Voorne in Alle Staten

Icon

Onuitputtelijke bron van cultuurhistorie op Voorne

VPR Molendag: Molens van Voorne Putten en Rozenburg zetten op zaterdag 17 juli voor de derde keer hun deuren open.

17 juli: Molendag

Voor de derde keer zijn op zaterdag 17 juli alle molens op Voorne Putten en Rozenburg te bezoeken. Op Voorne Putten en Rozenburg staan nog tien molens waarvan de meesten, op vrijwillige basis, regelmatig in bedrijf zijn. Alle molens zijn uniek, er zijn er werkelijk geen twee gelijk. De afgelopen twee jaar waren de dagen een groot succes. Ook dit jaar hopen alle molenaars op mooi weer en veel bezoekers. Uiteraard kunt u uw eigen tweewieler of de auto nemen om uw route zelf samen te stellen. Om het u gemakkelijk te maken staan op onze website enkele routes kompleet met kaart beschreven. Deze routes zijn geheel belangeloos door de Hellevoetse fietsclub WTAC voor ons uitgezet.

De Opening:

De opening zal plaatsvinden op molen Zeezicht te Nieuwenhoorn. Deze molen dateert van 1717 en is daarmee de oudste van het gezelschap. De openingshandeling zal worden verricht door dhr. Adriaan Verrijp.  Dhr. W.A. Verrijp is beroepsmolenaar geweest op de molen in Hekelingen en werd in 1976 door de gemeente Bernisse tot vrijwillig molenaar op de Arend te Zuidland benoemd. Hij komt uit een echte molenaarsfamilie. Het vak ging van vader op zoon. Zijn opa was molenaar in Spijkenisse, molen de Nooitgedacht en later op de molen De Zandweg in Rotterdam-Charlois. Verder vind je in zijn stamboom het beroep molenaar regelmatig terug tot in de 17e eeuw zowel op korenmolens als op watermolens. De heer Verrijp heeft het molenaarsvak gedurende 51 jaren uitgeoefend en is onlangs op zijn 76e jaar gestopt. Hij heeft de Arend t/m 31 december 2003 bemalen. Op 7 januari 2004 heeft hij de sleutel officieel overgedragen aan de nieuwe molenaar Dhr. John Wijnhoven.

De overige molens:

Bij sommige molens zijn er deze dag extra activiteiten. Op onze site treft u alle deelnemende molens, hun adressen en de extra activiteiten aan. Het adres luidt: www.molendag.info

Voor deze dag is er een speciale prentbriefkaart ontworpen. Deze kaart kunt u alleen op deze dag en op elke molen gratis verkrijgen. Elke kaart laat in het groot de foto zien van de bezochte molen met de 9 andere molens in het klein daaronder. Het is daarom leuk om alle tien de kaarten te bemachtigen. Deze kaart hebben wij dankzij Voorne In Alle Staten kunnen ontwikkelen. Via onze website kunt u een stempelkaart downloaden. Haal bij elke molen een stempel, (1 stempel per persoon) en bij minimaal 5 stempels verdient u een heerlijke *pannenkoek bij molen ‘Nooit Gedacht’, Noordeinde 99 te Spijkenisse. U kunt de stempelkaart ook bij de molens zelf vinden.

Molen Nooitgedacht te Spijkenisse:

Deze molen is een korenmolen die aan het Noordeinde in Spijkenisse staat, naast het oude gemaal “De Leeuw van Putten”. Het is een ronde bakstenen stellingmolen uit 1844. De molen is tot 1960 in gebruik geweest en is in 1972-1973 gerestaureerd. Na een restauratie in 2000 draait de molen weer regelmatig. Er zijn drie koppels maalstenen aanwezig. Onderaan de molen was een dierenspeciaalzaak gevestigd. In 2009 is begonnen met een grote verbouwing, waarbij de molen zeven meter werd opgehoogd, zodat de gemeente haar bouwplannen in de directe omgeving kan realiseren zonder belemmering van de windvang. Zodra de verbouwing is voltooid, wordt in het bijgebouw een pannenkoekenrestaurant geopend waar u op 17 juli tot 17.30 uur na het behalen van vijf stempels, uw gratis *pannenkoek kunt gaan eten.

Molenmakerij Herrewijnen:

Molens worden onderhouden door zeer gespecialiseerde ambachtslieden. Het is dan ook bijzonder dat Molenmakerij Herrewijnen in Spijkenisse voor deze dag zijn schitterende werkplaats heeft open gesteld en bereid is alles over het prachtige- en indrukwekkende vak van molenmaker te vertellen. Bezoek de werkplaats van Molenmakerij Herrewijnen aan de Korte Schenkeldijk 4 te 3207 LA Spijkenisse. Op deze dag krijgt u een indruk van wat er bij komt kijken om de molens draaiende te houden. U kunt ook hier een stempel op uw stempelkaart ontvangen.

Deze dag wordt mogelijk gemaakt door:

Alle Vrijwillig molenaars, Firma Vermaat Technics, Onderhoudsbedrijf M. Molenaar, Molecaten, Molenmakerij Herrewijnen, Voorne In Alle Staten, Gemeente Hellevoetsluis, Gemeente Bernisse, Bestuur Brielse Molenstichting, Henk van Steenbergen, Kevin Sonneveld, Jan Senders, Gwenda Sonneveld en Korenmolen “De Hoop”.

Kom op deze dag naar onze molens en molenmakerij kijken. Geniet van het oude ambacht en de industriële monumenten. Er zijn nog ongeveer 1000 van deze molens in ons land. Op deze dag heeft u de kans 10 van de 1000 te bezoeken. Wij hopen u te mogen ontvangen.

Tot ziens, de molenaars van Voorne Putten en Rozenburg

 *De pannenkoeken (met suiker of stroop) worden tot 17.30 verstrekt.

Hellevoetsluis als inspiratie

Voor Jeroen Hermkens, Hans Koopman en Eelke van Willegen vormt Hellevoetsluis een bron van inspiratie. Hun werken en nog veel meer kunt u vinden bij Kunstuitleen Hellevoetsluis,  Opzoomerlaan 106 Hellevoetsluis.
eeee
Hermkens

Jeroen Hermkens (Litho Hellevoetsluis)

Lees meer »

”Het kanon van de Brederode terug in het stadhuis van Brielle”

”Het kanon van de Brederode is thans teruggeplaatst van het Maerlantcollege naar de hal van het stadhuis.”foto gemaakt door F. Keller

foto gemaakt door F. Keller

Door: drs. A. A. van der Houwen

Het kanon van de Brederode:  een Deens geschenk.

In de hal van het Maerlant College aan de Burgemeester H. van Sleenstraat staat een eeuwenoud kanon opgesteld. Van nabij is de ouderdom er duidelijk van af te lezen. Het kanon heeft 250 jaar op de zeebodem gelegen, tussen de wrakstukken van het Nederlandse oorlogsschip de Brederode, dat in 1658 zonk in de Sont, de zeeëngte tussen Denemarken en Zweden. De tand des tijds en de uitwerking van het zeewater zijn goed zichtbaar. Oorspronkelijk woog het ijzeren stuk geschut 2.000 kilo, door corrosie weegt het momenteel niet meer dan 1.875 kilo. Het kanon werd in 1909 geborgen en door de Deense regering aan

ons land geschonken. Vervolgens werd het op verzoek van Brielle aan deze stad in bruikleen gegeven ‘om aldaar te worden tentoongesteld’.Het kanon herinnert aan de Brielse zeehelden Maarten Harpertsz Tromp (1598-1653) en Witte Cornelisz de With (1599-1658), maar is misschien nog wel meer een tastbare herinnering aan het schip de Brederode, waarop beiden overwinningen behaalden, maar waarop zij ook beiden sneuvelden.

De Brederode.

