• Brielle: De vesting
  • Geen categorieën

Het ‘moordenaarslijntje’

‘De tram arriveert bij het tramstation te Brielle, het tegenwoordige Chinese restaurant'

‘De tram arriveert bij het tramstation te Brielle, het tegenwoordige Chinese restaurant'

Om ruimte te maken  voor het toenemende verkeer op de weg werd in 1894 de Waterpoort en in 1900 de Zuidpoort in de Brielse vesting afgebroken. Van de Waterpoort resteert alleen nog de poortwachtershuis aan het Maarland Noordzijde. Het wegennet op Voorne-Putten kreeg pas echt een impuls door de aanleg van de Groene Kruisweg, een tweebaansweg die Brielle met Rotterdam verbond. In augustus 1934 werd de aanleg hiervan afgerond. Een belangrijke gebeurtenis was de aanleg van de trambaan, waarmee het isolement van Voorne-Putten definitief werd doorbroken. De veerdiensten naar Vlaardingen en Rotterdam werden soms door stormweer of koude winters gehinderd om hun vaart op Brielle te onderhouden, maar de tram was met een vaste brugverbinding bij Spijkenisse een veel betrouwbaarder vervoermiddel. Vanaf 1906 werd een reisje naar Rotterdam veel eenvoudiger en populairder.

[bron: Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg]

Brielle: De zestiende eeuw; de stad ommuurt zich

Brielle werd op Sint Andriesdag, 30 november 1330 stadsrechten verleend door Gerard van Voorne. Amper vijf jaar later kreeg de stad ook het recht om versterkingen aan te leggen, om ‘ongewenst volk tegen te houden’. Na een jaar of vier moet de stadsvest geheel aanwezig zijn geweest, maar in hoeverre er dan al sprake is van muren en poorten is niet duidelijk. Wel is in 1342 al rond de gehele stad een gracht aangebracht.

Voor de versterkingen werd allereerst een stadsmuur aan de west- en zuidzijde aangelegd. Aan de noord- en oostzijde liepen twee rivierarmen en tot omstreeks het midden van de zestiende eeuw werd dit voldoende geacht om de toegang tot de stad te belemmeren. In de jaren rond 1500 was de dreiging van oorlog verschillende malen aanleiding tot het aanleggen van verdedigingswerken.

Cartograaf Jacob van Deventer tekende rond 1566 op gedetailleerde wijze de verdedigingswerken: een langgerekt stadsgebied, geheel omgeven door water en een ommuring met vier poorten: de Noord- en de Zuidpoort en in het westen de Lange- en de Piermanspoort. Alleen waar aan de oostzijde de ter plaatse brede en tweearmige Goote voor een natuurlijke barrière zorgde was een muur weggelaten. Van Deventer tekende verder in totaal 22 verdedigingstorens.

Uitgelicht

Plattegrond

Tussen 1558 en 1575 vervaardigde ‘koninklijk geograaf’ Jacob van Deventer plattegronden van ongeveer 260 vestingsteden in de zeventien Nederlandse gewesten die op dat moment deel uitmaakten van het Spaanse rijk onder Philips II. Het werk van Van Deventer wordt algemeen als een mijlpaal in de Nederlandse cartografische traditie beschouwd. Zijn kaarten vormen een historische bron van grote waarde. Geen enkel ander land kent een vergelijkbare reeks stadsplattegronden. Jacob van Deventer kreeg de opdracht omdat Philips II zich geconfronteerd zag met dreigend oproer in de Nederlandse gewesten, waarover hij sinds het aftreden van zijn vader Karel V in 1555 het gezag voerde. Met het oog op militaire acties liet de koning alvast alle strategisch belangrijke plaatsen in kaart brengen. vandeventer

Van Deventer hanteerde bij zijn karteringswerk de driehoeksmeting om eerst de hoofdstructuur van een stad in beeld te brengen. De ligging van de stadsmuren en markante gebouwen, zoals kerken, kloosters, kapellen, het stadhuis en vestingwerken, werd zo nauwkeurig mogelijk weergegeven. Vervolgens vulde hij de plattegrond verder in door de straten met passen te meten. Hierbij maakte hij gebruik van instrumenten als het kompas en de bóussole (om hoeken te meten). Deze werden vervolgens – waarschijnlijk in combinatie met geschetste topografische details – met pen overgetekend en ingekleurd. De aldus ontstane kaarten worden ‘minuten’ genoemd, die op hun beurt hebben gediend als basis voor ‘netkaarten’. Het resultaat van Van Deventers inspanningen is indrukwekkend.

In de Biblioteca Nacional te Madrid worden twee dikke banden met de netkaarten bewaard, een derde band is verloren gegaan. Opvallend is dat de huidige kadastrale kaart van Brielle ‘door de oogharen gezien’ nog hetzelfde beeld geeft als omstreeks 1560 getekend.

