‘Wijken voor de Wall’ van Bob Benschop

Op 7 maart 2015 ging het nieuwe boek van historicus en streekarchivaris Bob Benschop naar de drukker. ‘Wijken voor de Wall’, zoals het boek heet, gaat over de gevolgen van de Duitse bezetting in de vesting van Hellevoetsluis. Uitgever is de Stichting Stadsmuseum Hellevoetsluis. Het boek is binnenkort verkrijgbaar.

De tekst op de achterflap luidt: ‘Vanwege de aanleg van de Atlantikwall gaf de Duitse bezetter in september 1943 opdracht om de honderden woningen en pakhuizen, die aan de westzijde van de Vesting van Hellevoetsluis stonden, af te breken. Het luidde het einde van een tijdperk in: de vroegere bordelen aan de Hoofdwachtstraat, de statige panden langs de Westkade, het befaamde Hotel van Engelen, de krotten in de Peperstraat en de winkeltjes in de Molenstraat verdwenen onder de slopershamer. Hellevoetsluis raakte in korte tijd veel kwijt: de bewoners vertrokken naar elders en de tastbare herinneringen aan het maritieme verleden werden kapot geslagen tot een troosteloze vlakte vol puin. Door de sloop van de bebouwing en het vertrek van de inwoners zijn relatief veel anekdotes en verhalen over het vooroorlogse Hellevoetsluis in vergetelheid geraakt. ‘Wijken voor de Wall’ gaat over de gebouwen die langs de westzijde van de vesting stonden en de mensen die er woonden en werkten. Het verhaal wordt rijkelijk geïllustreerd door talloze foto’s, prent- briefkaarten en advertenties, zodat een klein stukje van die rijke Hellevoetse geschiedenis weer in herinnering wordt gebracht.

Bob Benschop schrijft veel over de geschiedenis van de streek waar hij woont. Zo vervaardigde hij de Canon van Voorne-Putten en Rozenburg (waarop onder andere deze internetsite is gebaseerd), verder de Historische atlas van Voorne-Putten en samen met anderen Het Voorne-Putten Boek.

Het omslag van het nieuwe boek van Bob Benschop: 'Wijken voor de Wall'.

De achterflap van het boek.

 

 

 

Een oude foto

Uit de serie ‘Schatgraven in Brielle’ door Kees Weltevrede, geboren op 21 juni 1941 te Brielle.

Een foto, waarop mijn grootouders staan afgebeeld, opa en oma Weltevrede. Ze kijken in de lens van de camera, ‘naar het vogeltje’, zoals wij vroeger zeiden, en zien eigenlijk niets. Dat wil zeggen: ze zien en horen de fotograaf die routineuze handelingen verricht. Opa en oma zitten in een houding die weinig van hun innerlijk verraadt. De foto is vergeeld en ademt een vooroorlogse sfeer van nette armoede, propere kleren en de opsmuk van het fotoatelier.

Opa en oma Weltevrede ergens in de jaren twintig van de vorige eeuw.

De schoenen gepoetst, opa in een driedelig kostuum, de horlogeketting zichtbaar op z’n vest, een donkere strik om de boord. Hij heeft geen bril op. Oma wel. Ze kijkt zoals oom Dries uit Woerden kon kijken, en ook als tante Pie uit Den Haag: een beetje geknepen mond met invallende mondhoeken, maar wel ogen die je aankijken vanuit een innerlijke rust. Dat is mooi: als je oud geworden bent, en je bekijkt het drukke leven om je heen en je hebt een innerlijke rust. Trouwens… hoe oud zouden ze zijn? Ik schat zestig en als dat juist is, is de foto van midden twintiger jaren van de twintigste eeuw. Misschien vergis ik me, en zijn ze ouder. Misschien waren ze veertig jaar getrouwd, en zeiden ze: Kom laten we eens een foto van ons tweetjes laten maken, voor later, als we er niet meer zijn. Oma ziet er wel ouwelijk uit trouwens, maar dat komt vooral door de mode van die tijd: hoge schoenen, lange hooggesloten jurk met een kraagje, geen sieraden, behalve de broche die veel weg heeft van de broche die mijn moeder ook had. Misschien is het dezelfde… Nee, het is toch een andere, bij nader inzien. Ze heeft een ring om, nauwelijks te zien, om de middelvinger van haar rechterhand. Waarom daar? Was ze vermagerd en schoof hij steeds van haar ringvinger?

Ze zitten aan een hoog plantentafeltje, er staat een mandje op met droogbloemen en varens. Op het tafeltje ligt, je kunt nog net de rand op ooghoogte zien, een antimakassar. Verre herinnering uit een koloniaal tijdperk. Opa steunt met z’n linkerarm op het tafeltje. Hij kijkt niet vrolijk, eerder nors. Zijn snor, zijn ietwat scheve mond, die mijn vader ook had toen hij ouder werd, maken zijn gezicht niet vriendelijk. Maar misschien was hij het wel. Ik weet het niet, want ik heb grootvader nooit gekend. Verhalen over zijn persoon ken ik ook niet. Wel dat hij twee weken voor zijn dood de hik kreeg. Dat gegeven is één van mijn angstvisioenen geworden: twee weken de hik en dan doodgaan. Wat waren het toch voor mensen, grootvader en grootmoeder Weltevrede. Er is mij niets van hen nagelaten. Geen brief, geen ansicht met ‘de groeten uit Scheveningen, het is hier fijn…’, geen oude doos met foto’s… niets, behalve deze ene foto.

Grootmoeder heb ik wel gekend. Ze heette Maria Bouman. Ze was de laatste jaren tot haar dood bij ons in huis, van 1944 tot 1948. Of was het 1949? Zesentachtig is ze geworden en ze stierf op 6 december. De avond tevoren had ze nog een suikerbeest gegeten. Eerst een suikerbeest eten, en dan doodgaan. Daar moet ik ook vaak aan denken. Oma Weltevrede, ik heb haar zelfs goed gekend, maar heb geen precieze herinneringen. De details zijn verdwenen. Hoe komt dat toch? Waren de herinneringen aan die lieve vrouw te pijnlijk en heb ik ze verdrongen? Heb ik met die ene handbeweging van toen al mijn herinneringen weggewist? Hoe gaat dat eigenlijk, verdringen. Gaat dat vanzelf? Toen de dragers met haar kist de trap afkwamen vielen er een paar druppels bruin lichaamsvocht op een traptrede. Ik zag het gebeuren, twee druppels waren het, en veegde ze weg met een doekje dat ik snel van het aanrecht nam. Niemand had het in de gaten, alleen ik, ik keek er pal op. Wat een waanzinnig moment. Hoe moest je daarmee verder leven, ik zonder mijn grootmoeder, haar jongste kleinkind, ik kon het blijkbaar niet, en ‘koos’ onbewust voor het niets, het niet meer weten, het niet meer herinneren, en nog steeds is alles wat zij voor mij geweest moet zijn weggevaagd en onvindbaar in mijn geheugen. Hoe lang is het geleden… bijna zestig jaar…

Toch is één gebeurtenis me zo vaak verteld door mijn moeder, dat die me bijgebleven is. Ik was vier, en ging in de keuken bij mijn grootmoeder staan en zei op kindertoon: Wat ben je toch een lekkere ouwehoer. Ik had dat woord net op straat opgevangen, en wilde het gebruiken om te kijken hoe zij er op reageerde. Grootmoeder heeft gelachen, vertelde moeder, hard gelachen en geroepen: Jo, Jo, weet je wat ie tegen me zegt? Wat ben je toch een lekkere ouwehoer, zegt ie, een lekkere ouwehoer…, tegen mij! Van haar gezicht op de foto kan ik die lach niet aflezen, maar dat hoeft ook niet. De herinnering is goud waard.

Toch blijft de vraag: wat waren dat voor mensen? Ze behoorden ongetwijfeld tot de gewone burgerij, zonder veel centen, zonder veel kapsones of bravoure, oppassend en degelijk. Ze hadden vijf kinderen. Han, Piet, Janus, Dries en Pie. De juiste volgorde weet ik niet. Ik weet wel dat mijn vader de jongste was, hij ondertekende zijn brieven altijd met A. Weltevrede jr. Han was een beetje de losbol, Dries de nette en Pie had iets liefs en zorgzaams, ze was tegelijk ook vrolijk, en vooral aardig. Janus, mijn vader, was de precieze, op het saaie af … Het waren geen depressievelingen, geen melancholici. Alleen oom Piet was een zielig geval. Hij zat altijd voor in z’n winkeltje en ik moest hem vaak van mijn vader een sigaar brengen. Dan moest ik zeggen: ‘Alstublieft oom Piet, met de complimenten van mijn vader’. Wat dat betekende wist ik niet, maar ik kon het zeggen zonder te haperen.