Het schip-van-oorlog de Brederode (1646-1658) was in zijn tijd een beroemd schip; op veel schilderijen is het afgebeeld. De Brederode behoorde tot de admiraliteit van de Maze en was gebouwd in Rotterdam onder leiding van de beroemde scheepsbouwmeester Jan Salomonsz. van den Tempel, die ook de Aemilia, het vlaggenschip van Tromp, heeft gebouwd. Toen het schip in 1646 van stapel liep was het het grootste en sterkste oorlogsschip van de Republiek; het voerde ruim vijftig stukken en had een bemanning van 270 koppen. Het werd vernoemd naar Johan Wolfert van Brederode (1599-1655), de Eerste Edele van Holland, en voorzitter van de Ridderschap en zwager van stadhouder Prins Frederik Hendrik. Het schip zou een roemrijke staat van dienst opbouwen.

Witte Cornelisz de With

De vice-admiraal van de admiraliteit van de Maze, Witte de With, was nauw betrokken bij de bouw van het schip. Het te bouwen schip moest dan ook zijn eigen schip, de Maagd van Dordrecht, vervangen. In april 1646 maakte De With met de Brederode de maidentrip. Gedurende vier maanden kruiste hij met het nieuwe schip in het Kanaal, om daarna Duinkerke te blokkeren terwijl dat aan de landzijde door de Fransen werd belegerd. In oktober 1647 viel het kapersnest in Franse handen en kon De With met zijn vloot terugkeren. Bij het binnenbrengen in Hellevoetsluis is de Brederode, zoals De With zijn superieuren schreef, ‘zeer ontramponeert geworden’ doordat het galjoen bij een aanvaring werd beschadigd.

Brazilië

Na de val van Duinkerke werden alle grote oorlogschepen opgelegd, behalve de Brederode. Het was het vlaggenschip van Witte de With, toen hij eind 1647 met een vloot van twaalf oorlogsschepen, transportschepen en 6.000 man koers zette naar Zuid-Amerika. Daar werden de bezittingen van de W.I.C. op de kust van Brazilië bedreigd door aanvallen van Portugezen en toenemende onrust onder de bevolking. Dit ‘Nieuw Holland’ was voor de W.I.C. van groot belang: het sloot de economische driehoek Europa-West- Afrika-Brazilië. De Heeren Negentien hadden de Staten Generaal dan ook om steun verzocht. De With kon echter weinig uithalen. Te land boekte de vijand succes na succes, op zee ging zij de strijd uit de weg. Voor de driftige De With waren het loodzware maanden. Zijn verstandhouding met de Hoge Raad, het bestuurslichaam van Brazilië, daalde tot een dieptepunt. Het liefst zocht De With de aanval; hij wilde de Portugese vloot opzoeken en strijd leveren, maar de Hoge Raad, die verdediging belangrijker vond, gaf daarvoor geen toestemming. Bovendien vreesde hij voor zijn schepen; deze leden sterk onder de tropische omstandigheden; zij werden ‘extraordinaer van de wormen gegeten’. Dit gaf voor hem de doorslag. Wanneer hij langer in Recife bleef, zo vreesde de vice-admiraal, dan zou zijn vloot niet meer in staat zijn om

de overtocht naar de Republiek te maken. Tegen de uitdrukkelijke wens van de Hoge Raad in, vingen de Brederode en de Gelderland de thuisreis aan. Op 28 april 1650 gingen zij voor Hellevoetsluis voor anker. Het eigenmachtig optreden van De With kreeg een staartje. Toen hij twee dagen later verslag deed van zijn reis werd hij gevangen gezet. Na een proces van vijf maanden, waarin zelfs de doodstraf werd geëist, werd hij in vrijheid gesteld, op verbeurd verklaring van zijn gage vanaf het moment dat hij Brazilië had verlaten, en tegen betaling van de kosten van het proces.

Eerste Engelse Oorlog

De Brederode was in de tussentijd gegeven aan Maarten Harpertsz. Tromp, wiens Aemilia in 1647 was verkocht. Tromp was erg in zijn sas met de Brederode. Hij roemde het schip als ‘een van de beste seylders van de vloote’. Die kwaliteiten zouden het schip goed van pas komen. De jaren daarop raakte de Brederode regelmatig slaags met de Engelse vloot. Het eerste incident vond plaats op 29 mei 1652 nabij Dover. Door een nog steeds onduidelijke oorzaak beschoot Blake, de Engelse bevelhebber, de Brederode, toen het schip langszij kwam en een sloep uitzette. Het schip liep daarbij schade op en enkele matrozen raakten gewond. De verraste Tromp reageerde aanvankelijk niet, om de zaak niet te laten escaleren. Niettemin

ontaardde dit in een vijf uur durend gevecht. De Engelsen legden later de schuld bij de Nederlanders en wezen erop dat de vlag niet naar behoren zou zijn gestreken. Achteraf bezien was dit ‘vlagincident’ het begin van de Eerste Engelse Oorlog. Die oorlog verliep rampzalig. De Engelse vloot hield flink huis onder de Nederlandse vissersvloot op de Noordzee. Tien van de twaalf begeleidende oorlogschepen werden veroverd. Toen Tromp met een vloot van 92 schepen en zeven branders, bemand met 11.000 zeelui en soldaten naar de Engelse vloot op zoek ging, werd hij bij de Shetland-eilanden overvallen door een zware storm. Elf oorlogsschepen gingen daarbij verloren. Dit kostte Tromp zijn positie. In augustus werd hem het opperbevel afgenomen, dit werd vervolgens opgedragen aan Witte de With.

Oktober 1652: een zwarte bladzijde

Kort daarop was er voor de Brederode opnieuw een rol weggelegd, ditmaal bepaald geen strijdlustige. In oktober 1652 kreeg De With nabij Duins de Engelse vloot in het oog. Hoewel zijn vloot duidelijk in de minderheid was, wilde hij met zijn schepen tot de aanval overgaan. Bij het overgaan van zijn Princesse Louise naar de Brederode, weigerde de bemanning hem echter aan boord te laten. Zij zagen in hem de tegenstander van hun Bestevaer Tromp en meer nog: zijn reputatie was hen bekend. Hij zou zich als een dolle hond op de vijand werpen. De bemanning verklaarde ‘(wij) sullen niet vechten naar behooren en souden liever een laech schut op hem lossen’, indien De With de Brederode als vlaggenschip zou nemen. Het optreden van de bemanning van de Brederode was tekenend  voor de stemming binnen de vloot. De nieuwe Engelse vijand boezemde velen ontzag in. Niettemin gaf de With bevel tot de aanval. Zoals van hem verwacht werd, wierp De With zich op 8 oktober aan het hoofd van de vloot in de strijd, aan boord van een geleend V.O.C. schip, waar hij een niet bekwame bemanning trof en hij naar eigen zeggen ‘de ampten van capiteyn, luytenant, stierman, constapel, constapelsmaets, jae tot provoost incluys (…) moest aenvatten.’ De strijd duurde tot het donker werd. De moed van De With werkte niet aanstekelijk, integendeel. Tijdens de krijgsraad aan het begin van de tweede dag waren er meer en meer kapiteins onwillig om de overmacht het hoofd te bieden. En hoe De With ook dreigde: ‘ik verzeker het U, (er) is nog hout genoeg in het Vaderland om galgen te maken’, het mocht niet baten. De Ruyter en Evertsen raadden hem aan om vooral niet zelf de aanval te kiezen. Daar moest De With zich bij neerleggen. Ook de Engelse admiraal Blake likte zijn wonden en pas laat in de middag liet deze zich weer zien. Opnieuw was het De With die de spits vormde, en daarmee de vloot kans gaf tot een gecontroleerde terugtocht. Tenslotte wist hij zijn vloot zonder groot verlies thuis te brengen. De nederlaag in de Tweedaagse Slag bij Duins of Kentish Knock, leidde tot het ontslag van een aantal kapiteins die zich laf hadden gedragen en hun schepen buiten de strijd hadden gehouden. De confrontaties met de Engelsen maakten één ding duidelijk: de Engelse schepen en kanons waren superieur aan die van de Republiek. Het zou een kwestie van tijd zijn voor de Engelsen de volledige overhand zouden hebben.

