• VET: De bomen zijn weg...
  • Geen categorieën

Esterenburg, boerderij van licht en schaduw- door J. Klok

EsterenburgOoit konden welgestelde families zich de luxe veroorloven er een buitenplaats in de lommerrijke dreven van Oostvoorne of Rockanje op na te houden. Hier vertoefde op gezette tijden de landheer met familie of jachtvrienden. Het kon een compleet landgoed met herenhuis en ernaast gelegen boerderij zijn of alleen een boerderij (hofstede) met een Heerenkamer. Een goed voorbeeld hiervan is de monumentale boerderij Esterenburg te Vierpolders.

Oude koopakten spreken van een ‘woning bestaande in een heerenhuys, bouwmanswoning, schuur,  barg en boomgaerden staende en gelegen onder de Vier Polders’. Wie de monumentale boerderij, waarvan slechts de woning na de brand van 1931 bleef gespaard, met de stenen inrijpalen, verscholen achter het groen van zware kastanjebomen, aanschouwt, ondergaat het gevoel alsof eeuwen op je neer zien.

De boerderij ligt in de Kloosterhoek van de polder Oude Goote. Deze polder zou bedijkt zijn in 1413; zij vormde het begin van de drooglegging van de eens zo brede rivier de Goote.  Direct na de inpoldering werden de drooggevallen gronden in cultuur gebracht en hier en daar bezijden de dijk boerenbedrijven gestart. Zo zal kort na 1413 nabij de Spuidijk deze boerderij zijn gesticht.

Degene die de stee als buitenplaats zal hebben ingericht is waarschijnlijk mr. Cornelis Langereis (ca. 1675-1745), Raad en oud-burgemeester van Brielle. De boedelbeschrijving van diens nalatenschap op 26 maart 1745 vermeldt namelijk het bezit van ‘een Heerenhuis, bouwmanswoning, schuur, barg en boomgaarden in de Vierpolders’. Uit deze beschrijving blijkt tevens dat bij deze boerderij behoorde 167 gemeten en 235 roeden bouw- en weiland gelegen in de Jan Huijgenhoek, de Kloosterhoek, de Veckhoek (Riethoek), de Betjes Hil, de Nieuwe Goote en het Kleine Gootje. Het betreft hier dus een uitgebreide boerenbehuizing.

Uit zijn levensbeschrijving valt op de benoeming tot Raad en Rentmeester Generaal der Domeinen in Voorne en de Beijerlanden in 1737. Om deze belangrijke functie te bekleden moest hij behoren tot de ‘Breedste Geërfden’, grondbezitters met op zijn minst 100 gemeten (50 hectaren) land. Eerst dan was men gerechtigd de vergadering van de Staten van Voorne bij te wonen. Om hiervoor in aanmerking te komen heeft hij wellicht in het zelfde jaar de Hofstede met bijbehorende gronden gekocht.

Waarschijnlijk heeft Langereis kort na zijn benoeming de boerderij laten verbouwen. Een foto van vóór de grote brand in 1931 vertoont op de achtergevel muurankers die het jaartal 1738 weergeven. We mogen Langereis waarschijnlijk ook verantwoordelijk houden voor de naamgeving van de Esterenburg.

Op zijn sterfbed kon genoemde heer terugzien op een indrukwekkende staat van dienst. Zijn nalatenschap was evenzeer indrukwekkend. Hij bewoonde het herenhuis Voorstraat 61, met een koetshuis aan de achterzijde. De twee zuidelijk aangrenzende huizen (nrs. 63 en 65) behoorden eveneens tot zijn bezit. Verder bezat hij een pakhuis aan de haven, dat gebruikt werd tot berging van gestrande goederen, en een tuin met tuinhuis.