Ik had zielsmedelijden met oom Piet, en eigenlijk was ik een beetje bang voor hem. Daar was totaal geen reden voor, maar een kind heeft andere spoken dan een volwassene. Hij kon amper praten en als ik mijn schoolrapport liet zien, zag hij niet wat er stond. Maar hij zei wel in bijna onverstaanbaar gemompel: Goed zo jongen, pak maar een dubbeltje uit de la. Ik mocht dan gewoon de la van de toonbank opentrekken en er een dubbeltje uit pakken. En denk maar niet dat ik ooit meer zou nemen. Dat was wel anders bij mijn oom Jan Scheygrond, de brood- en banketbakker, daar gapte ik de chocolade truffels onder z’n ogen vandaan…, maar dit terzijde. Toch vond ik oom Piet op een vreemde manier ook aardig, al kan ik me niet herinneren dat we ooit met mekaar iets vertrouwelijks hadden. Of met elkaar probeerden te praten. Dat deed je trouwens vroeger niet. Kinderen spraken niet met volwassenen en met kinderen werd niet gesproken, er werd hun alleen gezegd wat ze doen moesten en hoe laat ze thuis moesten zijn. Relaties met volwassen mensen waren zelden vertrouwelijk. Als je bij oom Piet door z’n manufacturenwinkeltje liep, kwam je in een soort achterkamertje, en daar zat tante-Pie-van-oom-Piet. Tante Pie Schippers.Tante Pie van oom Piet herinner ik me als een vrolijk en hups type. Ze kon er wat van, ze kon een hele zaal vermaken met haar grappen en grollen, met haar gezang en haar muziek. Straatliedjes zong ze. Louis Davids. En tante Pie had een goddelijk instrument, haar citer. Daar mocht ik wel eens op spelen. Het was een magisch instrument. Je kon er afzonderlijke tonen mee tokkelen, maar ook kon je er akkoorden op aanslaan. Je legde dan een kartonnetje onder de snaren, daarop stonden stippen, ik meen met lijnen en cijfers, en als je die dan in de goede volgorde aanraakte, begon ineens ‘zilveren draden tussen het goud’ te vibreren. Tante Pie Schippers kon spelen en zingen tegelijk. Ik was helemaal weg van dat speeltuig, en ik mocht als ik bij haar was van tante Pie zo lang spelen als ik maar wilde, wel een hele middag, herinner ik me nu.

Toch moeten tante Pie en oom Piet voor opa en oma Weltevrede een grote zorg geweest zijn. Het was het zorgengezin van de Weltevredes, tenminste, zo heb ik het altijd begrepen. De ziekte die oom Piet had, was mij niet duidelijk, het was geen kanker, of dementie, of tbc, of aderverkalking; het was iets in zijn rug volgens mijn moeder, en ze heeft zich wel eens laten ontvallen dat het met seksualiteit te maken had. Het was je reinste kwaadsprekerij, maar in die tijd werd seksualiteit al gauw geassocieerd met dood en verderf door eigen schuld. De ellende moest met al die kinderen toch ergens vandaan komen?

Als ik weer naar grootvader en grootmoeder Weltevrede op de foto kijk, vraag ik me opeens af: zijn die mensen gelukkig geweest, en hoe, en waarmee? Natuurlijk waren de kleinkinderen hun grootste geluk (en ik hun aller-allergrootste), dat is het cadeau dat grootouders eindelijk nog ten deel valt, maar verder… viel er verder nog iets te genieten? Gingen ze wel eens uit? Gingen ze wel eens naar een voorstelling? Aten ze poffertjes in ze zomertent op de Markt? Hielden ze van muziek? Kenden ze Koos Speenhoff, de straatliedjeszanger? Hadden ze het gezellig? Hadden ze zorg voor elkaar? Dronken ze wel eens een glaasje? En wat vonden ze van Den Briel, de buren, de mensen? En hadden ze vrienden? Hadden ze veel over voor anderen? Hadden anderen voor hen veel over? En luisterden ze naar de radio? Lazen ze een boek? Hadden ze een mening over politiek, over kunst, over de kerk…? En als er een kleinkind geboren werd, zeiden ze dan: zo’n liefje hebben we nog nooit gehad; of zeiden ze: sjonge jonge hoe moet die nu weer groot worden in deze ellendige tijd. Misschien hadden ze een diep verdriet, waar niemand iets van wist. Waar nooit over gepraat kon worden. Misschien viel het leven hen eigenlijk zwaar, te zwaar misschien.

Ach, wat heeft het allemaal voor zin hier diep over na te denken. Ik neem maar voor het gemak aan dat ze het allemaal goed gehad hebben, we zullen het nooit weten, geen brieven, geen kaarten, geen foto’s, behalve die ene die nu voor me ligt. Ik zal hem maar weer opbergen. Later, na ons, weet niemand meer wie hier afgebeeld zijn, dus ik zal hun naam er achter op schrijven: opa en oma Weltevrede. Plus minus 1930 heb ik erbij geschreven, want de precieze tijd is door mij niet meer te achterhalen en de aanleiding nog minder.

Kees Weltevrede, september 2008, Gagel 1, 5133 TP Riel

Kunstwerken Struytse Hoeck

Van vrijdag 23 tot zondag 25 oktober lagen de mijnenjagers Hr. Ms. Harlingen en de HMS Sheraton in de Koopvaardijhaven. Het bezoek maakte deel uit van de feestelijkheden rond de onthulling van twee kunstwerken op de Struytse Hoeck. De Britse ambassadeur en de burgemeester van Torbay waren tevens aanwezig.

Op het binnenplein in het overdekte centrum werd een bronzen reliëf van de Rotterdamse kunstenaar Willem Verbon onthuld. Het stelde een fragment op ware grote voor van de achterspiegel van een van de admiraliteitschepen van Koning-Stadhouder Willem III; een monument uit de maritieme historie van Hellevoetsluis. Op het plein naast het politiebureau werd het bestratingsmozaïek van de Haagse kunstenaar Donald Duk onthuld. Het mozaïek was gebaseerd op water op oude zeekaarten. Ook de bank van Torbay maakte daar onderdeel vanuit.

”Het kanon van de Brederode terug in het stadhuis van Brielle”

”Het kanon van de Brederode is thans teruggeplaatst van het Maerlantcollege naar de hal van het stadhuis.”foto gemaakt door F. Keller

foto gemaakt door F. Keller

Door: drs. A. A. van der Houwen

Het kanon van de Brederode:  een Deens geschenk.

In de hal van het Maerlant College aan de Burgemeester H. van Sleenstraat staat een eeuwenoud kanon opgesteld. Van nabij is de ouderdom er duidelijk van af te lezen. Het kanon heeft 250 jaar op de zeebodem gelegen, tussen de wrakstukken van het Nederlandse oorlogsschip de Brederode, dat in 1658 zonk in de Sont, de zeeëngte tussen Denemarken en Zweden. De tand des tijds en de uitwerking van het zeewater zijn goed zichtbaar. Oorspronkelijk woog het ijzeren stuk geschut 2.000 kilo, door corrosie weegt het momenteel niet meer dan 1.875 kilo. Het kanon werd in 1909 geborgen en door de Deense regering aan

ons land geschonken. Vervolgens werd het op verzoek van Brielle aan deze stad in bruikleen gegeven ‘om aldaar te worden tentoongesteld’.Het kanon herinnert aan de Brielse zeehelden Maarten Harpertsz Tromp (1598-1653) en Witte Cornelisz de With (1599-1658), maar is misschien nog wel meer een tastbare herinnering aan het schip de Brederode, waarop beiden overwinningen behaalden, maar waarop zij ook beiden sneuvelden.

De Brederode.

Het schip-van-oorlog de Brederode (1646-1658) was in zijn tijd een beroemd schip; op veel schilderijen is het afgebeeld. De Brederode behoorde tot de admiraliteit van de Maze en was gebouwd in Rotterdam onder leiding van de beroemde scheepsbouwmeester Jan Salomonsz. van den Tempel, die ook de Aemilia, het vlaggenschip van Tromp, heeft gebouwd. Toen het schip in 1646 van stapel liep was het het grootste en sterkste oorlogsschip van de Republiek; het voerde ruim vijftig stukken en had een bemanning van 270 koppen. Het werd vernoemd naar Johan Wolfert van Brederode (1599-1655), de Eerste Edele van Holland, en voorzitter van de Ridderschap en zwager van stadhouder Prins Frederik Hendrik. Het schip zou een roemrijke staat van dienst opbouwen.

Witte Cornelisz de With

De vice-admiraal van de admiraliteit van de Maze, Witte de With, was nauw betrokken bij de bouw van het schip. Het te bouwen schip moest dan ook zijn eigen schip, de Maagd van Dordrecht, vervangen. In april 1646 maakte De With met de Brederode de maidentrip. Gedurende vier maanden kruiste hij met het nieuwe schip in het Kanaal, om daarna Duinkerke te blokkeren terwijl dat aan de landzijde door de Fransen werd belegerd. In oktober 1647 viel het kapersnest in Franse handen en kon De With met zijn vloot terugkeren. Bij het binnenbrengen in Hellevoetsluis is de Brederode, zoals De With zijn superieuren schreef, ‘zeer ontramponeert geworden’ doordat het galjoen bij een aanvaring werd beschadigd.

