het beste af.
Graaf jij dan maar, mijn beste Jan.
Pas op, graaf niet je eigen graf!
SPREEKSTEM:
Jan blijft arrogant. Maria blijkt echter een vooruitziende blik te hebben. Want het kanaal wordt zijn Waterloo…
BODE:
Zeer geachte heer Blanken.
De koning deelt u het volgende mee:
U zult terstond de sluizen openen teneinde het water te lozen uit het ondergelopen land. Dit op straffe van misnoegen door de vorst!
JAN BLANKEN:
Bericht de koning dat ik er niet aan denk om de sluizen te openen.
Mijn kanaal zal beschadigd worden, mijn kunstwerken zijn nog niet gehard.
SPREEKSTEM:
Dus graaft Jan zijn Noordhollands kanaal. Ook een bevel van de minister van Waterstaat lapt hij aan zijn laars.
BODE:
Waarde heer Blanken. De minister van waterstaat raadt u met de grootste klem aan de sluizen naar het bevel van de koning terstond te openen.
JAN BLANKEN:
Een sul is het! Niets weten ze van mijn werken! Niets!
Niets zal het aanzien van mijn werken schenden.
Niet bezield van idealen
tracht opnieuw de macht te overheersen.
Handen af van mijn kanaal,
de duivel zal de domheid halen!
SPREEKSTEM:
Wegens deze insubordinatie wordt Blanken definitief ontheven uit zijn waterstaatfunctie. Hij brengt zijn laatste jaren op zijn buitenverblijf in Vianen door. Zijn vrouw en zijn zoon gaan hem voor naar het einde…
JAN BLANKEN:
De wind steekt op,
de zon zakt naar de einder.
De avond valt,
de dag is dra voorbij.
De nacht komt zachtjes aangeslopen
Het is bijna tijd voor mij.
Het leven is een spel,
belangrijk is te winnen.
Het was zij of ik,
het was allemaal gejaag,
het is tijd om te bezinnen.
In de jaren die gaan volgen,
als ik straks begraven ben,
zal men zich mij dan herinneren,
met al de werken die ik deed?
Zoveel heb ik weggegeven,
zoveel dankt dit land aan mij.
Altijd ben ik blijven zoeken,
als een mot om de hete vlam.
Binnen duizend fantasieën
wist ik dat ik honderd malen
in de buurt der waarheid kwam.
Nu valt de nacht,
Charon stuurt zacht zijn boot.
De droom is uit,
het laatste uur geslagen,
Jan Blanken die is dood…
Einde derde akte
DE VRIJHEID, DE WOEDE
EN HET WATER
EPILOOG
‘GEEN TRANEN IN VIANEN’
ZANGER:
Na drieëntachtig jaren in dit leven
ging Jan tenslotte in Vianen dood.
Hij had nog heel wat spullen weg te geven
en op de bank, daar stond hij ook niet rood.
Hij kreeg een monument om van te smullen
steen en ijzer, het staat er nog vandaag.
De familie kon meteen haar zakken vullen,
zestien kisten spullen gingen naar Den Haag.
REFREIN:
Maar geen tranen in Vianen!
Geen gejank in Helvoetsluis!
Hij heeft ons veel nagelaten,
hou dat steeds maar in de gaten!
Met zijn droogdok en kanalen,
met zijn sluizen, arsenalen,
molens, dijken, bruggen, havens
en vooral zijn stoommachine.
Hij was een jongen van de straat,
bracht het door ijzeren discipline
tot de trots van de Rijkswaaaaterstaat!
Geen mens begrijpt hoe Blanken het hem flikte,
hij heeft zich bijna uit de naad gesloofd.
Maar het was bekend dat hij de hielen likte
van iedereen door wie hij werd geloofd.
Dat ging van Napoleon tot aan de koning,
van orangisten tot aan de patriot.
En hij kreeg geld en lintjes als beloning,
terwijl hij dikwijls door and’ren werd bespot.
REFREIN:
Maar geen tranen in Vianen!