De bezem in de mast

Kort daarop kon de Brederode zich van smet zuiveren. Tromp keerde terug aan boord en aan het hoofd van de vloot. Hij kreeg opdracht een koopvaardijvloot te begeleiden door het Kanaal naar het zuiden. In het Kanaal trof Tromp een deel van de Engelse vloot onder Blake. De Slag bij Dungeness, op 9 en 10 december 1652, werd een grote Nederlandse zege. Na afloop zou – volgens een Engelse legende – Tromp een bezem in de mast van de Brederode hebben gehesen om aan te geven de zee te hebben schoongeveegd. Of Tromp werkelijk zo opgetogen zal zijn geweest is zeer de vraag. Zijn vloot en vooral zijn schip was zwaar gehavend. De enige reden om het niet zelf tot zinken te brengen was dat de Brederode nog steeds één van de beste zeilers was en, indien de onderste kanons konden worden gebruikt, ook het meest verwoestende. Dungeness bleek een Pyrrhus-overwinning. De Engelsen trokken lering uit de nederlaag en zetten de volgende maanden alles op alles om de vloot te herstellen: schepen werden gerepareerd, officieren die niet voldeden werden ontslagen, nieuwe generals at sea aangesteld, discipline aangescherpt en gages verhoogd. Toen Tromp eind februari terugkeerde van zijn konvooireis wachtte een vloot hem op aan de Engelse zuidkust. Drie dagen duurde de strijd, waarbij de Engelsen zich niet bekommerden om de koopvaarders, maar zich richtten op het vernietigen van de vloot. Daarin slaagden zij niet, maar de vloot leed wel grote schade. De Brederode was zo zwaar gehavend dat het schip in Hellevoetsluis grondig hersteld moest worden en niet kon uitvaren toen Tromp begin mei opnieuw in zee stak. Op 3 juni voegde de Brederode zich bij de vloot en nam Tromp aan boord. Het was de bedoeling geweest om de Theems te blokkeren, maar de Engelse vloot was reeds naar buiten gekomen. Op 12 juni 1653 troffen beide vloten elkaar bij Nieuwpoort. Hoewel het aantal schepen (elk 100) ongeveer gelijk was, gaf het zwaardere bronzen geschut de Engelsen de overhand en Tromp en zijn officieren moesten hun superieuren melden dat de Engelsen werkelijk de betere partij vormden en er zonder aanpassingen geen sprake meer kon zijn van gelijke strijd. De krachtmeting met de Engelse vloot maakte nóg iets duidelijk. De Engelsen hadden een nieuwe strijdmethode geïntroduceerd: het liniegevecht. Daarbij voeren de schepen in linie achter elkaar en gaven de vijand de volle laag. De mêlee, de oude manier van vechten waarbij de vloten zich op elkaar storten en min of meer een lijf aan lijf gevecht aangingen, behoorde tot het verleden. Dit betekende dat de schepen groter moesten worden en de kanonnen een groter bereik dienden te hebben. Voor een mêlee moesten schepen snel en wendbaar zijn, voor een bombardement dienden zij juist over veel vuurkracht te beschikken. De Brederode was één van de weinige schepen die aan de moderne eisen voldeed, maar had in de strijd een groot aantal treffers moeten incasseren, waaronder verscheidene schoten onder de waterlijn. Pompend en met een kruitkamer die blank stond, keerde het schip terug in het vaderland. Daar werd met verslagenheid gereageerd op het dramatische verloop van de oorlog. De zeehandel lag stil en vervangende oorlogsschepen waren nauwelijks beschikbaar. Voor het eerst in de geschiedenis blokkeerde een Engelse vloot de kusten van Zeeland en Holland.

Ter Heijde, de dood van Tromp

In augustus 1653 werd een poging ondernomen de blokkade te doorbreken. Op 8 augustus trof Tromp, op weg naar het noorden om De With af te wachten, de Engelse vloot bij Wijk aan Zee. De volgende dag slaagde Witte de With er in om zich met zijn schepen bij de hoofdmacht te voegen. Op 10 augustus brandde de strijd los. Het zou de laatste strijd worden voor Tromp. De strijd was zeer verbitterd, de Brederode zocht voortdurend de aanval en viel het ene schip na het andere aan. De vierde charge werd Tromp fataal, hij werd door een musketkogel in de borst getroffen en stierf kort daarop in zijn hut. De With nam de leiding over en wist de zwaar gehavende vloot in redelijke orde naar Texel te loodsen. De Slag bij Ter Heijde was verloren, maar had zijn doel bereikt: de Engelse vloot was zo zwaar gehavend, dat zij de blokkade moest opgeven en zich terugtrok. Vredesbesprekingen leidden in 1654 tot de Vrede van Westminster. De volgende jaren was het relatief stil. Korte tijd was de Brederode vlaggenschip van de nieuwe vlootvoogd luitenant-admiraal Jacob van Wassenaar Obdam (1610-1665), totdat hij ‘de Eendracht’ kreeg, het grotere schip kreeg dat voor Tromp was gebouwd. De Brederode kwam weer onder bevel van Witte de With en diende als kruiser voor de kust.

De Oostzee

Onder De With voer de Brederode kort daarop naar Dantzig. Voor de Republiek was de handel op de Oostzee van enorme betekenis. Het hout en graan dat men in de Oostzee kocht, vormden een onmisbare schakel in de handelsketen die het land met Zuid-Europa verbond. Het was de Republiek er alles aan gelegen om rust en evenwicht in dit gebied te bewaren, zodat de ‘moedernegotie’, zoals de Oostzeehandel werd genoemd, ongestoord kon doorgaan. In het midden van de 17e eeuw was dit moeizaam: Zweden was onder leiding van Karel X Gustaaf (1622-1660, koning vanaf 1654) aan een expansie bezig, waarbij de gehele Oostzeekust in Zweedse handen of invloedsfeer kwam. In de Republiek werd dit alles met bezorgdheid gevolgd. Toen de Zweden de stad Dantzig – wellicht de belangrijkste handelsstad voor de Republiek in de Oostzee – bedreigde, greep de Republiek in en stuurde schepen. De vloot stond onder bevel van Wassenaar Obdam. Ook de Brederode voer mee naar Dantzig, waar het schip werkloos bleef liggen tot 6 oktober. De aanwezigheid van de vloot was voldoende om de Zweedse koning van een aanval op de stad te doen afzien. Op 6 november 1656 ging de Brederode voor Hellevoetsluis voor anker. Twee jaren later moest de Brederode opnieuw naar de Oostzee. Karel X had een beleg geslagen voor Kopenhagen en dreigde Denemarken binnen zijn invloedsfeer te krijgen. De Republiek besloot in te grijpen en zond een vloot onder Wassenaar Obdam om de Denen te ontzetten.