De stadsmuur aan de Langestraat

In april 1998 is in opdracht van de gemeente Brielle door het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van gemeentewerken Rotterdam (BOOR) archeologisch onderzoek verricht op het terrein van de vroegere meisjesvakschool, waar over een lengte van ruim honderd meter de historische stadsmuur is opgegraven. De opgravingen werden onder leiding van archeoloog drs. A.J. Guiran uitgevoerd. De opgegraven muur ligt vrijwel parallel aan de Langestraat; na circa 62 meter knikt de muur in de richting van de Burgemeester H. van Sleenstraat. De indrukwekkende funderingen van de stadsmuur zijn over het algemeen over een hoogte van 1.50 à 2.20 meter bewaard gebleven.

Aan de achterzijde van de muurfunderingen is, op onderlinge afstand van ruim drie meter, een groot aantal steunberen aangetroffen. Deze dienden om de muur in balans te houden en om de tongewelven te dragen, waarop een weergang was aangebracht. De lengte van de gebruikte bakstenen (27 – 29 centimeter) geeft een – voorzichtige – indicatie voor de datering van de muurfunderingen: de eerste helft van de veertiende eeuw. Een bakstenen vloertje tussen de steunberen en een beerputje uit het laatste kwart van de veertiende eeuw wijzen op een mogelijke bewoning onder de bogen van de weergang.

Een heel bijzonder fenomeen is de doorgang in de stadsmuur ter hoogte van het midden van de Maarlandse haven. Deze doorgang is al aanwezig in de eerste aanleg van de stadsmuur. Een groot gedeelte van vermoedelijk een gemetselde boogconstructie bleek in de opening naar beneden te zijn gestort.

De stadsmuur verloor haar functie aan het eind van de zestiende eeuw door de modernisering van de verdedigingswerken. Ergens in het midden van die eeuw is men de sluisgang gaan slopen. Een grote uitgraving getuigt van deze activiteit. De vulling van deze uitgraving bestaat onder andere uit mest en puin. Er komen naast aardewerk en dergelijke ook bijzondere vondsten als gebrandschilderd glas in voor.

Een zeer bijzondere en zeldzame vondst vormt een aantal (delen van) leren boekbanden met stempelversieringen en metalen sluitingen. De boekbanden moeten met ander afval in het midden van de zestiende eeuw in de bodem zijn terecht gekomen tijdens het slopen van de doorgang in de stadsmuur. Het gaat om delen van minimaal zes grote en kleinere banden uit de periode 1450-1520, die nu aanwezig zijn in Historisch Museum Den Briel.

Alva verliest zijn bril

Op 1 april 1572 verwierf Brielle een bijzondere plaats in de geschiedenis. Die dag bleken er in de monding van de Maas zesentwintig schepen te liggen, bemand door de Watergeuzen. Lieden van allerlei slag; edelen, ambachtslieden en zeelui, allen strijdend tegen de zware repressie van het  Spaanse bewind, belichaamd in Don Alvarez de Toledo, hertog van Alva. Het Spaanse garnizoen, dat de stad en zijn toen bijna vierduizend inwoners tegen de dreigende plunderingen door de Geuzen had kunnen beschermen, was een half jaar eerder door Alva verlegd naar Utrecht.

Veerman Coppelstock roeide naar de vice-admiraal en voormalige Briellenaar Jonker Willem Bloys van Treslong. Nadat hij de Geuzen informeerde dat zich geen Spaans garnizoen meer in Brielle bevond, besloten zij de stad in te nemen. Coppelstock kreeg de opdracht het stadsbestuur op de hoogte te brengen van de eisen: er moesten twee afgevaardigden worden gestuurd, waarmee de overgave kon worden besproken.

Het stadsbestuur stond in tweestrijd. Als de eis van de Geuzen werd geweigerd, zou de stad worden geplunderd. Als de eis werd ingewilligd, zou op den duur de straf van de Spanjaarden niet gering zijn. Het was een keuze uit twee kwaden, die uiteindelijk niet gemaakt hoefde te worden. Het geduld van de Geuzen was op, voordat het stadsbestuur een keuze had gemaakt…

Bloys van Treslong benaderde de stad vanuit het zuiden en kon via de openstaande Zuidpoort binnen trekken. Een tweede groep kwam voor de Noordpoort te staan, die ze met een scheepsmast rammeiden. Brielle was door de Geuzen ingenomen. De stad werd vervolgens in opperste staat van verdediging gebracht in afwachting van een Spaanse tegenaanval.

innamegeuzen

Die volgde op 5 april, toen verschillende compagnieën uit Utrecht naar Brielle werden verscheept. Vanuit Heenvliet en Zwartewaal marcheerden de soldaten naar de stad, waar een paar schermutselingen plaats vonden. Voordat het tot een echte belegering kon komen, wist stadstimmerman Rochus Meeusz., volgens overlevering, het Nieuwlandse sluisje open te zetten en daarmee de omringende polder onder water te zetten.