De boedelbeschrijving van 1745 geeft een duidelijk inzicht in het vermogen van Langereis. Het begint met een ijzeren geldkist waarin ‘42 guines (Engelse gouden munten), 7½ gouden ducatons à f15:15, 49 pistolen, 27 ducaten à f 5:5, elf zakken acht en twintigen, zes zakken guldens, vijf zakken dubbeltjes, negen zakken halve guldens, een zak met 262 rijksdaalders, een zak met 462 halve guldens, een zak met 77 ducatons, een zak met 208 acht en twintigen, een zak met 212 à 20 stuivers per stuk, een zak dertien d’halven, een zak schellingen, een zak ses thalven. Ten slotte nog een daalder en wat kleingeld. Totaal een bedrag van f16.298:16:0, een fabelachtig vermogen aan contanten. Voorts een indrukwekkende lijst gouden en zilveren sieraden, een grote hoeveelheid tafelzilver, linnengoed en tafellakens.

Esterenburg plattegrondWij maken als het ware een wandeling door het hele huis aan de hand van de notaris met zijn klerk . Van de kelder via de gang langs de verschillende vertrekken. Om via de trap de eerste verdieping en uiteindelijk op de zolder te belanden.

Voor ons is interessant de beschrijving van het meubilair in de voor de overledene gereserveerde vertrekken op Esterenburg: in de kelderkamer (kamer boven de kelder, ook wel de Herenkamer) twee bedden (matrassen), een hoofdpeluw en drie dekens, een kussen, een rustbank, twee grote tafels, een theetafel, een schenktafeltje, een spiegel in vergulde lijst, ‘agt bruijne stoelen, twee leunstoelen, zes oude roode kussens, twee groene dito, twee theeblaadjes, drie kasten’, van tin: drie assietten, een schenkbord, drie kommen,een peperbos,een lampet en schotel, twee mosterdpotten, van koper: een vijzel, een koffiekan en een comfort. Verder, in het benedenkamertje twee bedden, twee peluwen, twee kussens, drie dekens, een ledikant met geel saij behangen, een oud kasje, drie stoelen, eenig aardewerk; in de keuken ‘een theetafel, kistje, koper keteltje, theerakje, eenige aerde schotelen voor de schoorsteen van niet veel waerde, drie oude stoelen. Tot gebruyk van den Boer een koper furnuys, een kaern’.

Blijkens mededelingen van timmerman Spaan liggen ’op de woningh eenige planken en ladders, die alleen tot gebruijk van den huurder van de woning en de landen zijn gelaten’. Het is duidelijk dat het voorste gedeelte van de woning geheel voor ‘de familie’ was gereserveerd.

De volgende eigenaar van de boerderij is zonder meer opmerkelijk te noemen. Cornelis Langereis liet geen nabestaanden na. Hij stierf kinderloos; zijn enige kind was hem in 1708 en zijn vrouw in 1734 voorgegaan. Bij zijn overlijden in maart 1745 bleek hij zijn huishoudster Maria Michot, ‘gesepareerde huisvrouw van Frans Lomis’ en waarschijnijk afkomstig uit Maastricht, tot universeel erfgenaam te hebben benoemd. Maria was plotseling een zeer vermogende vrouw, die zelf een dienstmeid in huis nam. Zij bleef wonen in het huis aan de Voorstraat, dat zij in 1762 verkocht. Het is niet bekend wanneer zij Esterenburg verkocht, maar vast staat dat de boerderij voor 1757 in bezit is gekomen van Johan Aarnoud Gallas (1688-1777), ‘luitenant-colonel en capitein van een compagnie quardes te voet’ en lid van de vroedschap en oud-burgemeester van Brielle. Gallas was een flamboyante persoonlijkheid, die links en rechts land op Voorne aankocht. Kroon op dit ‘landverovertje’ was de aankoop op 4 mei 1753 van de ‘hofstede en tuynmanshuis cum annexis genaamd Stuyvesande’. De man heeft deze buitenplaats royaal laten verbouwen en met landerijen uitgebreid. Naast Stuyvsande bezat hij ook nog de boerderijen Poepenburg, Kikkerenburg en Esterenburg. De laatste verhuurde hij in 1757 voor zeven jaren aan Hendrik Keiser te Abbenbroek. In het contract werd de bepaling opgenomen dat het herenhuis ter beschikking van de verhuurder bleef. Ook elders belegde hij zijn geld: met enkele anderen kocht hij de heerlijkheid Cromstrijen, waarvan hij van 1754 tot 1765 ambachtsheer was. Blijkbaar leefde hij op een te grote voet, want hij was genoodzaakt om een lening van f 35.000,- bij de Haagse advocaat Johannes Schopman te sluiten. Daarbij moest hij een verklaring tekenen dat hij ‘zijn woning Esterenburg te Vierpolders met 172 gemeten land’ niet verder zou belasten. Helaas heeft heer Gallas zich later zo in de schulden gestoken dat hij ten slotte niet meer aan zijn financiële verplichtingen kon voldoen en failliet werd verklaard. Op 29 april 1761 vond de executoriale verkoop plaats van de buitenplaats Stuyvesande, groot 56 gemeten 154 roeden, de boerderij Esterenburg met 169 gem. 232 roeden, de boerderij Kikkerenburg met 72 gem. 63 roeden en de boerderij Poepenburg met 34 gem. 22 roeden. De totale opbrengst bedroeg f 33.250,-.