De Slag in de Sont

In de vroege morgen van 8 november zeilde de Nederlandse vloot van 35 schepen met een noordenwind de Sont in. Daar wachtte de Zweedse vloot van 45 oorlogsbodems onder Carl Gustaf Wrangel haar op. In het nauwe vaarwater was weinig ruimte tot manoeuvreren en al spoedig ontstond een mêlee. De With voerde de vloot aan, eerst stortte de Brederode (59 kanons) zich, samen met de Eendracht (72 kns) van Wassenaar Obdam, op de Victoria (74 kns) van Wrangel. Daarbij werd het Zweedse vlaggenschip zo gehavend dat het zich uit de strijd moest terugtrekken. Vervolgens viel De With het viceadmiraalschip de Draak (66 kns) aan, dat van verschillende kanten hulp kreeg. Terwijl de Brederode verbeten vocht tegen vier schepen, raakte het afgezonderd van de eigen vloot. Het verloop van de strijd is later veelvuldig besproken: werd De With willens en wetens in de steek gelaten of had hij zijn hand overspeeld? Feit is dat de Brederode er alleen voor stond, zich aan de vijanden vastklampte en warempel ook nog de hardste klappen uitdeelde. Maar toen sloeg het noodlot toe: het schip liep aan de grond en kon zich niet langer verweren. Toch was de strijd nog niet gestreden. De Zweden moesten het schip in een man tegen man gevecht veroveren. Daarbij werd De With dodelijk getroffen door een kogel. En nog weigerde hij op te geven. Pas toen het schip averij maakte, verliet hij stervend zijn schip om een kwartier later aan boord van de Draak te sterven. Niet veel later kapseisde de Brederode en zonk. De Slag in de Sont werd een overwinning voor de Nederlanders, Kopenhagen werd ontzet en de Zweedse vloot wered bij Landskrona geblokkeerd. De strijd was hevig geweest en de prijs hoog. De Republiek verloor in Witte de With een unieke zeeheld. Zijn lichaam werd, op last van de Zweedse Koning gebalsemd en met alle militaire égards behandeld, overgedragen aan de Nederlanders. Dubbelwit kreeg een praalgraf in de Grote Kerk van Rotterdam. Het roemruchte schip de Brederode zou nooit meer terugkeren. Het schip kreeg een zeemansgraf in de Sont. Hoewel het schip in ondiep water zonk, kon het niet gelicht worden. Wel slaagde in 1660 ene Trewleben er in om met grijpers 26 stukken geschut en verschillende andere onderdelen van het wrak te lichten. Daarna werd het schip met rust gelaten en vergeten.

De ontdekking van de Brederode

Bijna 250 jaar later, in 1909, zou het wrak van de Brederode worden herontdekt. Daarbij werd onder meer een kanon geborgen. ‘For old times sake’ besloot de Deense regering om het kanon ten geschenke te geven aan Nederland. In augustus 1910 nam het Nederlandse marineschip m.s. Evertsen het kanon aan boord en bracht het over naar Amsterdam, waar het een plaatsje kreeg in het Rijksmuseum.

Johannes Karel Overbeeke (1845-1939)

Aan het kanon is de naam van J.K. Overbeeke verbonden, hij haalde het geschut naar Brielle. Maar als niet ene N.J. de Vloota uit Z. een oproep had geplaatst in de beide Brielse kranten om actie te ondernemen om het kanon naar Brielle te halen en het daar ‘op één van Brielle’s openbare pleinen’ tentoon te stellen, zou het kanon waarschijnlijk nooit in Brielle zijn gekomen. Een eerder artikel over het Deense geschenk had in de stad geen enkele reactie uitgelokt. De Vloota werkte de Briellenaar echter op het gemoed. ‘Waar zou het ooit beter plaats kunnen vinden, dan in de geboortestad van Witte de With?’, luidde de vraag die de ons helaas verder onbekend gebleven instigator stelde, ‘waar zou het beter in staat zijn de snaren van het vaderlandsch gemoed te doen trillen, dan daar, waar Dubbel Wit geboren werd en zijn eerste levensjaren doorbracht?’ De reacties liepen uiteen: de Brielse Courant temperde de geestdrift door erop te wijzen dat het geen eenvoudige zaak zou zijn het kanon in Brielle te plaatsen. De redactie stelde met spijt vast, dat er niet eens een stedelijke oudheidkamer bestond. En hoe dat kwam, was wel duidelijk, want ondanks het krediet dat de gemeenteraad beschikbaar had gesteld, waren ‘De Briellenaars zelf (…) niet te bewegen om door onderlinge samenwerking dat geringe verzamelplaatsje voor Brielsche antiquiteiten tot stand te brengen’. De Nieuwe Brielsche Courant daarentegen reageerde enthousiast. De hoofdredacteur Overbeeke viel het voorstel volmondig bij: ‘werkelijk, het idee (…) lacht ons zeer tegen’ schreef hij. Hij noemde zelfs al een goede plaats voor het kanon: ‘op het Asylplein, vlak voor het standbeeld De Nymph zou het een eereplaats innemen’ en zegde dan ook zijn medewerking toe: ‘wij willen gaarne medewerken om onzen gemeenteraad te bewegen stappen te doen.’ Overbeeke had recht van spreken. Hij was zelf raadslid en reeds een week later bracht hij het voorstel in de gemeenteraad ter sprake. Zijn pleidooi had succes en nog diezelfde avond werd besloten een rekest op te stellen en werd Overbeeke gemachtigd dit namens de raad persoonlijk te gaan aanbieden. De plannen bleven niet onopgemerkt; kort daarop werd zelfs in de Nieuwe Groninger Courant over de Brielse plannen gesproken. Met instemming schreef men ‘De Raad van Den Briel vraagt nu voor Den Briel dat kanon op. Het moet op een plein een herinnering zijn aan den grooten Briellenaar Tromp en zal dan beter zijn bestemming vervullen dan slapend in eenig museum.’ Het officiële verzoek moest toen nog ingediend worden, maar was inmiddels wel gerijpt in het hoofd van Overbeeke: de Brederode was vlaggenschip geweest van De With en Tromp, twee Brielse admiraals. Dáárop moest de nadruk liggen, en op een verantwoorde plaats. Ten slotte luidde het verzoek: ‘(dat) het dus voor deze gemeente eene groote eer zou zijn, wanneer vorenbedoeld kanon geplaatst kon worden op één der openbare pleinen te Brielle, of indien het tegen den invloed van de buitenlucht beschermd moet worden, in de Sint Catharijnekerk, vlak bij de plaats waar de beide ouders van den zeeheld (De With, AAvdH) begraven liggen, in welke kerk hij zelf het ambt van diaken bekleed heeft, en waar Maerten Harpertszoon Tromp gedoopt werd’. Met dit verzoekschrift toog Overbeeke naar Den Haag om de zaak persoonlijk te bepleiten. Daarin had Overbeeke al evenzeer succes: het verzoekschrift werd positief ontvangen en reeds op 26 oktober gaf, na machtiging van Koningin Wilhelmina, de Minister van Binnenlandse zaken een verklaring van bruikleen aan Brielle af voor het kanon ‘om aldaar te worden tentoongesteld’.