Geen gejank in Helvoetsluis!
Hij heeft ons veel nagelaten,
hou dat steeds maar in de gaten!
Met zijn droogdok en kanalen,
met zijn sluizen, arsenalen,
molens, dijken, bruggen, havens
en vooral zijn stoommachine.
Hij was een jongen van de straat,
bracht het door ijzeren discipline
tot de trots van de Rijkswaaaaterstaat!
Wat Jan gemaakt heeft waren vast geen dromen,
hij heeft er zeker stevig in geloofd.
Maar niks is eeuwig, ik zal er komen
en waarom niet de macht een kool gestoofd?
Hij ging van Helvoetsluis tot aan Den Helder,
van ‘s-Gravenhage tot aan de stad Parijs.
Het land ging ondertussen naar de kelder,
maar Jan werd rijker, door scha en schande wijs.
REFREIN:
Maar geen tranen in Vianen!
Geen gejank in Helvoetsluis!
Hij heeft ons veel nagelaten,
hou dat steeds maar in de gaten!
Met zijn droogdok en kanalen,
met zijn sluizen, arsenalen,
molens, dijken, bruggen, havens
en vooral zijn stoommachine.
Hij was een jongen van de straat,
bracht het door ijzeren discipline
tot de trots van de Rijkswaaaaterstaat!
Hij is gestorven tussen zijn modellen,
zijn ridderorden en zijn bibliotheek.
Het zijn de zaken die ons nog vertellen
hoe in zijn dagen hij naar de mensheid keek.
Vergeten is hij niet, dat is gebleken,
in Hellevoetsluis heeft hij zijn eigen beeld.
Al had hij dan ook soms wel wat gebreken,
De tijd heeft alle wonden nu wel geheeld.
REFREIN:
Maar geen tranen in Vianen!
Geen gejank in Helvoetsluis!
Hij heeft ons veel nagelaten,
hou dat steeds maar in de gaten!
Met zijn droogdok en kanalen,
met zijn sluizen, arsenalen,
molens, dijken, bruggen, havens
en vooral zijn stoommachine.
Hij was een jongen van de straat,
bracht het door ijzeren discipline
tot de trots van de Rijkswaaaaterstaat!
DE VRIJHEID, DE WOEDE
EN HET WATER
APOTHEOSE
] ] ]
DE VRIJHEID, DE WOEDE
EN HET WATER
‘VRIJMOEDIGE KARAKTERSCHETS VAN JAN BLANKEN’
] ] ]
Door Frank Herzen
Jan Blanken werd geboren op 15 november 1755, in het teken van de Schorpioen. Astrologen hebben met dit teken altijd de grootste moeite gehad. Een Schorpioen heeft de naam af te kunnen wachten en dan hard toe te slaan. Een Schorpioen zou tot alles bereid en in staat zijn: van het edelste tot het gemeenste.
Onder astrologen staat de Schorpioen bekend als tactloos, maar tevens als een scherpzinnig psycholoog. Hij is onverschillig, altijd op zijn hoede, in geval van nood uitzonderlijk moedig, listig en op een wat onnavolgbare manier gehecht aan zijn gezin en vrienden.
De Schorpioen zoekt overwinning via harde strijd. Zelfs van zijn verlies maakt hij een triomf. Zijn uithoudingsvermogen kent geen grenzen.
Volgens de leer der astrologie zouden Schorpioen-mensen zich aangetrokken voelen tot de militaire dienst. In dat verband wordt ook gewezen op kruisridders, vrijheidsstrijders en geestelijke strijders.