Stuyvesande werd gekocht door Jean Louis van Alderwerelt (1711-1779), geboren te Amsterdam. Hij had reeds in 1737 de heerlijkheid Heenvliet verworven om er zich als Heer van Heenvliet te vestigen.

Wie de boerderij Esterenburg toen heeft gekocht, kon niet worden achterhaald, maar het zal zeer waarschijnlijk de voornoemde Alderwerelt zijn. Op 2 juli 1779 verkopen diens erfgenamen, mr. Adriaen Souls en Adriaan Louis van Alderwerelt de bouwwoning, bestaande uit een herenhuis, bouwmanshuijs, keet etc. genaamt Esterenburg, staande in de Oude Goote op het quohier der Huijsen getekend no 8 met de navolgende 141 gemeten, alsmede de boomgaard genaamd ‘de vuijle vaetdoek’, aan Gabriel Leonard van Oosten (1745-1819), stadhouder van Brielle en Voorne.

Van Oosten was gehuwd met Catharina Blankert en een waardige representant van het Brielse patriciaat. In 1786 zou hij opgenomen worden in de vroedschap. Zijn oudste dochter Maria trouwde met Daniel van Slingeland uit Schoonhoven; zij erfde de boerderij met bijbehorende landerijen. Na haar dood komt Esterenburg met de landerijen in het bezit van haar zwager Anthonie Hendrik van Kruyne (1785-1877), die in 1819 gehuwd was met Wilhelmina van Oosten. Ook de zeer welgestelde bierbrouwer Van Kruyne kon zich beroepen op een indrukwekkende Brielse staat van dienst. Hij bezat veel landerijen op Voorne waaronder het landgoed Kranenhout te Oostvoorne. Hij speelde een belangrijke rol in de Brielse geschiedenis.  Van Kruyne stierf kinderloos in 1878; zijn vrouw was hem al voorgegaan. Hij liet een indrukwekkend grondbezit op Voorne na.

Bij de openbare verkoping van Esterenburg wordt het geheel voor f 106.437,85 gekocht door de heer Meerburg te Arnhem, voor diens dochter de weduwe Johanna Catharina Loopuyt-Meerburg.  In 1929 ging de boerderij bij vererving over op Charles Maria Boonen.