Naar Brielle

In de raadsvergadering van 9 november kwam het kanon ter sprake. De voorzitter kon melden dat de inspanningen beloond waren. De gemoedelijke sfeer leek even verstoord toen het raadslid Van der Knoop vroeg of de ‘kleine kosten’, die er volgens de burgemeester nog gemaakt moesten worden, toch niet te groot zouden zijn, omdat dat voor de financiën een bezwaar zou kunnen worden. Overbeeke voelde zich hier persoonlijk aangevallen en zei hierover dan ook ‘een weinig warm te worden.’ Hij herinnerde Van der Knoop eraan dat de raad hem met algemene steun op pad had gestuurd om het kanon te bemachtigen en nu hem dat gelukt was, ging ‘er een stem op tegen de kosten!’. Hij vond het een schande; desnoods moest men de kosten maar onder elkaar verdelen. Van der Knoop onthield zich wijselijk van verder commentaar. In de volgende maanden moest er veel georganiseerd worden, waarbij de belangrijkste vraag was, hoe kon het kanon naar Brielle worden overgebracht, het liefst met weinig kosten. Dit werd mogelijk door de medewerking van majoor J.E. Fabius, de  commandant van het Korps Torpedisten. Deze stelde enkele van zijn schepen ter beschikking, maar moest daarvoor op zijn beurt van hogerhand toestemming ontvangen. Het zou nog enige maanden duren, maar op maandagmorgen 13 februari vertrok de stoomboot Den Briel met bestemming Amsterdam, waar de volgende dag met behulp van militairen van de Vestingartillerie, die over voldoende materiaal en manschappen beschikten, om het aan boord zetten mogelijk te maken. De dinsdag werd in beslag genomen om het kanon aan boord te nemen van een barkas, die de Den Briel als sleep had meegenomen. Weer een dag later vertrok het schip met de sleep vanuit Amsterdam. Via de binnenwateren bereikte de Den Briel ’s avonds rond zeven uur Brielle. De volgende dag werd het kanon opgeborgen in de sloepenloods aan het Kostverloren waar het eens goed bekeken kon worden. Het kanon bleek te hebben geleden door de eeuwen onder water en leed nog steeds door de restanten van het zout. Door inroesten vielen hele stukken van de opperhuid af en droop er voortdurend roestwater uit. Navraag bij het Rijksmuseum leerde dat het kanon verhit moest worden en vervolgens met olie gedrenkt. In het Torpedomagazijn aan de Lijnbaan werd de volgende maanden een affuit vervaardigd. Op 26 oktober 1911 kon het kanon naar de vestibule van het stadhuis worden overgebracht. De Archiefcommissie werd belast met de verdere zorg omtrent het geschut. De archivaris Joh.H. Been schreef een begeleidende tekst die door Overbeeke’s drukkerij werd gedrukt en naast het kanon werd opgehangen. De volgende decennia was het kanon niet meer weg te denken uit het stadhuis; het zag bezoeken van het Koninklijk Huis, het binnentrekken van de Duitse bezetter en de komst van de Canadezen en werd gezien door al die honderden Briellenaren die wekelijks het stadhuis in- en uitliepen.

Kanon vermist

In de jaren vijftig ontstond er enige commotie rond het kanon. In 1954 was de Brederode voor een tweede keer ontdekt en weldra deed het verhaal de ronde dat de Deense regering met plannen speelde om het wrak te lichten, zoals kort daarvoor in Zweden de Wasa was geborgen. In Nederland werd enthousiast gereageerd. In Rotterdam hoopte men het schip een plaats te kunnen geven. Naar aanleiding daarvan wijdde De Blauwe Wimpel, het maandblad voor scheepvaart en scheepsbouw, een themanummer aan de Slag in de Sont en de ondergang van de Brederode. Vanzelfsprekend werd ook gerept van het kanon dat aan Nederland was overgedragen. De redactie had graag een foto willen plaatsen en had volgens eigen zeggen alles in het werk gesteld om de verblijfplaats van het kanon te achterhalen. Maar waar zij ook informeerde: het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, het Rijks Museum, het Amsterdamse Museum, het Maritiem Museum Prins Hendrik te Rotterdam of ’s Rijkswerf te Willemsoord, nergens wist men te vertellen waar het stuk geschut was gebleven. Gevreesd werd dat de Duitsers het kanon in de oorlogsjaren hadden meegenomen. De redactie stond versteld over het mysterie en schreef wrevelig dat dit ‘opnieuw een bewijs (was), hoe slordig, hoe nonchalant … ja hoe harteloos er blijkbaar soms wordt omgesprongen met zaken, die van het hoogste historische belang zijn’. In Brielle stond men evenzeer versteld. Hoe kon het dat niemand wist dat het kanon in de stad was? Verschillende Briellenaren namen contact op met de redactie, zo ook burgemeester H. van Sleen en de hoofdredacteur van de Nieuwe Brielse Courant, mevrouw J.C. van der Knoop-Gebraad. De Blauwe Wimpel kon zijn lezers gerust stellen. Het kanon stond inmiddels al 43 jaar veilig opgesteld in de hal van het Brielse stadhuis. Tussen de regels door vroegen zij zich af of het onderzoek wel goed gedaan was. Immers kort geleden, in 1949, was in Brielle de 350e geboortedag van Witte de With herdacht. En nog recenter, in 1953, was de sterfdag van Maarten Harpertsz Tromp in Brielle herdacht. Bij beide gelegenheden waren vele marine-autoriteiten en politieke figuren, onder wie de Minister van Oorlog en Marine en de voorzitter van de Tweede Kamer aanwezig geweest. Zouden zij zich niets meer van het kanon herinneren? Dat bleef niet onopgemerkt. In de zomer van 1955 wijdde het Maritiem Museum ‘Prins Hendrik’ in Rotterdam een speciale tentoonstelling aan het schip De Brederode. Voor die tentoonstelling werd ook het ‘Brielse’ kanon tijdelijk naar Rotterdam overgebracht. Nader onderzoek wees overigens uit dat het schip zelf te zeer geleden had onder het kruiende ijs dat zich jaarlijks vanuit de Oostzee door de Sont perst: feitelijk restten slechts de kiel en een deel van de bodem.

Ten slotte

Inmiddels is een halve eeuw verstreken. Tijden veranderen, evenals de waardering van objecten. Ten tijde van de recente verbouwing van de hal van het stadhuis tot VVV-vestiging annex museumentree, werd het stuk geschut verwijderd. Momenteel staat het opgesteld in de hal van het Maerlantcollege aan de Burgemeester H. van Sleenstraat.

Dit artikel is terug te lezen op onderstaande link:

http://www.vriendenmuseumdenbriel.nl/media/Download%20Mare/Mare%2016-2.pdf

zoals momenteel opgesteld in de hal van het Maerlantcollege

Het Kanon van Brederode, zoals momenteel opgesteld in de hal van het stadhuis aan de markt. Foto: F. Keller

Brielle: De zestiende eeuw; de stad ommuurt zich

Brielle werd op Sint Andriesdag, 30 november 1330 stadsrechten verleend door Gerard van Voorne. Amper vijf jaar later kreeg de stad ook het recht om versterkingen aan te leggen, om ‘ongewenst volk tegen te houden’. Na een jaar of vier moet de stadsvest geheel aanwezig zijn geweest, maar in hoeverre er dan al sprake is van muren en poorten is niet duidelijk. Wel is in 1342 al rond de gehele stad een gracht aangebracht.

Voor de versterkingen werd allereerst een stadsmuur aan de west- en zuidzijde aangelegd. Aan de noord- en oostzijde liepen twee rivierarmen en tot omstreeks het midden van de zestiende eeuw werd dit voldoende geacht om de toegang tot de stad te belemmeren. In de jaren rond 1500 was de dreiging van oorlog verschillende malen aanleiding tot het aanleggen van verdedigingswerken.

Cartograaf Jacob van Deventer tekende rond 1566 op gedetailleerde wijze de verdedigingswerken: een langgerekt stadsgebied, geheel omgeven door water en een ommuring met vier poorten: de Noord- en de Zuidpoort en in het westen de Lange- en de Piermanspoort. Alleen waar aan de oostzijde de ter plaatse brede en tweearmige Goote voor een natuurlijke barrière zorgde was een muur weggelaten. Van Deventer tekende verder in totaal 22 verdedigingstorens.