Zonder nu direct het bovenstaande alle waarheid toe te dichten, blijken er in het karakter van Blanken toch aanwijsbare overeenkomsten te bestaan. Hij werd artillerist, zij het niet in de Genie, door weerstand van hen die een hogere stand dan hij zelf bezaten. Het uithoudingsvermogen en de werkkracht van Blanken zijn buiten twijfel gigantisch geweest. Zijn tactloosheid laat zich zien in zijn ruzies met bijvoorbeeld de Commissie van de dokwerken en zijn collega Goudriaan. Zelfs zijn tactloze optreden met Willem I, ook al was dat dan ingegeven door bezorgdheid over zijn schepping, is tekenend. Zijn listigheid heeft hij bewezen door zijn contacten met hooggeplaatsten aan te wenden om zijn carrière veilig te stellen. Zijn moed bewees hij door aan te pakken wat anderen afwezen en bijvoorbeeld door een patriotse vriend te redden uit de handen van orangisten.
Hij was echter een kind van zijn tijd. Blanken begon zijn carrière in een periode die verscheurd werd door twisten en een nieuwe vrijheidsgedachte, ‘de Verlichting’. Het was de tijd van de patriotten-revolutie, de orangistische tegenrevolutie, de afzetting van de stadhouder Willem V en de instelling van de Bataafse Republiek. Wat hij aan eigen creativiteit tekort kwam, dat vond hij als aanvulling op zijn ideeën bij anderen. Dit is echter geen schande: niemand schept een geheel eigen cultuur. Elk mens, elke generatie leert en neemt over van de vorige en de generaties die samen met hem leven.
Het is zeer waarschijnlijk aan zijn ‘lagere’ afkomst te danken, en aan zijn onbetamelijke drang naar zelfverwerkeling, samen met zijn grote creativiteit en uithoudingsvermogen, dat Jan Blanken de man is geworden die we uit de geschiedenis kennen: Inspecteur-Generaal van de Rijkswaterstaat, Ridder.
DE VRIJHEID, DE WOEDE
EN HET WATER
‘JAN BLANKEN EN ZIJN TIJD’
] ] ]
Frank Herzen
REPUBLIEK DER ZEVEN VERENIGDE PROVINCIËN
1755 Jan Blanken wordt op 15 november geboren te Bergambacht in de Krimpenerwaard. Hij is de zoon van een molenbouwer en timmerman. Zijn vader is Jan Teunis Blanken, zijn moeder Niesje den Blieck.
De Republiek der Zeven Provinciën wordt bestuurd door regenten onder leiding van Willem V (Batavus), prins van Oranje-Nassau, stadhouder van alle Noord-Nederlandse gewesten, gehuwd met Wilhelmina Frederika Sofia van Pruisen.
1761-75 Jan krijgt les op de Franse school in Haastrecht en van zijn vader en oom Arie Teunis Blanken (timmeren en molenmaken). Vader Blanken wordt benoemd als dijkmeester van de Krimpenerwaard.
1768 James Watt vindt stoommachine uit en past die na verbeteringen ook toe op de industrie. Later zal Jan Blanken veel aan deze uitvinding hebben bij zijn installatie van de ‘vuurmachine’.
1775 Jan Blanken Jansz. arriveert in Hellevoetsluis. Stormvloed op 14 en 15 november. Jan Blanken wordt benoemd tot opziender der Hollandse Fortificatiën, belast met toezicht op de vestingwerken en landsgebouwen op Voorne-Putten, Goeree-Overflakkee en de Bijerlanden. Jan ontvangt een daggeld van 55 stuivers.
1776-77 Tijdens de watersnoden belast met de bedijkingswerken in Voorne-Putten.
1777 Jan Blanken huwt met Maria van Lakerveld (1753-1822), dochter van een steenfabrikant uit Vianen, te Hellevoetsluis op 30.4.1777. Ze krijgen drie kinderen: Niesje (Hellevoetsluis, 22.3.1778), Petronella Johanna (Brielle, 7.7.1784) en Jan Anthonie (Brielle, 13.9.1790). Hij wordt op 31 maart als lidmaat van de Nederlands Hervormde Gemeente te Hellevoetsluis ingeschreven.
PATRIOTTENTIJD
1780-84 Vierde Engelse Oorlog. Blanken brengt de kust van Voorne-Putten in staat van verdediging door de aanleg van vier batterijen. Legt versterkingen aan rond Brielle en Hellevoetsluis.