De Spanjaarden trokken zich terug en ontdekten dat andere Watergeuzen hun schepen bij Heenvliet in brand hadden gestoken. Verslagen dropen ze af. De opstand zou zich spoedig uitbreiden over de Nederlanden, tot grote verrassing van Alva. Sindsdien is het: ‘Op 1 april verloor Alva zijn Bril (Den Briel)’.

In de geschiedenisboeken kwam het verhaal dat de heldhaftige Watergeuzen de stad in naam van Oranje hadden veroverd. Het stadswapen draagt vanaf die tijd de leus ‘Libertatis Primitiae’, ‘eerstelingen der vrijheid’.

willem bloys van TreslongJonker Willem Bloys van Treslong (1529-1594) was in 1572 admiraal van de Geuzen. Hij was de zoon van de oud-baljuw (een ambtenaar die de vorst in de steden en landelijke gebieden vertegenwoordigde) van Brielle en is wellicht geboren in het stadje. Voor Brielle is hij van enorme betekenis omdat hij, toen Lumey, de aanvoerder van de Geuzen, op 1 april 1572 dreigde de stad te plunderen en vervolgens weer te verlaten, ervoor pleitte de stad te behouden. Hiermee werd Brielle niet de zoveelste stad die de Geuzen hebben geplunderd, maar de eerste stad die door hen bevrijd werd. Bloys van Treslong zette de strijd als Geuzenaanvoerder voort, werd Admiraal van Holland (1573) en van Zeeland (1576).

lumeyWillem van Lumey,graaf van der Marck,Collectie Verhuell, Streekarchief Voorne- Putten en Rozenburg.

De Martelaren van Gorcum

Na de inname van Brielle ging de zegetocht van de Watergeuzen door. Eind juni werd Gorinchem ingenomen. Daar werd een groot aantal geestelijken gevangen genomen, die Lumey naar Brielle liet overbrengen. Het blijft een open vraag wat hem daarmee precies voor ogen stond, maar het resultaat was dat negentien van hen even buiten Brielle werden opgehangen. Deze martelaren om het geloof werden in 1674 zalig en in 1860 heilig verklaard, waarna Brielle zich eind negentiende eeuw ontwikkelde tot een belangrijk bedevaartsoord. Nabij het Martelaarsveld verrees een kerk, die in zijn ontwerp herinnert aan de turfschuur waar de martelaren destijds werden opgehangen.

de martelaren van Gorcum

Vervolg.

Dit is het middeleeuwse beeld van de stad; waarschijnlijk het resultaat van diverse periodes van bouwactiviteiten gedurende twee eeuwen. Deze verdedigingswerken gingen bij de modernisering en de ombouw tot de ‘vesting Brielle’ in de zeventiende en achttiende eeuw geheel verloren. De stadsmuur aan de Langestraat kwam zelfs binnen de stad te liggen. Meer hierover in andere berichten.

Brielle omstreeks 1570

Brielle: Tot aan de 15e eeuw; de stad ontstaat

Brielle heeft een historie die teruggaat tot het midden van de dertiende eeuw. In 1257 wordt in documenten al over Brielle gesproken, nog voor de dorpen Maerlant en Den Briel zich hadden samengevoegd. Ten tijde van ’de Romeinen’, was ons gebied overigens geen eiland; de overstromingen van duizend jaar later hebben dat teweeg gebracht.

In de elfde en twaalfde eeuw bestond Voorne uit een verzameling kleine en grote eilandjes, slikken e14e eeuwn zandplaten. Er vestigden zich boerenfamilies, die de moerassige veengronden ontgonnen en in gebruik namen voor landbouw en veeteelt. Deze in cultuur gebrachte gebieden werden echter regelmatig door de Noordzee en de Maas overstroomd en verwoest. De bewoners hielden vol en begonnen dijken aan te leggen. Oostvoorne, Rugge, Abbenbroek en Zwartewaal zijn de eerste polders die op deze manier opnieuw konden worden bewoond. Het zijn typische ringpolders waarvan de bedijking werd gevormd door natuurlijk grenzen als kreken, geulen en zandbanken. Langs deze polders slibden nieuwe gorzen (oevergebieden) aan, die eveneens werden ingepolderd.

Zo werd begin dertiende eeuw langs de polder Rugge een stuk land ingedijkt dat de naam Oosterland kreeg. Hier vormden mensen de nederzetting Maerlant en later ontstond iets zuidelijker tegen de dijk het dorpje Den Briel. De huidige Brielse Voorstraat en Nobelstraat zijn het zichtbare restant van deze dijk. Brielle had een gunstige ligging, aan de rivier de Goote, waardoor de verbinding met Vlaanderen en Brabant werd onderhouden. Zo kon de stad zich ontwikkelen tot een bloeiende handelsnederzetting.