Uitgelicht

Plattegrond

Tussen 1558 en 1575 vervaardigde ‘koninklijk geograaf’ Jacob van Deventer plattegronden van ongeveer 260 vestingsteden in de zeventien Nederlandse gewesten die op dat moment deel uitmaakten van het Spaanse rijk onder Philips II. Het werk van Van Deventer wordt algemeen als een mijlpaal in de Nederlandse cartografische traditie beschouwd. Zijn kaarten vormen een historische bron van grote waarde. Geen enkel ander land kent een vergelijkbare reeks stadsplattegronden. Jacob van Deventer kreeg de opdracht omdat Philips II zich geconfronteerd zag met dreigend oproer in de Nederlandse gewesten, waarover hij sinds het aftreden van zijn vader Karel V in 1555 het gezag voerde. Met het oog op militaire acties liet de koning alvast alle strategisch belangrijke plaatsen in kaart brengen. vandeventer

Van Deventer hanteerde bij zijn karteringswerk de driehoeksmeting om eerst de hoofdstructuur van een stad in beeld te brengen. De ligging van de stadsmuren en markante gebouwen, zoals kerken, kloosters, kapellen, het stadhuis en vestingwerken, werd zo nauwkeurig mogelijk weergegeven. Vervolgens vulde hij de plattegrond verder in door de straten met passen te meten. Hierbij maakte hij gebruik van instrumenten als het kompas en de bóussole (om hoeken te meten). Deze werden vervolgens – waarschijnlijk in combinatie met geschetste topografische details – met pen overgetekend en ingekleurd. De aldus ontstane kaarten worden ‘minuten’ genoemd, die op hun beurt hebben gediend als basis voor ‘netkaarten’. Het resultaat van Van Deventers inspanningen is indrukwekkend.

In de Biblioteca Nacional te Madrid worden twee dikke banden met de netkaarten bewaard, een derde band is verloren gegaan. Opvallend is dat de huidige kadastrale kaart van Brielle ‘door de oogharen gezien’ nog hetzelfde beeld geeft als omstreeks 1560 getekend.

De stadsmuur aan de Langestraat

In april 1998 is in opdracht van de gemeente Brielle door het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van gemeentewerken Rotterdam (BOOR) archeologisch onderzoek verricht op het terrein van de vroegere meisjesvakschool, waar over een lengte van ruim honderd meter de historische stadsmuur is opgegraven. De opgravingen werden onder leiding van archeoloog drs. A.J. Guiran uitgevoerd. De opgegraven muur ligt vrijwel parallel aan de Langestraat; na circa 62 meter knikt de muur in de richting van de Burgemeester H. van Sleenstraat. De indrukwekkende funderingen van de stadsmuur zijn over het algemeen over een hoogte van 1.50 à 2.20 meter bewaard gebleven.

Aan de achterzijde van de muurfunderingen is, op onderlinge afstand van ruim drie meter, een groot aantal steunberen aangetroffen. Deze dienden om de muur in balans te houden en om de tongewelven te dragen, waarop een weergang was aangebracht. De lengte van de gebruikte bakstenen (27 – 29 centimeter) geeft een – voorzichtige – indicatie voor de datering van de muurfunderingen: de eerste helft van de veertiende eeuw. Een bakstenen vloertje tussen de steunberen en een beerputje uit het laatste kwart van de veertiende eeuw wijzen op een mogelijke bewoning onder de bogen van de weergang.

Een heel bijzonder fenomeen is de doorgang in de stadsmuur ter hoogte van het midden van de Maarlandse haven. Deze doorgang is al aanwezig in de eerste aanleg van de stadsmuur. Een groot gedeelte van vermoedelijk een gemetselde boogconstructie bleek in de opening naar beneden te zijn gestort.

De stadsmuur verloor haar functie aan het eind van de zestiende eeuw door de modernisering van de verdedigingswerken. Ergens in het midden van die eeuw is men de sluisgang gaan slopen. Een grote uitgraving getuigt van deze activiteit. De vulling van deze uitgraving bestaat onder andere uit mest en puin. Er komen naast aardewerk en dergelijke ook bijzondere vondsten als gebrandschilderd glas in voor.

Een zeer bijzondere en zeldzame vondst vormt een aantal (delen van) leren boekbanden met stempelversieringen en metalen sluitingen. De boekbanden moeten met ander afval in het midden van de zestiende eeuw in de bodem zijn terecht gekomen tijdens het slopen van de doorgang in de stadsmuur. Het gaat om delen van minimaal zes grote en kleinere banden uit de periode 1450-1520, die nu aanwezig zijn in Historisch Museum Den Briel.

Alva verliest zijn bril

Op 1 april 1572 verwierf Brielle een bijzondere plaats in de geschiedenis. Die dag bleken er in de monding van de Maas zesentwintig schepen te liggen, bemand door de Watergeuzen. Lieden van allerlei slag; edelen, ambachtslieden en zeelui, allen strijdend tegen de zware repressie van het  Spaanse bewind, belichaamd in Don Alvarez de Toledo, hertog van Alva. Het Spaanse garnizoen, dat de stad en zijn toen bijna vierduizend inwoners tegen de dreigende plunderingen door de Geuzen had kunnen beschermen, was een half jaar eerder door Alva verlegd naar Utrecht.

Veerman Coppelstock roeide naar de vice-admiraal en voormalige Briellenaar Jonker Willem Bloys van Treslong. Nadat hij de Geuzen informeerde dat zich geen Spaans garnizoen meer in Brielle bevond, besloten zij de stad in te nemen. Coppelstock kreeg de opdracht het stadsbestuur op de hoogte te brengen van de eisen: er moesten twee afgevaardigden worden gestuurd, waarmee de overgave kon worden besproken.

Het stadsbestuur stond in tweestrijd. Als de eis van de Geuzen werd geweigerd, zou de stad worden geplunderd. Als de eis werd ingewilligd, zou op den duur de straf van de Spanjaarden niet gering zijn. Het was een keuze uit twee kwaden, die uiteindelijk niet gemaakt hoefde te worden. Het geduld van de Geuzen was op, voordat het stadsbestuur een keuze had gemaakt…

Bloys van Treslong benaderde de stad vanuit het zuiden en kon via de openstaande Zuidpoort binnen trekken. Een tweede groep kwam voor de Noordpoort te staan, die ze met een scheepsmast rammeiden. Brielle was door de Geuzen ingenomen. De stad werd vervolgens in opperste staat van verdediging gebracht in afwachting van een Spaanse tegenaanval.

innamegeuzen

Die volgde op 5 april, toen verschillende compagnieën uit Utrecht naar Brielle werden verscheept. Vanuit Heenvliet en Zwartewaal marcheerden de soldaten naar de stad, waar een paar schermutselingen plaats vonden. Voordat het tot een echte belegering kon komen, wist stadstimmerman Rochus Meeusz., volgens overlevering, het Nieuwlandse sluisje open te zetten en daarmee de omringende polder onder water te zetten.

De Spanjaarden trokken zich terug en ontdekten dat andere Watergeuzen hun schepen bij Heenvliet in brand hadden gestoken. Verslagen dropen ze af. De opstand zou zich spoedig uitbreiden over de Nederlanden, tot grote verrassing van Alva. Sindsdien is het: ‘Op 1 april verloor Alva zijn Bril (Den Briel)’.

In de geschiedenisboeken kwam het verhaal dat de heldhaftige Watergeuzen de stad in naam van Oranje hadden veroverd. Het stadswapen draagt vanaf die tijd de leus ‘Libertatis Primitiae’, ‘eerstelingen der vrijheid’.

willem bloys van TreslongJonker Willem Bloys van Treslong (1529-1594) was in 1572 admiraal van de Geuzen. Hij was de zoon van de oud-baljuw (een ambtenaar die de vorst in de steden en landelijke gebieden vertegenwoordigde) van Brielle en is wellicht geboren in het stadje. Voor Brielle is hij van enorme betekenis omdat hij, toen Lumey, de aanvoerder van de Geuzen, op 1 april 1572 dreigde de stad te plunderen en vervolgens weer te verlaten, ervoor pleitte de stad te behouden. Hiermee werd Brielle niet de zoveelste stad die de Geuzen hebben geplunderd, maar de eerste stad die door hen bevrijd werd. Bloys van Treslong zette de strijd als Geuzenaanvoerder voort, werd Admiraal van Holland (1573) en van Zeeland (1576).

lumeyWillem van Lumey,graaf van der Marck,Collectie Verhuell, Streekarchief Voorne- Putten en Rozenburg.