1781 Blanken wordt belast met toezicht op de vesting Brielle. Hij verhuist naar Brielle.
1785 Blanken wordt onderluitenant bij de artillerie.
1787 Patriotten Revolutie. Tijdens onlusten twee doden en drie gewonden. Opzichter Blanken onderscheidt zich door moedig gedrag: hij redt een patriotse vriend en zijn gezin uit een woedende menigte oranjegezinden te Hellevoetsluis. Ds Huygens wordt door oranjegezinde burgers tijdens een oproer uit zijn pastorie gejaagd. Zijn huisraad wordt verbrand op het havenhoofd. Hij ontkomt ternauwernood aan de dood. Ook de timmerman Anthonij van Gogh wordt gemolesteerd en verstopt zich in het Prinsehuis. Jan Blanken komt met een plan voor een droogdok te Hellevoetsluis. Dat deed hij niet zonder reden. Hij haakte hiermee in op de kritiek van de Patriotten en verlichte Regenten op het defensiewezen.
In september vluchten duizenden patriotten naar Frankrijk na interventie van een Pruisisch leger. Willem V, die een groot deel van zijn macht verloren had, wordt weer in al zijn rechten hersteld.
ORANGISTISCHE CONTRA-REVOLUTIE
1791 Naar Hellevoetsluis komt de Commies van ‘s Lands Magazijnen: Joseph Chardon (1743-1805). Hij gaat wonen in het Prinsehuis. Chardon is geboren in Lissabon. Hij kent Jan Blanken goed. Jan koopt bij hem de materialen die hij nodig heeft voor de bouw van het Droogdok, de sluis en de verbetering van het Groote Dok.
1792 Blanken ontvangt een eerste prijs in een prijsvraag over de bestrijding van het verzanden van het Haringvliet.
1793 Hellevoetsluis wordt een Engels garnizoen. De Franse Revolutie breekt uit. Blanken wordt belast met de verdediging van de Zuidhollandse zeegaten tegen de Fransen.
1794 Hellevoetsluis wordt een Hollands garnizoen. Er worden 221 mariniers gelegerd. Onder leiding van Jan Blanken wordt een keienweg aangelegd tussen de Brielse Poort en Barakken, tot aan het hospitaal.
Blanken wordt lid van het Bataafs Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte. Hij wordt tevens tweede kapitein bij de artillerie. Hij voert in Vreeswijk het bevel over de troepen ter verdediging tegen de Franse inval. Fransen trekken echter over de bevroren rivieren ons land binnen. Willem V vlucht naar Engeland.
BATAAFSE REPUBLIEK
1795 Bataafse Revolutie. Onder aanvoering van generaal Pichegru trekken de Fransen de Vesting binnen. Op 22 januari worden 600 Franse krijgsgevangenen bevrijd, die op een schip gevangen zaten. 800 Engelse soldaten worden krijgsgevangen gemaakt.
Hellevoetsluis wordt een Frans garnizoen.
Er worden in Hellevoetsluis twee vrijheidsbomen geplant op 4 februari. De Fransen die in de strijd zijn omgekomen worden begraven op het contra’escarp, de zeewering buiten Hellevoetsluis (Het Franse Graf).
De Barakken aan de oostzijde worden gebouwd waarin 1200 Franse soldaten worden gelegerd. De Franse Generaal der Brigade, Chardon (Jardin) komt naar Hellevoetsluis. Hij kan lezen noch schrijven.
De Admiraliteit op de Maas raakt het beheer van de werf en de magazijnen kwijt aan het ministerie der marine.
De VOC gaat ten onder, en laat een schuld na van ruim honderd miljoen gulden die door de Staat wordt overgenomen. Aan het draaien van ‘de ketting zonder einde’ komt een eind.
Jan Blanken wordt lid van het comité tot superintendentie der zeedijken en zeeweringen in het gewest Holland.