Brazilië

Na de val van Duinkerke werden alle grote oorlogschepen opgelegd, behalve de Brederode. Het was het vlaggenschip van Witte de With, toen hij eind 1647 met een vloot van twaalf oorlogsschepen, transportschepen en 6.000 man koers zette naar Zuid-Amerika. Daar werden de bezittingen van de W.I.C. op de kust van Brazilië bedreigd door aanvallen van Portugezen en toenemende onrust onder de bevolking. Dit ‘Nieuw Holland’ was voor de W.I.C. van groot belang: het sloot de economische driehoek Europa-West- Afrika-Brazilië. De Heeren Negentien hadden de Staten Generaal dan ook om steun verzocht. De With kon echter weinig uithalen. Te land boekte de vijand succes na succes, op zee ging zij de strijd uit de weg. Voor de driftige De With waren het loodzware maanden. Zijn verstandhouding met de Hoge Raad, het bestuurslichaam van Brazilië, daalde tot een dieptepunt. Het liefst zocht De With de aanval; hij wilde de Portugese vloot opzoeken en strijd leveren, maar de Hoge Raad, die verdediging belangrijker vond, gaf daarvoor geen toestemming. Bovendien vreesde hij voor zijn schepen; deze leden sterk onder de tropische omstandigheden; zij werden ‘extraordinaer van de wormen gegeten’. Dit gaf voor hem de doorslag. Wanneer hij langer in Recife bleef, zo vreesde de vice-admiraal, dan zou zijn vloot niet meer in staat zijn om

de overtocht naar de Republiek te maken. Tegen de uitdrukkelijke wens van de Hoge Raad in, vingen de Brederode en de Gelderland de thuisreis aan. Op 28 april 1650 gingen zij voor Hellevoetsluis voor anker. Het eigenmachtig optreden van De With kreeg een staartje. Toen hij twee dagen later verslag deed van zijn reis werd hij gevangen gezet. Na een proces van vijf maanden, waarin zelfs de doodstraf werd geëist, werd hij in vrijheid gesteld, op verbeurd verklaring van zijn gage vanaf het moment dat hij Brazilië had verlaten, en tegen betaling van de kosten van het proces.

Eerste Engelse Oorlog

De Brederode was in de tussentijd gegeven aan Maarten Harpertsz. Tromp, wiens Aemilia in 1647 was verkocht. Tromp was erg in zijn sas met de Brederode. Hij roemde het schip als ‘een van de beste seylders van de vloote’. Die kwaliteiten zouden het schip goed van pas komen. De jaren daarop raakte de Brederode regelmatig slaags met de Engelse vloot. Het eerste incident vond plaats op 29 mei 1652 nabij Dover. Door een nog steeds onduidelijke oorzaak beschoot Blake, de Engelse bevelhebber, de Brederode, toen het schip langszij kwam en een sloep uitzette. Het schip liep daarbij schade op en enkele matrozen raakten gewond. De verraste Tromp reageerde aanvankelijk niet, om de zaak niet te laten escaleren. Niettemin

ontaardde dit in een vijf uur durend gevecht. De Engelsen legden later de schuld bij de Nederlanders en wezen erop dat de vlag niet naar behoren zou zijn gestreken. Achteraf bezien was dit ‘vlagincident’ het begin van de Eerste Engelse Oorlog. Die oorlog verliep rampzalig. De Engelse vloot hield flink huis onder de Nederlandse vissersvloot op de Noordzee. Tien van de twaalf begeleidende oorlogschepen werden veroverd. Toen Tromp met een vloot van 92 schepen en zeven branders, bemand met 11.000 zeelui en soldaten naar de Engelse vloot op zoek ging, werd hij bij de Shetland-eilanden overvallen door een zware storm. Elf oorlogsschepen gingen daarbij verloren. Dit kostte Tromp zijn positie. In augustus werd hem het opperbevel afgenomen, dit werd vervolgens opgedragen aan Witte de With.

Oktober 1652: een zwarte bladzijde

Kort daarop was er voor de Brederode opnieuw een rol weggelegd, ditmaal bepaald geen strijdlustige. In oktober 1652 kreeg De With nabij Duins de Engelse vloot in het oog. Hoewel zijn vloot duidelijk in de minderheid was, wilde hij met zijn schepen tot de aanval overgaan. Bij het overgaan van zijn Princesse Louise naar de Brederode, weigerde de bemanning hem echter aan boord te laten. Zij zagen in hem de tegenstander van hun Bestevaer Tromp en meer nog: zijn reputatie was hen bekend. Hij zou zich als een dolle hond op de vijand werpen. De bemanning verklaarde ‘(wij) sullen niet vechten naar behooren en souden liever een laech schut op hem lossen’, indien De With de Brederode als vlaggenschip zou nemen. Het optreden van de bemanning van de Brederode was tekenend  voor de stemming binnen de vloot. De nieuwe Engelse vijand boezemde velen ontzag in. Niettemin gaf de With bevel tot de aanval. Zoals van hem verwacht werd, wierp De With zich op 8 oktober aan het hoofd van de vloot in de strijd, aan boord van een geleend V.O.C. schip, waar hij een niet bekwame bemanning trof en hij naar eigen zeggen ‘de ampten van capiteyn, luytenant, stierman, constapel, constapelsmaets, jae tot provoost incluys (…) moest aenvatten.’ De strijd duurde tot het donker werd. De moed van De With werkte niet aanstekelijk, integendeel. Tijdens de krijgsraad aan het begin van de tweede dag waren er meer en meer kapiteins onwillig om de overmacht het hoofd te bieden. En hoe De With ook dreigde: ‘ik verzeker het U, (er) is nog hout genoeg in het Vaderland om galgen te maken’, het mocht niet baten. De Ruyter en Evertsen raadden hem aan om vooral niet zelf de aanval te kiezen. Daar moest De With zich bij neerleggen. Ook de Engelse admiraal Blake likte zijn wonden en pas laat in de middag liet deze zich weer zien. Opnieuw was het De With die de spits vormde, en daarmee de vloot kans gaf tot een gecontroleerde terugtocht. Tenslotte wist hij zijn vloot zonder groot verlies thuis te brengen. De nederlaag in de Tweedaagse Slag bij Duins of Kentish Knock, leidde tot het ontslag van een aantal kapiteins die zich laf hadden gedragen en hun schepen buiten de strijd hadden gehouden. De confrontaties met de Engelsen maakten één ding duidelijk: de Engelse schepen en kanons waren superieur aan die van de Republiek. Het zou een kwestie van tijd zijn voor de Engelsen de volledige overhand zouden hebben.

De bezem in de mast

Kort daarop kon de Brederode zich van smet zuiveren. Tromp keerde terug aan boord en aan het hoofd van de vloot. Hij kreeg opdracht een koopvaardijvloot te begeleiden door het Kanaal naar het zuiden. In het Kanaal trof Tromp een deel van de Engelse vloot onder Blake. De Slag bij Dungeness, op 9 en 10 december 1652, werd een grote Nederlandse zege. Na afloop zou – volgens een Engelse legende – Tromp een bezem in de mast van de Brederode hebben gehesen om aan te geven de zee te hebben schoongeveegd. Of Tromp werkelijk zo opgetogen zal zijn geweest is zeer de vraag. Zijn vloot en vooral zijn schip was zwaar gehavend. De enige reden om het niet zelf tot zinken te brengen was dat de Brederode nog steeds één van de beste zeilers was en, indien de onderste kanons konden worden gebruikt, ook het meest verwoestende. Dungeness bleek een Pyrrhus-overwinning. De Engelsen trokken lering uit de nederlaag en zetten de volgende maanden alles op alles om de vloot te herstellen: schepen werden gerepareerd, officieren die niet voldeden werden ontslagen, nieuwe generals at sea aangesteld, discipline aangescherpt en gages verhoogd. Toen Tromp eind februari terugkeerde van zijn konvooireis wachtte een vloot hem op aan de Engelse zuidkust. Drie dagen duurde de strijd, waarbij de Engelsen zich niet bekommerden om de koopvaarders, maar zich richtten op het vernietigen van de vloot. Daarin slaagden zij niet, maar de vloot leed wel grote schade. De Brederode was zo zwaar gehavend dat het schip in Hellevoetsluis grondig hersteld moest worden en niet kon uitvaren toen Tromp begin mei opnieuw in zee stak. Op 3 juni voegde de Brederode zich bij de vloot en nam Tromp aan boord. Het was de bedoeling geweest om de Theems te blokkeren, maar de Engelse vloot was reeds naar buiten gekomen. Op 12 juni 1653 troffen beide vloten elkaar bij Nieuwpoort. Hoewel het aantal schepen (elk 100) ongeveer gelijk was, gaf het zwaardere bronzen geschut de Engelsen de overhand en Tromp en zijn officieren moesten hun superieuren melden dat de Engelsen werkelijk de betere partij vormden en er zonder aanpassingen geen sprake meer kon zijn van gelijke strijd. De krachtmeting met de Engelse vloot maakte nóg iets duidelijk. De Engelsen hadden een nieuwe strijdmethode geïntroduceerd: het liniegevecht. Daarbij voeren de schepen in linie achter elkaar en gaven de vijand de volle laag. De mêlee, de oude manier van vechten waarbij de vloten zich op elkaar storten en min of meer een lijf aan lijf gevecht aangingen, behoorde tot het verleden. Dit betekende dat de schepen groter moesten worden en de kanonnen een groter bereik dienden te hebben. Voor een mêlee moesten schepen snel en wendbaar zijn, voor een bombardement dienden zij juist over veel vuurkracht te beschikken. De Brederode was één van de weinige schepen die aan de moderne eisen voldeed, maar had in de strijd een groot aantal treffers moeten incasseren, waaronder verscheidene schoten onder de waterlijn. Pompend en met een kruitkamer die blank stond, keerde het schip terug in het vaderland. Daar werd met verslagenheid gereageerd op het dramatische verloop van de oorlog. De zeehandel lag stil en vervangende oorlogsschepen waren nauwelijks beschikbaar. Voor het eerst in de geschiedenis blokkeerde een Engelse vloot de kusten van Zeeland en Holland.