De Martelaren van Gorcum

Na de inname van Brielle ging de zegetocht van de Watergeuzen door. Eind juni werd Gorinchem ingenomen. Daar werd een groot aantal geestelijken gevangen genomen, die Lumey naar Brielle liet overbrengen. Het blijft een open vraag wat hem daarmee precies voor ogen stond, maar het resultaat was dat negentien van hen even buiten Brielle werden opgehangen. Deze martelaren om het geloof werden in 1674 zalig en in 1860 heilig verklaard, waarna Brielle zich eind negentiende eeuw ontwikkelde tot een belangrijk bedevaartsoord. Nabij het Martelaarsveld verrees een kerk, die in zijn ontwerp herinnert aan de turfschuur waar de martelaren destijds werden opgehangen.

de martelaren van Gorcum

Vervolg.

Dit is het middeleeuwse beeld van de stad; waarschijnlijk het resultaat van diverse periodes van bouwactiviteiten gedurende twee eeuwen. Deze verdedigingswerken gingen bij de modernisering en de ombouw tot de ‘vesting Brielle’ in de zeventiende en achttiende eeuw geheel verloren. De stadsmuur aan de Langestraat kwam zelfs binnen de stad te liggen. Meer hierover in andere berichten.

Brielle omstreeks 1570

Brielle: Tot aan de 15e eeuw; de stad ontstaat

Brielle heeft een historie die teruggaat tot het midden van de dertiende eeuw. In 1257 wordt in documenten al over Brielle gesproken, nog voor de dorpen Maerlant en Den Briel zich hadden samengevoegd. Ten tijde van ’de Romeinen’, was ons gebied overigens geen eiland; de overstromingen van duizend jaar later hebben dat teweeg gebracht.

In de elfde en twaalfde eeuw bestond Voorne uit een verzameling kleine en grote eilandjes, slikken e14e eeuwn zandplaten. Er vestigden zich boerenfamilies, die de moerassige veengronden ontgonnen en in gebruik namen voor landbouw en veeteelt. Deze in cultuur gebrachte gebieden werden echter regelmatig door de Noordzee en de Maas overstroomd en verwoest. De bewoners hielden vol en begonnen dijken aan te leggen. Oostvoorne, Rugge, Abbenbroek en Zwartewaal zijn de eerste polders die op deze manier opnieuw konden worden bewoond. Het zijn typische ringpolders waarvan de bedijking werd gevormd door natuurlijk grenzen als kreken, geulen en zandbanken. Langs deze polders slibden nieuwe gorzen (oevergebieden) aan, die eveneens werden ingepolderd.

Zo werd begin dertiende eeuw langs de polder Rugge een stuk land ingedijkt dat de naam Oosterland kreeg. Hier vormden mensen de nederzetting Maerlant en later ontstond iets zuidelijker tegen de dijk het dorpje Den Briel. De huidige Brielse Voorstraat en Nobelstraat zijn het zichtbare restant van deze dijk. Brielle had een gunstige ligging, aan de rivier de Goote, waardoor de verbinding met Vlaanderen en Brabant werd onderhouden. Zo kon de stad zich ontwikkelen tot een bloeiende handelsnederzetting.

In 1280 kreeg het toestemming van Aelbrecht van Voorne om twee vuurbakens op te richten. De schepen die deze bakens passeerden, moesten hiervoor een belasting betalen. De opbrengst ging deels naar de kerk en deels naar de Heilige Geest; de instelling die van overheidswege zorg droeg voor de armen. Uit 1346 stamt het oudste keurboek van Brielle, met 76 verordeningen die het openbare leven regelden. Twaalf jaar na de eerste stadsrechten had de stad al tal van regels gesteld aan de verkoop van verschillende goederen, zoals vlees, vis en drank, beperkingen aan gokken en het dragen van messen, en ook voorschriften opgesteld rond plechtigheden als dopen, trouwen en begraven.

De jurist Jan Matthijssen werd in 1401 benoemd tot secretaris van Brielle, en in die hoedanigheid beschreef hij omstreeks 1407 het middeleeuwse gewoonterecht zoals dat in die tijd in Brielle werd gehanteerd. Het rechtboek is bewaard gebleven en vormt een unieke bron, want het gewoonterecht werd over het algemeen niet op schrift gesteld.  Zodoende biedt het boek een buitengewoon zeldzaam inkijkje in het oude vaderlandse recht.

rechtboek

Rijks rooms leven

Brielle kende in de eerste eeuwen van haar bestaan een rijk rooms leven, getuige niet alleen de bouw van de Sint-Catharijnekerk (zie Uitgelicht II), maar ook de vele voormalige kloosters in en om de stad. In Rugge stond een kerkje langs de Ricksedijk. Hierachter werd in 1404 met toestemming van Aelbrecht van Voorne een regulierenklooster gesticht. Dankzij giften groeide de instelling snel uit tot een rijk klooster met veel bezittingen. In het Cartularium van Rugge, een perkamenten boekdeel waarin het gilde alle belangrijke akten uit zijn archief liet kopiëren, staat precies vermeld welke landerijen aan de Regulieren van Rugge toebehoorden. Ze kregen het onder meer geschonken voor hun hulp bij het droogleggen van polders.

Het klooster van Sint Andries was een zusterhuis, dat eveneens in Rugge stond. De nonnen verrichtten taken als het afleggen van de doden, het verplegen van zieken, het helpen van de armen en het schoonmaken van de kerk in Rugge.

Het klooster van de Cellebroeders lag langs de Brigittenweg. De Cellebroeders vormden een orde van monniken die zich inzetten voor de zieken, en hielpen bij het afleggen en begraven van de doden. De Cellezusters hielden zich eveneens bezig met het verzorgen van zieken. Maar hierbij zullen zij zich beperkt hebben tot het verplegen van vrouwen. Hun klooster lag dichtbij dat van hun mannelijke tegenhangers, tussen de Brigittenweg en de Commandeurstraat.

Het Sint-Catharina Klooster was ooit het grootste klooster van Brielle en het stadsbestuur heeft heel wat te stellen gehad met de leiding. In 1481 drongen de schutters na een feest het klooster binnen en gingen er flink tekeer. De pater had namelijk gebroken met de gewoonte om jaarlijks een ton bier aan de schutters te schenken. Later, in 1549, kwam het zelfs tot een rechtszaak waarbij de stad de pater beschuldigde van smokkelarij en belastingontduiking.

Margaretha van York stichtte het Clarissenklooster, nadat ze daartoe op 26 april 1483 toestemming van paus Sixtus had verkregen. Het was een orde met een streng armoede-ideaal. De nonnen moesten leven van de giften van weldoeners. De stad heeft veel geld moeten bijleggen om hen geen hongerdood te laten sterven. In 1548 brandde het convent af, waarna het pas in 1564 weer in gebruik werd genomen.

Het Brigittenklooster dateert uit 1485 en is daarmee het jongste klooster. Mede omdat er al zoveel kloosters binnen de stad waren, kwam dit klooster niet tot bloei. In 1558 werd het complex door de stad opgekocht. Er is vrij weinig van het klooster bewaard gebleven, alleen het Brigittenpoortje op het Catharijnehof is een tastbare herinnering.

brigittepoortje Het Brigittepoortje, 1935, olieverf op doek, Collectie Historisch Museum Den Briel

Uitgelicht I

Een leren etui met wastafeltjes

Voorafgaande aan de bouw van woningen in het carré Langestraat, Coppelstockstraat, Maarland ZZ en Kerkstraat, voerde het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam (BOOR) in opdracht van de gemeente Brielle in 2002 een archeologisch onderzoek uit. Daarbij werden verscheidene houten afvaltonnen met vijftiende-eeuws materiaal gevonden en een grote bakstenen beerput aangetroffen. In die beerput werd een heel bijzondere vondst gedaan, namelijk vijf, deels beschreven wastafeltjes; plankjes hout voorzien van een laagje was waarin met een metalen schrijfstift aantekeningen werden gemaakt – de notitieboekjes van weleer. De gevonden wastafeltjes zijn bestudeerd door archeoloog en historicus Arnold Carmiggelt.