De weerbaarheid van de Forteresse wordt verbeterd door kapitein Story, die opperbevelhebber wordt. Onder hem wordt een Burger-Brandwacht opgericht, die werd voorzien van Rond-stokken afkomstig uit de Magazijnen. De brandspuiten worden op een vaste plaats gebracht: één in het midden tussen de houten en stenen barakken en één voor het huis waar Chardon woonde, het Prinsehuis.
1796 Een speciale commissie van het nieuwe bewind onderzoekt de haven van Hellevoetsluis en adviseert tot vernieuwing van de zeesluis.
In juli publiceert Jan Blanken bij Dirk Vis, Boekverkoper te Rotterdam, zijn ‘Verhandeling over het aanleggen en maaken van zoogenaamde drooge-dokken in de Hollandse Zeehavens; bijzonder toegepast op de gelegenheid van ‘s Lands Dok en Werf te Hellevoetsluis’.
1797 Blanken maakt een studiereis naar Noord-Frankrijk. Hij krijgt ƒ 500,– aan boekengeld mee. Hij reist samen met de equipagemeester J.P. Asmus. Jan bestudeert de dokken te Brest en Cherbourg, voor de aanleg van het dok te Hellevoetsluis ten behoeve van de Bataafse Natie. Hij maakt de reis in opdracht van het Provinciaal Comité van Holland.
1798 Jan Blanken oppert het plan om in bastion 3 twee dokken naast elkaar te bouwen. In een tweede plan stelt hij voor om een dubbel dok in bastion (Hollands Bastion) 4 te bouwen, door dit uit te leggen.
Voor de uitlegging gebruikt Jan de bagger uit het Groote Dok en de Haaven. Er wordt een Barakkenkamp voor de werklieden aangelegd, buiten de vesting, op de plaats van de tegenwoordige Glaciswijk.
Staatsgreep door de democraten Daendels, Gogel en Spoors. Blanken benoemd tot directeur van de dokwerken, door Spoors, Agent van Marine.
Jan Blanken schrijft een rapport waarin hij het gehele werk, bemalen en uitdiepen van grote dok en haven, op ‘vijf tonnen gouds’ schatte. Maar wanneer hij gebruik kon maken van een ‘vuurmachine’ zou dit bedrag met drie vijfde deel kunnen worden verminderd. Deze ‘salami-taktiek’ wierp vruchten af. Jan kon zijn dok gaan bouwen.
Op grond van Blankens rapport besluit het nieuwe bewind tot de uitvoering van de sluis- en dokwerken en burger Blanken wordt benoemd tot directeur. Dit gebeurt op 18 juli.
Ter begeleiding wordt een zware commissie ingesteld onder voorzitterschap van Chr. Brunings, de eerste commissaris-generaal van de waterstaat.
1799 De haven moet worden uitgebreid. Er worden allerlei vernieuwingen gerealiseerd: beschoeiingen, buitengracht, hoornwerk, houten sluis, enzovoorts.
De haven wordt met een dam afgesloten voor het maken van het droogdok, het uitdiepen van de haven en het maken van kademuren.
Er worden proefpalen geheid t.b.v. de bouw van het droogdok. Blanken maakt de nieuwe graaf- en bouwwerken t.b.v. de polderafwatering.
Blanken krijgt toestemming om een ‘vuurmachine’ te installeren.
Dit is een stoommachine ‘a double effet’. De pompen worden besteld bij Boulton & Watt, in Birmingham, Engeland. Blanken wil nog eens zes kleinere, houten pompen installeren. Dit stuit op weerstand van James Watt, maar Jan zet door.
1800 Op de Zuiddijk wordt een batterij met 27 vuurmonden aangelegd. Grote sluis worden gesloten. Korenmolen op bastion 4 wordt afgebroken. De molen staat de plannen voor het dok in de weg.
Jan Blanken dringt er bij de constructeur Glavimans op aan om een noodhaven aan te leggen. Deze wordt in het seizoen van 1800 aangelegd.
Jan laat 380 kruiwagens aanschaffen voor het werk in het Groote Dok en de Haaven.