Ter Heijde, de dood van Tromp

In augustus 1653 werd een poging ondernomen de blokkade te doorbreken. Op 8 augustus trof Tromp, op weg naar het noorden om De With af te wachten, de Engelse vloot bij Wijk aan Zee. De volgende dag slaagde Witte de With er in om zich met zijn schepen bij de hoofdmacht te voegen. Op 10 augustus brandde de strijd los. Het zou de laatste strijd worden voor Tromp. De strijd was zeer verbitterd, de Brederode zocht voortdurend de aanval en viel het ene schip na het andere aan. De vierde charge werd Tromp fataal, hij werd door een musketkogel in de borst getroffen en stierf kort daarop in zijn hut. De With nam de leiding over en wist de zwaar gehavende vloot in redelijke orde naar Texel te loodsen. De Slag bij Ter Heijde was verloren, maar had zijn doel bereikt: de Engelse vloot was zo zwaar gehavend, dat zij de blokkade moest opgeven en zich terugtrok. Vredesbesprekingen leidden in 1654 tot de Vrede van Westminster. De volgende jaren was het relatief stil. Korte tijd was de Brederode vlaggenschip van de nieuwe vlootvoogd luitenant-admiraal Jacob van Wassenaar Obdam (1610-1665), totdat hij ‘de Eendracht’ kreeg, het grotere schip kreeg dat voor Tromp was gebouwd. De Brederode kwam weer onder bevel van Witte de With en diende als kruiser voor de kust.

De Oostzee

Onder De With voer de Brederode kort daarop naar Dantzig. Voor de Republiek was de handel op de Oostzee van enorme betekenis. Het hout en graan dat men in de Oostzee kocht, vormden een onmisbare schakel in de handelsketen die het land met Zuid-Europa verbond. Het was de Republiek er alles aan gelegen om rust en evenwicht in dit gebied te bewaren, zodat de ‘moedernegotie’, zoals de Oostzeehandel werd genoemd, ongestoord kon doorgaan. In het midden van de 17e eeuw was dit moeizaam: Zweden was onder leiding van Karel X Gustaaf (1622-1660, koning vanaf 1654) aan een expansie bezig, waarbij de gehele Oostzeekust in Zweedse handen of invloedsfeer kwam. In de Republiek werd dit alles met bezorgdheid gevolgd. Toen de Zweden de stad Dantzig – wellicht de belangrijkste handelsstad voor de Republiek in de Oostzee – bedreigde, greep de Republiek in en stuurde schepen. De vloot stond onder bevel van Wassenaar Obdam. Ook de Brederode voer mee naar Dantzig, waar het schip werkloos bleef liggen tot 6 oktober. De aanwezigheid van de vloot was voldoende om de Zweedse koning van een aanval op de stad te doen afzien. Op 6 november 1656 ging de Brederode voor Hellevoetsluis voor anker. Twee jaren later moest de Brederode opnieuw naar de Oostzee. Karel X had een beleg geslagen voor Kopenhagen en dreigde Denemarken binnen zijn invloedsfeer te krijgen. De Republiek besloot in te grijpen en zond een vloot onder Wassenaar Obdam om de Denen te ontzetten.

De Slag in de Sont

In de vroege morgen van 8 november zeilde de Nederlandse vloot van 35 schepen met een noordenwind de Sont in. Daar wachtte de Zweedse vloot van 45 oorlogsbodems onder Carl Gustaf Wrangel haar op. In het nauwe vaarwater was weinig ruimte tot manoeuvreren en al spoedig ontstond een mêlee. De With voerde de vloot aan, eerst stortte de Brederode (59 kanons) zich, samen met de Eendracht (72 kns) van Wassenaar Obdam, op de Victoria (74 kns) van Wrangel. Daarbij werd het Zweedse vlaggenschip zo gehavend dat het zich uit de strijd moest terugtrekken. Vervolgens viel De With het viceadmiraalschip de Draak (66 kns) aan, dat van verschillende kanten hulp kreeg. Terwijl de Brederode verbeten vocht tegen vier schepen, raakte het afgezonderd van de eigen vloot. Het verloop van de strijd is later veelvuldig besproken: werd De With willens en wetens in de steek gelaten of had hij zijn hand overspeeld? Feit is dat de Brederode er alleen voor stond, zich aan de vijanden vastklampte en warempel ook nog de hardste klappen uitdeelde. Maar toen sloeg het noodlot toe: het schip liep aan de grond en kon zich niet langer verweren. Toch was de strijd nog niet gestreden. De Zweden moesten het schip in een man tegen man gevecht veroveren. Daarbij werd De With dodelijk getroffen door een kogel. En nog weigerde hij op te geven. Pas toen het schip averij maakte, verliet hij stervend zijn schip om een kwartier later aan boord van de Draak te sterven. Niet veel later kapseisde de Brederode en zonk. De Slag in de Sont werd een overwinning voor de Nederlanders, Kopenhagen werd ontzet en de Zweedse vloot wered bij Landskrona geblokkeerd. De strijd was hevig geweest en de prijs hoog. De Republiek verloor in Witte de With een unieke zeeheld. Zijn lichaam werd, op last van de Zweedse Koning gebalsemd en met alle militaire égards behandeld, overgedragen aan de Nederlanders. Dubbelwit kreeg een praalgraf in de Grote Kerk van Rotterdam. Het roemruchte schip de Brederode zou nooit meer terugkeren. Het schip kreeg een zeemansgraf in de Sont. Hoewel het schip in ondiep water zonk, kon het niet gelicht worden. Wel slaagde in 1660 ene Trewleben er in om met grijpers 26 stukken geschut en verschillende andere onderdelen van het wrak te lichten. Daarna werd het schip met rust gelaten en vergeten.

De ontdekking van de Brederode

Bijna 250 jaar later, in 1909, zou het wrak van de Brederode worden herontdekt. Daarbij werd onder meer een kanon geborgen. ‘For old times sake’ besloot de Deense regering om het kanon ten geschenke te geven aan Nederland. In augustus 1910 nam het Nederlandse marineschip m.s. Evertsen het kanon aan boord en bracht het over naar Amsterdam, waar het een plaatsje kreeg in het Rijksmuseum.

Johannes Karel Overbeeke (1845-1939)

Aan het kanon is de naam van J.K. Overbeeke verbonden, hij haalde het geschut naar Brielle. Maar als niet ene N.J. de Vloota uit Z. een oproep had geplaatst in de beide Brielse kranten om actie te ondernemen om het kanon naar Brielle te halen en het daar ‘op één van Brielle’s openbare pleinen’ tentoon te stellen, zou het kanon waarschijnlijk nooit in Brielle zijn gekomen. Een eerder artikel over het Deense geschenk had in de stad geen enkele reactie uitgelokt. De Vloota werkte de Briellenaar echter op het gemoed. ‘Waar zou het ooit beter plaats kunnen vinden, dan in de geboortestad van Witte de With?’, luidde de vraag die de ons helaas verder onbekend gebleven instigator stelde, ‘waar zou het beter in staat zijn de snaren van het vaderlandsch gemoed te doen trillen, dan daar, waar Dubbel Wit geboren werd en zijn eerste levensjaren doorbracht?’ De reacties liepen uiteen: de Brielse Courant temperde de geestdrift door erop te wijzen dat het geen eenvoudige zaak zou zijn het kanon in Brielle te plaatsen. De redactie stelde met spijt vast, dat er niet eens een stedelijke oudheidkamer bestond. En hoe dat kwam, was wel duidelijk, want ondanks het krediet dat de gemeenteraad beschikbaar had gesteld, waren ‘De Briellenaars zelf (…) niet te bewegen om door onderlinge samenwerking dat geringe verzamelplaatsje voor Brielsche antiquiteiten tot stand te brengen’. De Nieuwe Brielsche Courant daarentegen reageerde enthousiast. De hoofdredacteur Overbeeke viel het voorstel volmondig bij: ‘werkelijk, het idee (…) lacht ons zeer tegen’ schreef hij. Hij noemde zelfs al een goede plaats voor het kanon: ‘op het Asylplein, vlak voor het standbeeld De Nymph zou het een eereplaats innemen’ en zegde dan ook zijn medewerking toe: ‘wij willen gaarne medewerken om onzen gemeenteraad te bewegen stappen te doen.’ Overbeeke had recht van spreken. Hij was zelf raadslid en reeds een week later bracht hij het voorstel in de gemeenteraad ter sprake. Zijn pleidooi had succes en nog diezelfde avond werd besloten een rekest op te stellen en werd Overbeeke gemachtigd dit namens de raad persoonlijk te gaan aanbieden. De plannen bleven niet onopgemerkt; kort daarop werd zelfs in de Nieuwe Groninger Courant over de Brielse plannen gesproken. Met instemming schreef men ‘De Raad van Den Briel vraagt nu voor Den Briel dat kanon op. Het moet op een plein een herinnering zijn aan den grooten Briellenaar Tromp en zal dan beter zijn bestemming vervullen dan slapend in eenig museum.’ Het officiële verzoek moest toen nog ingediend worden, maar was inmiddels wel gerijpt in het hoofd van Overbeeke: de Brederode was vlaggenschip geweest van De With en Tromp, twee Brielse admiraals. Dáárop moest de nadruk liggen, en op een verantwoorde plaats. Ten slotte luidde het verzoek: ‘(dat) het dus voor deze gemeente eene groote eer zou zijn, wanneer vorenbedoeld kanon geplaatst kon worden op één der openbare pleinen te Brielle, of indien het tegen den invloed van de buitenlucht beschermd moet worden, in de Sint Catharijnekerk, vlak bij de plaats waar de beide ouders van den zeeheld (De With, AAvdH) begraven liggen, in welke kerk hij zelf het ambt van diaken bekleed heeft, en waar Maerten Harpertszoon Tromp gedoopt werd’. Met dit verzoekschrift toog Overbeeke naar Den Haag om de zaak persoonlijk te bepleiten. Daarin had Overbeeke al evenzeer succes: het verzoekschrift werd positief ontvangen en reeds op 26 oktober gaf, na machtiging van Koningin Wilhelmina, de Minister van Binnenlandse zaken een verklaring van bruikleen aan Brielle af voor het kanon ‘om aldaar te worden tentoongesteld’.

Naar Brielle

In de raadsvergadering van 9 november kwam het kanon ter sprake. De voorzitter kon melden dat de inspanningen beloond waren. De gemoedelijke sfeer leek even verstoord toen het raadslid Van der Knoop vroeg of de ‘kleine kosten’, die er volgens de burgemeester nog gemaakt moesten worden, toch niet te groot zouden zijn, omdat dat voor de financiën een bezwaar zou kunnen worden. Overbeeke voelde zich hier persoonlijk aangevallen en zei hierover dan ook ‘een weinig warm te worden.’ Hij herinnerde Van der Knoop eraan dat de raad hem met algemene steun op pad had gestuurd om het kanon te bemachtigen en nu hem dat gelukt was, ging ‘er een stem op tegen de kosten!’. Hij vond het een schande; desnoods moest men de kosten maar onder elkaar verdelen. Van der Knoop onthield zich wijselijk van verder commentaar. In de volgende maanden moest er veel georganiseerd worden, waarbij de belangrijkste vraag was, hoe kon het kanon naar Brielle worden overgebracht, het liefst met weinig kosten. Dit werd mogelijk door de medewerking van majoor J.E. Fabius, de  commandant van het Korps Torpedisten. Deze stelde enkele van zijn schepen ter beschikking, maar moest daarvoor op zijn beurt van hogerhand toestemming ontvangen. Het zou nog enige maanden duren, maar op maandagmorgen 13 februari vertrok de stoomboot Den Briel met bestemming Amsterdam, waar de volgende dag met behulp van militairen van de Vestingartillerie, die over voldoende materiaal en manschappen beschikten, om het aan boord zetten mogelijk te maken. De dinsdag werd in beslag genomen om het kanon aan boord te nemen van een barkas, die de Den Briel als sleep had meegenomen. Weer een dag later vertrok het schip met de sleep vanuit Amsterdam. Via de binnenwateren bereikte de Den Briel ‘s avonds rond zeven uur Brielle. De volgende dag werd het kanon opgeborgen in de sloepenloods aan het Kostverloren waar het eens goed bekeken kon worden. Het kanon bleek te hebben geleden door de eeuwen onder water en leed nog steeds door de restanten van het zout. Door inroesten vielen hele stukken van de opperhuid af en droop er voortdurend roestwater uit. Navraag bij het Rijksmuseum leerde dat het kanon verhit moest worden en vervolgens met olie gedrenkt. In het Torpedomagazijn aan de Lijnbaan werd de volgende maanden een affuit vervaardigd. Op 26 oktober 1911 kon het kanon naar de vestibule van het stadhuis worden overgebracht. De Archiefcommissie werd belast met de verdere zorg omtrent het geschut. De archivaris Joh.H. Been schreef een begeleidende tekst die door Overbeeke’s drukkerij werd gedrukt en naast het kanon werd opgehangen. De volgende decennia was het kanon niet meer weg te denken uit het stadhuis; het zag bezoeken van het Koninklijk Huis, het binnentrekken van de Duitse bezetter en de komst van de Canadezen en werd gezien door al die honderden Briellenaren die wekelijks het stadhuis in- en uitliepen.

Kanon vermist

In de jaren vijftig ontstond er enige commotie rond het kanon. In 1954 was de Brederode voor een tweede keer ontdekt en weldra deed het verhaal de ronde dat de Deense regering met plannen speelde om het wrak te lichten, zoals kort daarvoor in Zweden de Wasa was geborgen. In Nederland werd enthousiast gereageerd. In Rotterdam hoopte men het schip een plaats te kunnen geven. Naar aanleiding daarvan wijdde De Blauwe Wimpel, het maandblad voor scheepvaart en scheepsbouw, een themanummer aan de Slag in de Sont en de ondergang van de Brederode. Vanzelfsprekend werd ook gerept van het kanon dat aan Nederland was overgedragen. De redactie had graag een foto willen plaatsen en had volgens eigen zeggen alles in het werk gesteld om de verblijfplaats van het kanon te achterhalen. Maar waar zij ook informeerde: het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, het Rijks Museum, het Amsterdamse Museum, het Maritiem Museum Prins Hendrik te Rotterdam of ‘s Rijkswerf te Willemsoord, nergens wist men te vertellen waar het stuk geschut was gebleven. Gevreesd werd dat de Duitsers het kanon in de oorlogsjaren hadden meegenomen. De redactie stond versteld over het mysterie en schreef wrevelig dat dit ‘opnieuw een bewijs (was), hoe slordig, hoe nonchalant … ja hoe harteloos er blijkbaar soms wordt omgesprongen met zaken, die van het hoogste historische belang zijn’. In Brielle stond men evenzeer versteld. Hoe kon het dat niemand wist dat het kanon in de stad was? Verschillende Briellenaren namen contact op met de redactie, zo ook burgemeester H. van Sleen en de hoofdredacteur van de Nieuwe Brielse Courant, mevrouw J.C. van der Knoop-Gebraad. De Blauwe Wimpel kon zijn lezers gerust stellen. Het kanon stond inmiddels al 43 jaar veilig opgesteld in de hal van het Brielse stadhuis. Tussen de regels door vroegen zij zich af of het onderzoek wel goed gedaan was. Immers kort geleden, in 1949, was in Brielle de 350e geboortedag van Witte de With herdacht. En nog recenter, in 1953, was de sterfdag van Maarten Harpertsz Tromp in Brielle herdacht. Bij beide gelegenheden waren vele marine-autoriteiten en politieke figuren, onder wie de Minister van Oorlog en Marine en de voorzitter van de Tweede Kamer aanwezig geweest. Zouden zij zich niets meer van het kanon herinneren? Dat bleef niet onopgemerkt. In de zomer van 1955 wijdde het Maritiem Museum ‘Prins Hendrik’ in Rotterdam een speciale tentoonstelling aan het schip De Brederode. Voor die tentoonstelling werd ook het ‘Brielse’ kanon tijdelijk naar Rotterdam overgebracht. Nader onderzoek wees overigens uit dat het schip zelf te zeer geleden had onder het kruiende ijs dat zich jaarlijks vanuit de Oostzee door de Sont perst: feitelijk restten slechts de kiel en een deel van de bodem.

Ten slotte

Inmiddels is een halve eeuw verstreken. Tijden veranderen, evenals de waardering van objecten. Ten tijde van de recente verbouwing van de hal van het stadhuis tot VVV-vestiging annex museumentree, werd het stuk geschut verwijderd. Momenteel staat het opgesteld in de hal van het Maerlantcollege aan de Burgemeester H. van Sleenstraat.

Dit artikel is terug te lezen op onderstaande link:

http://www.vriendenmuseumdenbriel.nl/media/Download%20Mare/Mare%2016-2.pdf

zoals momenteel opgesteld in de hal van het Maerlantcollege

Het Kanon van Brederode, zoals momenteel opgesteld in de hal van het stadhuis aan de markt. Foto: F. Keller

Brielle: Tot aan de 15e eeuw; de stad ontstaat

Brielle heeft een historie die teruggaat tot het midden van de dertiende eeuw. In 1257 wordt in documenten al over Brielle gesproken, nog voor de dorpen Maerlant en Den Briel zich hadden samengevoegd. Ten tijde van ’de Romeinen’, was ons gebied overigens geen eiland; de overstromingen van duizend jaar later hebben dat teweeg gebracht.

In de elfde en twaalfde eeuw bestond Voorne uit een verzameling kleine en grote eilandjes, slikken e14e eeuwn zandplaten. Er vestigden zich boerenfamilies, die de moerassige veengronden ontgonnen en in gebruik namen voor landbouw en veeteelt. Deze in cultuur gebrachte gebieden werden echter regelmatig door de Noordzee en de Maas overstroomd en verwoest. De bewoners hielden vol en begonnen dijken aan te leggen. Oostvoorne, Rugge, Abbenbroek en Zwartewaal zijn de eerste polders die op deze manier opnieuw konden worden bewoond. Het zijn typische ringpolders waarvan de bedijking werd gevormd door natuurlijk grenzen als kreken, geulen en zandbanken. Langs deze polders slibden nieuwe gorzen (oevergebieden) aan, die eveneens werden ingepolderd.

Zo werd begin dertiende eeuw langs de polder Rugge een stuk land ingedijkt dat de naam Oosterland kreeg. Hier vormden mensen de nederzetting Maerlant en later ontstond iets zuidelijker tegen de dijk het dorpje Den Briel. De huidige Brielse Voorstraat en Nobelstraat zijn het zichtbare restant van deze dijk. Brielle had een gunstige ligging, aan de rivier de Goote, waardoor de verbinding met Vlaanderen en Brabant werd onderhouden. Zo kon de stad zich ontwikkelen tot een bloeiende handelsnederzetting.

In 1280 kreeg het toestemming van Aelbrecht van Voorne om twee vuurbakens op te richten. De schepen die deze bakens passeerden, moesten hiervoor een belasting betalen. De opbrengst ging deels naar de kerk en deels naar de Heilige Geest; de instelling die van overheidswege zorg droeg voor de armen. Uit 1346 stamt het oudste keurboek van Brielle, met 76 verordeningen die het openbare leven regelden. Twaalf jaar na de eerste stadsrechten had de stad al tal van regels gesteld aan de verkoop van verschillende goederen, zoals vlees, vis en drank, beperkingen aan gokken en het dragen van messen, en ook voorschriften opgesteld rond plechtigheden als dopen, trouwen en begraven.

De jurist Jan Matthijssen werd in 1401 benoemd tot secretaris van Brielle, en in die hoedanigheid beschreef hij omstreeks 1407 het middeleeuwse gewoonterecht zoals dat in die tijd in Brielle werd gehanteerd. Het rechtboek is bewaard gebleven en vormt een unieke bron, want het gewoonterecht werd over het algemeen niet op schrift gesteld.  Zodoende biedt het boek een buitengewoon zeldzaam inkijkje in het oude vaderlandse recht.

rechtboek

Rijks rooms leven

Brielle kende in de eerste eeuwen van haar bestaan een rijk rooms leven, getuige niet alleen de bouw van de Sint-Catharijnekerk (zie Uitgelicht II), maar ook de vele voormalige kloosters in en om de stad. In Rugge stond een kerkje langs de Ricksedijk. Hierachter werd in 1404 met toestemming van Aelbrecht van Voorne een regulierenklooster gesticht. Dankzij giften groeide de instelling snel uit tot een rijk klooster met veel bezittingen. In het Cartularium van Rugge, een perkamenten boekdeel waarin het gilde alle belangrijke akten uit zijn archief liet kopiëren, staat precies vermeld welke landerijen aan de Regulieren van Rugge toebehoorden. Ze kregen het onder meer geschonken voor hun hulp bij het droogleggen van polders.

Het klooster van Sint Andries was een zusterhuis, dat eveneens in Rugge stond. De nonnen verrichtten taken als het afleggen van de doden, het verplegen van zieken, het helpen van de armen en het schoonmaken van de kerk in Rugge.

Het klooster van de Cellebroeders lag langs de Brigittenweg. De Cellebroeders vormden een orde van monniken die zich inzetten voor de zieken, en hielpen bij het afleggen en begraven van de doden. De Cellezusters hielden zich eveneens bezig met het verzorgen van zieken. Maar hierbij zullen zij zich beperkt hebben tot het verplegen van vrouwen. Hun klooster lag dichtbij dat van hun mannelijke tegenhangers, tussen de Brigittenweg en de Commandeurstraat.

Het Sint-Catharina Klooster was ooit het grootste klooster van Brielle en het stadsbestuur heeft heel wat te stellen gehad met de leiding. In 1481 drongen de schutters na een feest het klooster binnen en gingen er flink tekeer. De pater had namelijk gebroken met de gewoonte om jaarlijks een ton bier aan de schutters te schenken. Later, in 1549, kwam het zelfs tot een rechtszaak waarbij de stad de pater beschuldigde van smokkelarij en belastingontduiking.

Margaretha van York stichtte het Clarissenklooster, nadat ze daartoe op 26 april 1483 toestemming van paus Sixtus had verkregen. Het was een orde met een streng armoede-ideaal. De nonnen moesten leven van de giften van weldoeners. De stad heeft veel geld moeten bijleggen om hen geen hongerdood te laten sterven. In 1548 brandde het convent af, waarna het pas in 1564 weer in gebruik werd genomen.

Het Brigittenklooster dateert uit 1485 en is daarmee het jongste klooster. Mede omdat er al zoveel kloosters binnen de stad waren, kwam dit klooster niet tot bloei. In 1558 werd het complex door de stad opgekocht. Er is vrij weinig van het klooster bewaard gebleven, alleen het Brigittenpoortje op het Catharijnehof is een tastbare herinnering.

brigittepoortje Het Brigittepoortje, 1935, olieverf op doek, Collectie Historisch Museum Den Briel

Uitgelicht I

Een leren etui met wastafeltjes

Voorafgaande aan de bouw van woningen in het carré Langestraat, Coppelstockstraat, Maarland ZZ en Kerkstraat, voerde het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam (BOOR) in opdracht van de gemeente Brielle in 2002 een archeologisch onderzoek uit. Daarbij werden verscheidene houten afvaltonnen met vijftiende-eeuws materiaal gevonden en een grote bakstenen beerput aangetroffen. In die beerput werd een heel bijzondere vondst gedaan, namelijk vijf, deels beschreven wastafeltjes; plankjes hout voorzien van een laagje was waarin met een metalen schrijfstift aantekeningen werden gemaakt – de notitieboekjes van weleer. De gevonden wastafeltjes zijn bestudeerd door archeoloog en historicus Arnold Carmiggelt.

Er bestaan talrijke vondsten van schrijfstiften en wastafeltjes uit de eeuwen voor en rond het begin van de jaartelling, alsmede vele iconografische afbeeldingen van personen die wastafeltjes beschrijven. In Nederland zijn uit de Romeinse tijd verschillende schrijfstiften en wastafeltjes bekend.

De teksten op de wastafeltjes, die in de beerput in Brielle zijn gevonden, hebben betrekking op de transactie van haringtonnen door Brielse (haring)kooplieden. De aantekeningen zijn in verband te brengen met de zogenaamde godspenning: een belasting die geheven werd op de verkoop van vis en die ten goede kwam aan de kerken en gasthuizen. Het zijn persoonlijke notities en geheugensteuntjes om eventueel later op papier of perkament te schrijven. De wastafeltjes vormen een bijzonder onderdeel van de  afdeling archeologie van het Historisch Museum Den Briel.