Er bestaan talrijke vondsten van schrijfstiften en wastafeltjes uit de eeuwen voor en rond het begin van de jaartelling, alsmede vele iconografische afbeeldingen van personen die wastafeltjes beschrijven. In Nederland zijn uit de Romeinse tijd verschillende schrijfstiften en wastafeltjes bekend.

De teksten op de wastafeltjes, die in de beerput in Brielle zijn gevonden, hebben betrekking op de transactie van haringtonnen door Brielse (haring)kooplieden. De aantekeningen zijn in verband te brengen met de zogenaamde godspenning: een belasting die geheven werd op de verkoop van vis en die ten goede kwam aan de kerken en gasthuizen. Het zijn persoonlijke notities en geheugensteuntjes om eventueel later op papier of perkament te schrijven. De wastafeltjes vormen een bijzonder onderdeel van de  afdeling archeologie van het Historisch Museum Den Briel.

Uitgelicht II

De Sint-Catharijnekerk

Op 23 mei 1417 werd de eerste steen gelegd van de (tegenwoordige protestantse) Sint-Catharijnekerk, op de plek waar zijn voorganger op 3 juni 1405 afbrandde. De Briellenaren koesterden grootse plannen voor denieuwe kerk. Het zou een basiliek met gigantische afmetingen worden; waar nu een blinde muur staat, had een dwarsschip en een koor moeten komen. De toren zou maar liefst 110 meter hoog worden. In 1456 was de bouw van de toren gevorderd tot bijna zestig meter hoogte, maar op 14 augustus brak een brand uit die het werk verwoestte. De toren stortte in en in 1462 werd opnieuw begonnen aan het kostbare werk. In 1482 gaf het stadsbestuur opdracht voor het gieten van de bronzen luidklok. De beroemde klokkengieter Steven Butendiic was verantwoordelijk voor het maken van de kolossale klok met een gewicht van 4.200 kilo. Aangezien de Brielse handelspositie ondertussen begon af te nemen droogde de geldstroom op. Talloze kleine en grot e tegenslagen, waaronder de stadsbranden van 1495, vormden aanleiding om de bouw van de kerk rond 1500 stil te leggen. Hoewel het gebouw nooit is voltooid, vormt het toch een indrukwekkende kerk in de sobere stijl van de Brabantse gotiek. De met Gobertanger, een blonde natuursteen, beklede 57 meter hoge toren domineert sindsdien het land van Voorne. Behalve drie luidklokken heeft de toren een carillon met 47 klokken. Na enkele belangrijke restauraties in 1938 en 1968 was de toren rond de eeuwwisseling opnieuw toe aan ingrijpend herstel. Vooral het natuursteen had veel te lijden van het steeds wisselende kustklimaat. Het door de wind opgestuwde regenwater kon daardoor diep in de toren binnendringen en daar verwoestend werk aanrichten aan het natuursteen, het metselwerk, de houtconstructie en het pleisterwerk. Na een grondige voorbereiding in de jaren 1996 – 1997 door de gemeente en restauratie-architect Van Hoogevest uit Amersfoort kende het Rijk een zogenaamde kanjersubsidie toe van ruim 1,3 miljoen euro, op een totaal aan kosten van bijna drie miljoen euro. De restauratie van de toren is in 2001 afgerond.

kerkfoto

(Bron: www.Catherijnekerk.nl)

Uitgelicht III

Angelus Merula (1482-1557)angelusmerula

Eind vijftiende en begin zestiende eeuw ontstonden in Europa nieuwe kerkelijke stromingen. Theologen als Luther en Calvijn kwamen met vaak opstandige ideeën over het geloof en dit werd door verschillende pastoors opgepikt en onder het volk verspreid. Engel Willemsz. De Merel (in het Latijn: Angelus Merula) werd in 1482 in Brielle geboren. Hij ging in Brielle naar de Groote school, de latere Latijnse school in de Venkelstraat. Vervolgens studeerde hij theologie in Parijs. Tot 1532 vervulde hij kerkelijke functies in Den Briel; daarna werd hij benoemd tot pastoor in het nabij gelegen Heenvliet. Merula was het – zoals velen in zijn tijd – niet eens met de grote invloed en rijkdom van de katholieke kerk. De bevolking was arm en had veel te lijden van de slechte economie en het strenge bewind van keizer Karel V, de vader van Philips II.

Merula probeerde hervormingen in het bestaande kerkelijke systeem door te voeren. Zijn reformatorische ideeën liet hij in zijn preken doorklinken. Hiervoor werd hij in 1552 gearresteerd door de Inquisitie, het kerkelijke opsporingsapparaat dat ketters te lijf ging en er op toezag dat men ‘goed katholiek’ bleef. Merula stierf na een gevangenschap van vijf jaar in het Belgische Bergen.

De constante dreiging van de Inquisitie bracht de ketters, de tegenstanders van het katholicisme, ertoe hun eigendommen veilig te stellen. Sommigen vluchtten en begroeven hun geld in de grond. Merula liet vlak voor zijn gevangenneming een akte opstellen waarin hij zijn bezit – woonhuis, zes armenhuisjes en landerijen met hun inkomsten – vermaakte aan Den Briel. In de akte werd bepaald dat Merula’s woonhuis een weeshuis moest worden. Het Merula-Weeshuis is tot 1948 als zodanig in gebruik geweest. De gelijknamige stichting is nog steeds actief.

Uitgelicht IV

Restauratie en herbestemming Begijnhofkapel

Over het Begijnenhof aan de Coppelstockstraat wordt in de annalen van de stad voor het eerst in 1413 melding gemaakt. Maar al in 1331 wordt van een zekere Kateline geschreven dat zij een, te Maarland woonachtige, begijn is. Eveneens onzeker is wanneer het hofje een eigen kapel heeft gekregen; het huidige gebouw zal omstreeks 1460 zijn verrezen. Frank van Borselen, heer van Voorne, bestelde in 1466 een gebrandschilderd raam voor ‘der beginen nieu kerck’ bij de Haagse glazenier Zweer van Opbueren. De kapel was vermoedelijk aan Johannes de Doper gewijd. Nadat in de eerste helft van de zestiende eeuw meer en meer huisjes leeg kwamen te staan, verhuisden de bewoonsters van het Vrouwenhuis vanuit een huis op de noordzijde van het Maarland naar het hofje. In 1571 waren er nog maar twee begijnen over en met de inname van de stad door de Watergeuzen, een jaar later, viel het doek voor het begijnenhofje definitief. De kapel verloor in 1572 eveneens haar kerkelijke functie en werd als turfpakhuis in gebruik genomen. In 2008 is gestart met een grondige opknapbeurt, ten dienste van een nieuwe bestemming voor mensen met een lichte verstandelijke handicap.

begijnhofkapel

Brielle, een stad met een verleden

Hieronder een impressie van Brielle gemaakt door H.A.L video produkties

YouTube voorvertoningsafbeelding

Rubrieken Stamboom

Uw Reactie

Wil je voor deze site iets schrijven of heb je interessant beeldmateriaal? Graag! Laat ons het weten! Wij zijn altijd op zoek naar mensen die informatie hebben over de cultuurhistorie van Voorne. Word nu auteur of bijdrager!

Klik voor uw reactie

Bezoekers

  • 1Momenteel online: