De gemeente nam een straatveger in gebruik. ,,Door twee gootborstels kan links en rechts van de weg worden geveegd. De veegmachine wordt met de achterwielen aangestuurd, is zeer wendbaar en in staat met de aan de voorzijde gemonteerde gootborstels in vrijwel alle hoeken te vegen.’’
De Christelijke Jeugdclub Samuël herdacht haar 55-jarige bestaan.
Autobedrijf Den Hartog had een investering van bijna twee ton gedaan in een pand aan de Rijksstraatweg. Dit leverde een groter magazijn, werkplaatsen en een noviteit op: een wasserette.
Na bijna 19 jaar vertrok burgemeester jhr. T.A.J. van Eysinga naar Oegstgeest. Op donderdag 20 maart vond de afscheidsreceptie plaats.
Naast burgemeester had hij nog enkele neventaken:
- Voorzitter van de commissie energievoorziening Voorne, Putten en Rozenburg;
- lid van het dagelijks bestuur van het streekschap drinkwatervoorziening Voorne, Putten en Rozenburg;
- voorzitter woningbouwvereniging ‘Volkshuisvesting’;
- voorzitter van de raad van toezicht van de Coöperatieve Raiffeisenbank Nieuwenhoorn;
- laatsvervangend voorzitter van de stichting voor maatschappelijk werk in de gemeenten Hellevoetsluis en Oudenhoorn;
- voorzitter van de afdeling ZH. Zuidwest van de Kon. Ned. Heide Maatschappij;
- bestuurslid van de Z.H. provinciale brandweerbond;
- bestuurslid van het nationaal brandweermuseum;
- voorzitter van de historische vereniging voor Zuid-Holland onder de zinspreuk ,,Vigilate Deo Confidentes’’;
- bestuurslid (waarnemend voorzitter) van de vereniging tot behoud van molens in Nederland ‘De Hollandse Molen’;
- penningmeester van de stichting bevordering hygienische gewoonten in Nederland;
- voorzitter van de stichting tot verpleging van langdurig zieken op de westelijke Z.H. eilanden (streekverpleeghuis De Plantage);
- lid van het provinciaal college van toezicht enz. van de hervormde gemeenten in Zuid-Holland en tenslotte
- bestuurslid van de vereniging voor beroepsonderwijs ‘Rijnmond zuid-west’.
Per 1 maart vertrok de Koninklijke Marine voor de tweede keer uit Hellevoetsluis. De vaste bezetting van 70 á 80 man van de mijnendienst die sinds 1959 in enkele gebouwen lag gelegerd, werd overgeplaatst naar Vlissingen en Den Helder. De zeven mijnenvegers, de ‘mottenballenvloot’ , werden eveneens naar de twee steunpunten overgebracht. Dit omdat de Marinestaf er niet van overtuigd was dat de vloot in tijd van nood snel genoeg de sluizen in de Haringvlietdam kon passeren om op zee te kunnen komen. Er kwamen diverse gebouwen in de vesting leeg te staan en ook Niestern scheepsbouw Unie verwachtte problemen.