Er wordt een kistdam geslagen voor het opmetselen van de fundering van het stoompompgebouw in Neo-classisistische stijl. Deze fundering bevindt zich 5,5 meter onder het laagste laagwaterpeil van het Groote Dok.
In juni gaan Van Liender en Blanken naar Hamburg om naar Engeland over te steken. Dit gaat niet door omdat hen een paspoort wordt geweigerd. Boulton & Watt in Birmingham wil de stoompompen leveren voor ƒ 15.000,– Dat betekent een dubbel werkend stoommachine met een cylinder van 116 cm doorsnee en alle verdere toebehoren.
Blanken besteedt het bouwen van een pompgebouw aan, zonder zekerheid te hebben dat de pompen in het gebouw passen.
1801 Er wordt een nieuwe korenmolen gebouwd op een andere plaats in de vesting.
Aan het eind van het jaar zijn de stoompompen van Boulton & Watt uit Engeland geïnstalleerd. Ze zijn met een lichter uit Engeland gesmokkeld.
1802 Op 13 januari wordt er voor het eerst proefgedraaid met de stoommachine. In maart wordt begonnen met de droogmaking. Er moet 1.103.370 ‘tonnen’ water worden uitgepompt, wat neerkomt op 395.375 m3. 1m3 = 2.7906976 ‘tonnen’.
Wanneer het met tonmolens en een kettingmolen zou moeten worden uitgepompt stond daar één maand voor en een kostenplaatje van 10 a 11.000 gulden. Bij installatie van een stoompomp zou dat in zes a zeven etmalen kunnen tegen een bedrag van ong. ƒ 3500,– plus ƒ 600,- aan kolen.
Jan klaart het karwei (droogmalen van haven en grote dok) in vier etmalen. Op 17 maart staan dok en haven voor het eerst droog. Half augustus is men met het graafwerk van het Groote Dok en Haaven klaar.
De commissie droogdok inspecteert de werken. Er zijn 1200 man werkvolk bezig met paarden, karren en wagens en enige vlet- en transportschuiten.
De werkzaamheden aan de sluis worden gestart. De dokmuren worden voorzien van een nieuwe houten beschoeiing. Dit gebeurde uit zuinigheidsoverwegingen bij de marineleiding.
Op de 31ste mei verschijnt er in de Algemeene Konst en Letterbode (13e nummer) een artikel, geschreven door N.N., over de ‘Nieuw uitgevonden werktuigen, nader en meer uitvoerig verslag van ‘s Lands nieuwe Stoom-Machine te Hellevoetsluis’. Vermoedelijk is Jan zelf de schrijver van dit artikel.
Blanken dient een verzoek in om te worden toegelaten tot het ingenieurscorps der genie als luitenant-kolonel. Het ingenieurscorps komt tegen het verzoek in opstand en Blanken wordt afgewezen. Het protest wordt ingegeven door het standsverschil.
Men begint met het graven van het Droogdok. Ook de werkzaamheden aan de zeesluis worden gestart.
Op 30 september 1802 wordt de eerste steen gelegd van het Droogdok.
Glavimans ontwerpt een schipdeur van hout met twee kielen.
1803 Volbrengt diplomatieke opdrachten in Parijs, waar hij onderhandelt met Napoleon Bonaparte over de bijdrage van de Bataafse ‘zusterrepubliek’ in de oorlog tegen Engeland. Benoemd als inspecteur van de zeehavens en -gaten in het Zuiderkwartier van Holland. Verhuist naar ‘s Gravenhage. Het Staatsbewind bevordert Blanken tot luitenant-kolonel der Bataafse Armee. Ontslag als opzichter van de directie Hollandse Fortificatiën.
Naast de waterstaatdienst leidt Blanken de aanleg van de sluis-en dokwerken te Hellevoetsluis.
Blanken ontwerpt een havenplan voor het Nieuwe Diep in Den Helder.
1804\05 Blanken krijgt ruzie met de commissieleden over de afbouw van het dok. Men wil zijn ontwerp veranderen. Buiten de commissie om had Blanken de aanslagdorpel van de tussensluis uitgevoerd in natuursteen in plaats van in hout. Hij weigert vanaf 1806 om nog op de vergaderingen te verschijnen.