Pachters

Eertijds was het gebruikelijk dat pachtboerderijen decennialang beheerd werden door eenzelfde familie. Sprekend voorbeeld hiervan is de familie Scheijgrond. Van 1813 tot 1931 was die naam aan Esterenburg verbonden. Willem Scheijgrond (1787-1867) was de eerste pachter van zijn familie. Uit zijn jaren op Esterenburg is een trieste anecdote bekend. Op zondag 31 januari 1819 trof hij in het hooi van de til het stoffelijk overschot aan van een man. Het verkeerde in een verre staat van ontbinding. Er werd aangifte gedaan door de Brielse arts dr. Arend Bisdom en de chirurgijn Louwrens Baerveld bij de schout van Vierpolders mr. H. van Andel, die een proces-verbaal heeft opgesteld. Van 1826 tot 1834 bedroeg de pacht voor de bouwmanswoning (gedeeltelijk) met ruim 64 hectaren wei/bouwland f 2.250,- per jaar. In 1834 werd de pacht weer voor zeven jaar verlengd à f 2.300,- per jaar met 64 hectaren en vermeerderd met 17 hectaren te Nieuwenhoorn.

Na de dood van de toen inmiddels hoogbejaarde Willem Scheijgrond nam diens zoon Bouwen (1839-1894), getrouwd met Neeltje van den Ban, de pacht over. In zijn tijd, namelijk in 1889, vond een verbouwing plaats aan de Esterenburg. Zeer waarschijnlijk zal toen de oorspronkelijke tuitgevel veranderd zijn tot de huidige klokgevel.

Bouwen werd weer opgevolgd door kleinzoon Hendrik Scheijgrond (1872-1927). In deze periode werd het rustige bestaan op en rondom de hoeve in de jaren 1914-1918 verstoord door de aanwezigheid van een compagnie Infanterie, gelegerd in een grote houten barak nabij de boerderij ter verdediging van het nabij gelegen fort Penserdijk. Hendrik was getrouwd met Anna van der Lugt Melsert (1847-1933); zij zette na zijn overlijden het bedrijf voort met haar jeugdige zoon Willem Martinus. Het lag in de bedoeling dat hij het bedrijf zou overnemen, maar het mocht niet zo zijn. Willem overleed op de jeugdige leeftijd van 21 jaar op 15 april 1931.

Mogelijk zal de ongeneeslijke ziekte van de beoogde toekomstige pachter, de eigenaar van Esterenburg bewogen hebben de boerderij, zo onlosmakelijk met het geslacht Scheijgrond verbonden, te verkopen. Het is heel merkwaardig dat juist op de sterfdag van Willem Scheijgrond Esterenburg met de bijbehorende gronden onder de hamer werd gebracht.

Bij de verkoop viel het eeuwenoude bezit uiteen. Op de verkoopceel passeren nog eenmaal de vele landerijen die ooit hoorden bij Esterenburg. De landerijen werden door diverse boeren en grondeigenaren gekocht. De boerderij en enkele hectaren land werd afgemijnd door Leendert Luijendijk.  Luijendijk, een koopman te Rozenburg, verkocht Esterenburg direct door aan Simon Dekker, een boerenzoon afkomstig uit Strijen. Aan de eeuwenoude traditie ‘verpachter-pachter’ werd hiermee eveneens een halt geroepen. Van nu af aan was Simon Dekker heer en meester.

Met deze bezitsovername van Esterenburg zou het leven op Esterenburg een geheel andere wending nemen. En niet alleen dat: een half jaar later legde een brand de grote boerenschuur in de as. Gelukkig bleef de woning gespaard. Er tegenaan werd een kleinere schuur gebouwd. Maar de eens zo kapitale stee was van haar oorspronkelijke statie beroofd.

Ofschoon de tand des tijds vele sporen heeft achtergelaten kan deze hoeve qua architectuur beschouwd worden als een van de meest belangwekkende boerderijen in de regio. De voorgevel straalt nog steeds de statie uit van een glorieus verleden. De vertrekken links en rechts van de voordeur vormden eens het domein van de landheer. De oorspronkelijke indeling is weinig veranderd. De twee bovenverdiepingen beslaan één grote zolderruimte, waar in het najaar onder meer het graan door het luik in het midden van de voorgevel naar boven werd gebracht.