Uitgelicht II

De Sint-Catharijnekerk

Op 23 mei 1417 werd de eerste steen gelegd van de (tegenwoordige protestantse) Sint-Catharijnekerk, op de plek waar zijn voorganger op 3 juni 1405 afbrandde. De Briellenaren koesterden grootse plannen voor denieuwe kerk. Het zou een basiliek met gigantische afmetingen worden; waar nu een blinde muur staat, had een dwarsschip en een koor moeten komen. De toren zou maar liefst 110 meter hoog worden. In 1456 was de bouw van de toren gevorderd tot bijna zestig meter hoogte, maar op 14 augustus brak een brand uit die het werk verwoestte. De toren stortte in en in 1462 werd opnieuw begonnen aan het kostbare werk. In 1482 gaf het stadsbestuur opdracht voor het gieten van de bronzen luidklok. De beroemde klokkengieter Steven Butendiic was verantwoordelijk voor het maken van de kolossale klok met een gewicht van 4.200 kilo. Aangezien de Brielse handelspositie ondertussen begon af te nemen droogde de geldstroom op. Talloze kleine en grot e tegenslagen, waaronder de stadsbranden van 1495, vormden aanleiding om de bouw van de kerk rond 1500 stil te leggen. Hoewel het gebouw nooit is voltooid, vormt het toch een indrukwekkende kerk in de sobere stijl van de Brabantse gotiek. De met Gobertanger, een blonde natuursteen, beklede 57 meter hoge toren domineert sindsdien het land van Voorne. Behalve drie luidklokken heeft de toren een carillon met 47 klokken. Na enkele belangrijke restauraties in 1938 en 1968 was de toren rond de eeuwwisseling opnieuw toe aan ingrijpend herstel. Vooral het natuursteen had veel te lijden van het steeds wisselende kustklimaat. Het door de wind opgestuwde regenwater kon daardoor diep in de toren binnendringen en daar verwoestend werk aanrichten aan het natuursteen, het metselwerk, de houtconstructie en het pleisterwerk. Na een grondige voorbereiding in de jaren 1996 – 1997 door de gemeente en restauratie-architect Van Hoogevest uit Amersfoort kende het Rijk een zogenaamde kanjersubsidie toe van ruim 1,3 miljoen euro, op een totaal aan kosten van bijna drie miljoen euro. De restauratie van de toren is in 2001 afgerond.

kerkfoto

(Bron: www.Catherijnekerk.nl)

Uitgelicht III

Angelus Merula (1482-1557)angelusmerula

Eind vijftiende en begin zestiende eeuw ontstonden in Europa nieuwe kerkelijke stromingen. Theologen als Luther en Calvijn kwamen met vaak opstandige ideeën over het geloof en dit werd door verschillende pastoors opgepikt en onder het volk verspreid. Engel Willemsz. De Merel (in het Latijn: Angelus Merula) werd in 1482 in Brielle geboren. Hij ging in Brielle naar de Groote school, de latere Latijnse school in de Venkelstraat. Vervolgens studeerde hij theologie in Parijs. Tot 1532 vervulde hij kerkelijke functies in Den Briel; daarna werd hij benoemd tot pastoor in het nabij gelegen Heenvliet. Merula was het – zoals velen in zijn tijd – niet eens met de grote invloed en rijkdom van de katholieke kerk. De bevolking was arm en had veel te lijden van de slechte economie en het strenge bewind van keizer Karel V, de vader van Philips II.

Merula probeerde hervormingen in het bestaande kerkelijke systeem door te voeren. Zijn reformatorische ideeën liet hij in zijn preken doorklinken. Hiervoor werd hij in 1552 gearresteerd door de Inquisitie, het kerkelijke opsporingsapparaat dat ketters te lijf ging en er op toezag dat men ‘goed katholiek’ bleef. Merula stierf na een gevangenschap van vijf jaar in het Belgische Bergen.

De constante dreiging van de Inquisitie bracht de ketters, de tegenstanders van het katholicisme, ertoe hun eigendommen veilig te stellen. Sommigen vluchtten en begroeven hun geld in de grond. Merula liet vlak voor zijn gevangenneming een akte opstellen waarin hij zijn bezit – woonhuis, zes armenhuisjes en landerijen met hun inkomsten – vermaakte aan Den Briel. In de akte werd bepaald dat Merula’s woonhuis een weeshuis moest worden. Het Merula-Weeshuis is tot 1948 als zodanig in gebruik geweest. De gelijknamige stichting is nog steeds actief.

Uitgelicht IV

Restauratie en herbestemming Begijnhofkapel

Over het Begijnenhof aan de Coppelstockstraat wordt in de annalen van de stad voor het eerst in 1413 melding gemaakt. Maar al in 1331 wordt van een zekere Kateline geschreven dat zij een, te Maarland woonachtige, begijn is. Eveneens onzeker is wanneer het hofje een eigen kapel heeft gekregen; het huidige gebouw zal omstreeks 1460 zijn verrezen. Frank van Borselen, heer van Voorne, bestelde in 1466 een gebrandschilderd raam voor ‘der beginen nieu kerck’ bij de Haagse glazenier Zweer van Opbueren. De kapel was vermoedelijk aan Johannes de Doper gewijd. Nadat in de eerste helft van de zestiende eeuw meer en meer huisjes leeg kwamen te staan, verhuisden de bewoonsters van het Vrouwenhuis vanuit een huis op de noordzijde van het Maarland naar het hofje. In 1571 waren er nog maar twee begijnen over en met de inname van de stad door de Watergeuzen, een jaar later, viel het doek voor het begijnenhofje definitief. De kapel verloor in 1572 eveneens haar kerkelijke functie en werd als turfpakhuis in gebruik genomen. In 2008 is gestart met een grondige opknapbeurt, ten dienste van een nieuwe bestemming voor mensen met een lichte verstandelijke handicap.

begijnhofkapel

Hoe een Zweedse in Brielle terechtkwam

Door: Marijke Holtrop (hoofd Historisch Museum Den Briel)


Christina van Zweden

Christina van Zweden (collectie Historisch Museum Den Briel)

In de portrettengalerij van het Historisch Museum Den Briel hangt een portret van de Zweedse koningin Christina van Zweden (1626-1689). Het portret is op doek geschilderd door Justus van Egmond (1601-1674). De koningin is afgebeeld als Diana, de godin van de jacht.

Christina was de dochter van de zweedse koning Gustaaf Adolf van het huis Vasa en Maria Eleonora van Brandenburg. Toen haar vader in 1632 sneuvelde, was prinses Christina veel te jong om zich met regeringszaken bezig te houden. Maar vanaf 1644 nam zij deel aan de besluitvorming van alle regeringszaken. In 1650 werd Christina tot koningin gekroond. Omdat zij weigerde te trouwen moest zij al in 1654 –noodgedwongen- afstand doen van de troon ten gunste van haar neef Karel X Gustaaf. In 1654 verbleef Christina enige tijd in Antwerpen aan het hof van aartshertog Leopold. Leopold leende haar zijn hofschilder Justus van Egmond, leerling van Rubens, uit. Van Egmond vervaardigde vijf portretten van Christina:drie als de godin Minerva en twee als Diana, de godin van de jacht.

Op het schilderij zijn de gebruikelijke attributen van Diana weergegeven: jachtspeer, de jachthond, een jachtgebied als achtergrond. De lauwerkrans in Christina’s hand is wellicht een verwijzing naar het droit divin, het goddelijk recht dat zij –in haar ogen- nog steeds bezat, ook al had zij geen land meer om te regeren. Het schilderij is in de achttiende eeuw in handen gekomen van de Brielse koopman Hendrick van Kruyne, die tevens eigenaar en bewoner was van bierbrouwerij Het Gecroonde Hart aan het Scharloo nummer 9. Hij liet het schilderij in zijn huis boven de schouw plaatsen. Na verloop van tijd is het schilderij letterlijk verdwenen achter behang. Tijdens een verbouwing werd het schilderij ontdekt en achter het behang vandaan gehaald. De heer en mevrouw Spoon, de toenmalige eigenaren van het pand, schonken het schilderij in 1966 aan het museum.

Stenen Baak

Stenen BaakDoor: Marijke Holtrop (hoofd Historisch Museum Den Briel)

Bouwen met subsidie

Vuurtoren de Stenen Baak werd in opdracht van de Vroedschap van Brielle in 1630 gebouwd door de toenmalige stadstimmerman van Brielle: Maerten Cornelis Paeyse. Hij bouwde in Brielle ook de stadsgevangenis en het waaggebouw. Hij werd begraven in de Catharijnekerk. De bouw van een stenen vuurtoren was noodzakelijk, omdat eerdere, houten vuurtorens alle waren afgebrand. De bouw van de vuurtoren werd gefinancierd door Brielle en de Staten van Holland en West-Friesland. Het stadsbestuur van Brielle had zich tot de Staten van Holland en West-Frieland gewend met een verzoek om geldelijke ondersteuning. Het was immers niet alleen Brielle die voordeel had van de nieuwe, minder kwetsbare stenen vuurtoren. Ook de koopvaardij en de visserij in het algemeen zouden profiteren van de nieuwe toren. Het lag dus voor de hand van het provinciale bestuur een algemene bijdrage in de kosten te ontvangen. Het verzoek om de kosten te verdelen over al diegenen die er profijt van hadden, werd ingewilligd. De heren Staten verleenden in 1631 –de toren was al klaar- een aanzienlijke subsidie. Bouwmeester Payese bouwde de toren met vier meestermetselaars binnen vier maanden tijd. Behalve hardsteen werden 180.000 bakstenen gebruikt. Een gigantische prestatie.De Stenen Baak functioneerde in samenhang met een verplaatsbaar vuurbaken in de duinen van Oostvoorne. Als men vanaf een schip de beide vuren in één lijn zag, was de positie de juiste om de vaargeul in te kunnen varen. Omdat de geulen zich verlegden door de verplaatsing van zandbanken, moest het lagere baken verplaatst kunnen worden. Op deze wijze kon de zichtlijn worden aangepast aan de gewijzigde situatie.

Blazen en stoken

Uit getekende bronnen blijkt dat de Stenen Baak bovenop de derde geleding een soort opbouw had, de lantaarn. Daarin werd een groot kolenvuur gestookt. De vele glas-in-lood ruitjes onder een overstekend tentdak zorgden ervoor dat het vuur van verre zichtbaar was. Het vuur werd met blaasbalgen gaande gehouden. De afvoer van rook gebeurde via een centrale schoorsteen. Twee wachters moesten ’s nachts voortdurend blazen en stoken; de kolen werden naar boven getakeld. De plaats waar de vuurtoren stond was ook in militair opzicht interessant, zo bleek in de 18de eeuw. Vijandelijke schepen die ongehinderd de monding van de Maas konden passeren, vormden een bedreiging voor met name het zuidelijk deel van de provincie Holland. En de vestingstad Brielle zou daarbij als eerste onder vuur komen te liggen. De locatie was zeer geschikt om een militaire versterking aan te leggen. Dit werd bevestigd door de visie van Menno van Coehoorn (1641-1704) die de Stenen Baak betrok in zijn advies met betrekking tot de versterking van de vesting Brielle.

Toren en fort

Aan het begin van de achttiende eeuw werd bij de toren dan ook een klein fort gebouwd dat later in die eeuw uitgroeide tot een kustbatterij, een klein verdedigingswerk, met kanonnen die vijandelijke schepen in de Maasmond konden beschieten. Bij de batterij behoorde ook een kogelgloeioven, waarin de kanonkogels werden verhit. Inspectie van de vestingwerken op Voorne was een taak van de militaire genie. De Briellenaar Johannes van Westenhout (1754-1823) was behalve architect –van bijvoorbeeld de verbouwing van het stadhuis van Brielle- van 1793 tot 1795 ook  directeur-generaal van ’s land fortificatiën. In die hoedanigheid inspecteerde hij het bastion bij het Stenen Baak. De kustbatterij werd meerdere malen verbouwd en uitgebreid en daarbij kwam meer dan eens de wens van de militairen naar voren de toren af te breken. De toren trok volgens hen teveel aandacht en was een goed mikpunt. De loodsen en vissers voorkwamen (meerdere keren) dat de toren werd afgebroken. Voor de scheepvaart bleef de toren, hoewel sinds 1800 al niet meer in staat als vuurtoren te dienen tengevolge van het ontbreken van de lantaarn, een belangrijk oriëntatiepunt. Halverwege de negentiende eeuw werd de Stenen Baak als vuurtoren officieel buiten gebruik gesteld; het Rijk verwierf het eigendom van de toren. In 1939 en 1965 werd de toren onder supervisie van de Rijksgebouwendienst gerestaureerd. In 1999 staken vier overheidsinstellingen de koppen bij elkaar: de Rijksgebouwendienst, het Recreatieschap Voorne, Putten en Rozenburg, de gemeente Westvoorne en de gemeente Brielle. Gezamenlijk realiseerden zij de nieuwe bestemming van dit stukje cultureel erfgoed. De toren werd gerestaureerd en verkreeg op drie verdiepingen een licht- en geluidpresentatie; het uitzicht vanaf het dak is magnifiek. De toren is sinds juli 2004 voor het publiek opengesteld en wordt beheerd door het Historisch Museum Den Briel. Vrijwillig baakwachters zorgen voor de openstelling en de veiligheid van de bezoekers.

De toren is gratis toegankelijk.
Bezoekadres: Brielse Maas 1, Oostvoorne
Openingstijden:
april en oktober        zaterdag en zondag van 11.00-16.00 uur
mei t/m september   dinsdag t/m zondag van 11.00-16.00 uur

Koek uit een blik, snoep uit de fles

De vrouw van de bakker

Door: Kees van Rixoort

“Geen foto van mij erbij, hoor”, zegt ze stellig. “En je gaat toch niet m’n naam in dat stuk zetten? Nee, ik hoef niet zonodig.” Ze woont in de vesting, op een steenworp afstand van de plek waar ze dertig jaar heeft gewerkt. Drie decennia liet ze de broden, broodjes, koekjes en gebakjes over de toonbank gaan. Tot 1985. Haar zwarte haar is grijs geworden. Blond, zeggen sommigen voor de grap. Ze wijst door het raam, aan de overzijde van de straat staat een groot wit gebouw, de handschoenenfabriek van weleer. “Hier stonden allemaal oude huisjes en daar liep een sloot. Een sloot met witte bruggetjes.” “Ik ben in 1955 in Hellevoet komen wonen. Vanuit het conservatieve Bruinisse. M’n man kwam van oorsprong van Pernis. We waren direct gewend, ik vond de mensen heel aardig. Hellevoet was nog een stuk kleiner. Je had alleen de vesting en een klein stukje erbuiten. Ja, het was nog erg klein en ik kende iedereen.” Ze namen de zaak over van bakker Van Kralingen. “Het was nog een winkel met bussen en flessen. Bussen voor de koekjes en flessen voor het snoep. We hebben de zaak al vlug laten verbouwen, want mijn man wilde met z’n tijd mee.” Ze pauzeert even en noemt dan nog een voorbeeld: “We hadden ook al gauw een broodsnijmachine.”

Hellevoetsluis Baantje

Hellevoetsluis was nog een stuk kleiner. Je had alleen de vesting en een klein stukje erbuiten.”

Verder lezen

Op weg met brood voor een week

D.I. Vermaat

Door: Kees van Rixoort

Roetsj, daar gaan we. Zo met de bokkenwagen van de hoge weg naar die enorme vlakte van betonplaten. Roetsj, zo over de schuine dam naar beneden. En dan, misschien wel een meter lager dan de weg, met een heerlijk vaartje doorkarren met die wagen. Steeds verder, steeds dichter bij het garagebedrijf. D.I. Vermaat, directeur van het gelijknamige automobiel-, bus- en reisbedrijf, voelt nog steeds de dynamiek van de bokkenwagen. Ook nu het zeker vijftig jaar geleden is dat hij zijn roetsjritjes maakte. De betonnen helling vanaf de straatweg is weg, net als het oude garagebedrijf en het forse voorterrein. Op die plek staat nu een moderne autoshowroom, naast het zakelijke kantoor van waaruit Vermaat leiding geeft aan het familiebedrijf dat al meer dan honderddertig jaar aan de weg timmert. “Willem Vermaat Isaäczoon, mijn overgrootvader, vestigde zich in 1872 aan de Rijksstraatweg, hier in Nieuw-Helvoet. Hij stichtte een voermanszaak en ging alle mogelijke vrachten vervoeren. Uit de overlevering weten we dat hij het rouwen en trouwen erbij ging doen. Dus als er een begrafenis of een trouwerij was, verzorgde Vermaat het personenvervoer. Maar er was in die beginjaren nog een belangrijke bron van inkomsten: het slepen of jagen van zeilschepen door het Kanaal. Dat gebeurde met een span paarden, van Hellevoetsluis naar Nieuwesluis of omgekeerd.”

Rijksstraatweg_boek_Pagina_028

Er werden nog melkbussen opgehaald.

Verder lezen

De straatweg smolt weg onder het vreugdevuur

Arie van den Ban

Door: Kees van Rixoort

Twee lange lijnen kruisen elkaar en verdelen het lege landschap in rechte hoeken. Die ene lijn is de straatweg, die andere de kolenpad. De kolenpad? Jazeker, Nieuw-Helvoeters hadden het nooit over de Moriaanseweg. De weg was niet meer dan een pad met kolenas, dus… Die andere lange rechte lijn duidden ze ook nooit aan met de officiële naam. Nee, de Rijksstraatweg, die richting vesting zonder hapering overging in de Brielse Straatweg, heette gewoon de straatweg. Twee lijnen, twee straten. Op de kruising – helder vastgelegd door een vliegende fotograaf in de jaren vijftig – woonde Arie van den Ban. “Je had de straatweg en de kolenpad. En verder niets. Behalve dan de coöperatie en de kern. In de kern zat ik op school. Anderhalve kilometer lopen, we verzamelden bij ons op de hoek en werden door de juf afgemarcheerd over de kolenpad.” Arie van den Ban kijkt een halve eeuw terug en ziet zichzelf weer lopen. Net als op die foto waarop de tamboers en pijpers van Wilhelmina, in de volksmond de fl uitclub, al musicerend over de straatweg schrijden. Precies voor zijn ouderlijk huis. Zelf loopt hij te trommelen, rechts vooraan. De armoede straalt eraf, geen enkel lid van de fl uitclub draagt een uniform. Een stropdas en een petje, meer kon er niet af.

Rijksstraatweg_boek_Pagina_036

De ‘fluitclub’ marcheert al musicerend over de Straatweg.

Verder lezen