Blanken legt de straatweg tussen Hellevoetsluis en Brielle aan.
KONINKRIJK HOLLAND
1806 Lodewijk Napoleon wordt koning van Holland (1806-1810). Blanken wordt in marinedienst door de koning benoemd als directeur-generaal van ‘s Lands Zeewerken, een soort ingenieursfunctie.
In het kieldok wordt het eerste schip, het fregat Euridice gedokt.
1807 Het werk aan het timmerdok ligt stil. Blankens verzoeken aan de marineminister VerHuell om voortgang van het werk hebben geen succes. Blanken wordt ridder in de Orde van de Unie.
1808 Blanken wordt benoemd tot Inspecteur-Generaal van de Waterstaat.
Het werk aan het Droogdok ligt stil. Hij vindt een verbeterde zogenaamde waaiersluis uit. Hij bouwt een proefsluis in IJselstein.
FRANSE TIJD
1810 Inlijving bij het Franse Keizerrijk (9 juli 1810). Blanken gaat opnieuw naar Parijs met zijn zoon Jan Anthonie, waar hij de annexatiebepalingen uitwerkt.
1811 Napoleon Bonaparte bezoekt Holland en inspecteert met Blanken de rede van Texel en Den Helder. Ook Willemsstad en Hellevoetsluis worden bezocht van 4.10.1811 – 9.10.1811. Er wordt besloten tot uitbouw van het Nieuwe Diep tot oorlogshaven.
Hij krijgt de onderscheiding Ridder in het Legioen van Eer. Treedt in Franse dienst als ‘inspecteur- genéral des ponts et chaussés’.
1812 Blanken reist naar Parijs waar zijn plan voor het Nieuwe Diep wordt goedgekeurd. Blanken wordt belast met de uitvoering van de havenwerken en treedt in dienst van de marine.
1813 Omwenteling. Blanken verlaat de Franse dienst. Eerst Driemanschap, daarna Koning Willem I.
In december 1813 bouwt Jan Blanken een schipbrug over de Lek bij Vianen. Over deze schipbrug, die door ijsgang teloor gaat, trekken de Fransen weg.
KONINKRIJK DER NEDERLANDEN
1814 Blanken werkt aan een inundatieplan bij Gorkum. Hij bouwt vijf waaiersluizen.
1815 Blanken leidt de afbouw van de havenwerken aan het Nieuwe Diep.
Naar het voorbeeld van Hellevoetsluis bouwt hij daar ook zijn tweede stoommachine.
Door koning Willem I benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
1816 Blanken vestigt zich op Vijverlust, een buitenplaats bij Vianen. Door de koning van Pruisen benoemd tot ridder in de Orde van de Rode Adelaar.
1818\19 Blanken graaft het Stenenhoek-kanaal door de Alblasserwaard.
Hij publiceert een plan voor de Nieuwe Merwede.
Hij wordt belast met de aanleg van het Noord-Hollands kanaal.
1822\25 Het timmerdok te Hellevoetsluis wordt afgebouwd.
1823 Blanken wordt belast met het graven van Zederik-kanaal tussen de Lek bij Vianen en en de Merwede bij Gorkum. Hij wordt staatsraad in buitengewone dienst.
1826 Ontslag uit Waterstaatsdienst.
1828 Adviseur van departement van de Waterstaat.
1838 Overlijdt op 17 juli te Vianen. Er wordt een gietijzeren grafmonument voor hem opgericht, wat er nog altijd staat na de restauratie in 1988. Hij bezat grond, een buiten, kapitaal, vee en een steenfabriek. Hij bezat ook een omvangrijke bibliotheek en modellenverzameling.
Alles komt onder de hamer, nadat 16 kisten met kaarten, verhandelingen en stukken plus modellen naar Den Haag zijn gevoerd.
Ó alle rechten voorbehouden / Hellevoetsluis 2000 / Frank Herzen