Bij de koop was de heer Dekker reeds weduwnaar met zeven kinderen. Met enkelen is hij het bedrijf gestart. Na zijn overlijden namen de zonen Kees en Teun en dochter Sientje het bedrijf over. Later kwam de gepensioneerde Bas er bij. De ‘Dekkertjes’ stonden bekend als echte veeboeren. Zij wisten een bijzonder ras te fokken. Na een fel gevoerde strijd mocht het hen echter niet lukken om de stier in het stamboek onder te brengen. Hun laatste jaren vertoonden een triest verloop. Ten slotte bleven Sientje en Teun over op stee.

Wat zich in de loop van al die jaren achter de muren heeft afgespeeld, zou een interessante boerenroman opleveren. Maar wel een zonder ‘happy end’. De familie Dekker vormde een gesloten gemeenschap. Slechts enkelen genoten de eer haar vertrouwen te winnen. Tot deze intimi behoorde mr. Elbert van Soest, zoon van een arts en geboren te Rockanje. Hij werd als het ware gegrepen door de statie van de hoeve, kwam in contact met Sientje en wist haar vertrouwen te winnen. Toen zij niet meer in staat bleek de boerderij langer te besturen, werd Van Soest door de kantonrechter tot bewindvoerder benoemd. Teun was inmiddels naar het verzorgingshuis ‘De Rozenhoek’ in Nieuwenhoorn verhuisd. Uit vrees dat na de dood van de laatste Dekker de boerderij in handen zou vallen van een projectontwikkelaar, heeft Van Soest contact opgenomen met de Vereniging ‘Hendrick de Keyser’, een vereniging tot behoud van architectonisch of historisch waardevolle huizen in Nederland.

De vereniging toonde zich bereid tot aankoop van de boerderij en enkele hectaren weiland. De onderhandelingen vergden veel tijd en het geduld van Van Soest werd danig op de proef gesteld. De gezondheid van Teun ging bovendien snel achteruit. Bij zijn overlijden zou er een nieuwe situatie ontstaan en de vereniging mogelijk niet meer in de gelegenheid worden gesteld de boerderij te verwerven.

Uiteindelijk werd tot aankoop overgegaan. De overdracht vond plaats ten overstaan van notaris Buijtink te Brielle op woensdagmiddag 3 juli 2002. Een uur later blies Teun zijn laatste adem uit. Op de overlijdenskaart van Teun stond: ‘Hij is een weg ingegaan, die hij alleen ten eind moet gaan’, een tekst die tot veel nadenken stemt. Schrijver dezes was aanwezig bij het condoleancebezoek op maandagavond 8 juli 2002. Slechts de buren en enige intimi vonden elkaar in de oude zo vertrouwde keuken. Gastheer was de heer Van Soest. Het was een bijzonder samenzijn. Voor schrijver dezes te meer, omdat hij eraan werd herinnerd dat zijn grootmoeder Susanna van der Linde – Scheijgrond (1851-1927) op deze boerderij het levenslicht aanschouwde. Op woensdag 9 juli 2002 werd het stoffelijk overschot van Teunis vervoerd naar de Openbare begraafplaats van Strijen, zijn geboortedorp.

Enkele dagen later vond de overhandiging van de huissleutel plaats door de heer Van Soest, namens de familie Dekker, aan vertegenwoordigers van Hendrick de Keyser. Hiermee kwam een eind aan het werk van Van Soest, die zich er lange tijd intensief mee bezig heeft gehouden. Van Soest overleed korte tijd later en heeft de restauratie van de Esterenburg helaas niet kunnen volgen. Die is inmiddels vergevorderd. Binnenkort zal de Esterenburg weer iets uitstralen van haar oude glorie. Hoewel de boerderij zonder de imposante schuur nooit meer de oude luister zal herwinnen, zorgen de bomen nog immer voor een prachtig decor van licht en schaduw.

VET