In 1280 kreeg het toestemming van Aelbrecht van Voorne om twee vuurbakens op te richten. De schepen die deze bakens passeerden, moesten hiervoor een belasting betalen. De opbrengst ging deels naar de kerk en deels naar de Heilige Geest; de instelling die van overheidswege zorg droeg voor de armen. Uit 1346 stamt het oudste keurboek van Brielle, met 76 verordeningen die het openbare leven regelden. Twaalf jaar na de eerste stadsrechten had de stad al tal van regels gesteld aan de verkoop van verschillende goederen, zoals vlees, vis en drank, beperkingen aan gokken en het dragen van messen, en ook voorschriften opgesteld rond plechtigheden als dopen, trouwen en begraven.

De jurist Jan Matthijssen werd in 1401 benoemd tot secretaris van Brielle, en in die hoedanigheid beschreef hij omstreeks 1407 het middeleeuwse gewoonterecht zoals dat in die tijd in Brielle werd gehanteerd. Het rechtboek is bewaard gebleven en vormt een unieke bron, want het gewoonterecht werd over het algemeen niet op schrift gesteld.  Zodoende biedt het boek een buitengewoon zeldzaam inkijkje in het oude vaderlandse recht.

rechtboek

Rijks rooms leven

Brielle kende in de eerste eeuwen van haar bestaan een rijk rooms leven, getuige niet alleen de bouw van de Sint-Catharijnekerk (zie Uitgelicht II), maar ook de vele voormalige kloosters in en om de stad. In Rugge stond een kerkje langs de Ricksedijk. Hierachter werd in 1404 met toestemming van Aelbrecht van Voorne een regulierenklooster gesticht. Dankzij giften groeide de instelling snel uit tot een rijk klooster met veel bezittingen. In het Cartularium van Rugge, een perkamenten boekdeel waarin het gilde alle belangrijke akten uit zijn archief liet kopiëren, staat precies vermeld welke landerijen aan de Regulieren van Rugge toebehoorden. Ze kregen het onder meer geschonken voor hun hulp bij het droogleggen van polders.

Het klooster van Sint Andries was een zusterhuis, dat eveneens in Rugge stond. De nonnen verrichtten taken als het afleggen van de doden, het verplegen van zieken, het helpen van de armen en het schoonmaken van de kerk in Rugge.

Het klooster van de Cellebroeders lag langs de Brigittenweg. De Cellebroeders vormden een orde van monniken die zich inzetten voor de zieken, en hielpen bij het afleggen en begraven van de doden. De Cellezusters hielden zich eveneens bezig met het verzorgen van zieken. Maar hierbij zullen zij zich beperkt hebben tot het verplegen van vrouwen. Hun klooster lag dichtbij dat van hun mannelijke tegenhangers, tussen de Brigittenweg en de Commandeurstraat.

Het Sint-Catharina Klooster was ooit het grootste klooster van Brielle en het stadsbestuur heeft heel wat te stellen gehad met de leiding. In 1481 drongen de schutters na een feest het klooster binnen en gingen er flink tekeer. De pater had namelijk gebroken met de gewoonte om jaarlijks een ton bier aan de schutters te schenken. Later, in 1549, kwam het zelfs tot een rechtszaak waarbij de stad de pater beschuldigde van smokkelarij en belastingontduiking.

Margaretha van York stichtte het Clarissenklooster, nadat ze daartoe op 26 april 1483 toestemming van paus Sixtus had verkregen. Het was een orde met een streng armoede-ideaal. De nonnen moesten leven van de giften van weldoeners. De stad heeft veel geld moeten bijleggen om hen geen hongerdood te laten sterven. In 1548 brandde het convent af, waarna het pas in 1564 weer in gebruik werd genomen.

Het Brigittenklooster dateert uit 1485 en is daarmee het jongste klooster. Mede omdat er al zoveel kloosters binnen de stad waren, kwam dit klooster niet tot bloei. In 1558 werd het complex door de stad opgekocht. Er is vrij weinig van het klooster bewaard gebleven, alleen het Brigittenpoortje op het Catharijnehof is een tastbare herinnering.

brigittepoortje Het Brigittepoortje, 1935, olieverf op doek, Collectie Historisch Museum Den Briel

Uitgelicht I

Een leren etui met wastafeltjes

Voorafgaande aan de bouw van woningen in het carré Langestraat, Coppelstockstraat, Maarland ZZ en Kerkstraat, voerde het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam (BOOR) in opdracht van de gemeente Brielle in 2002 een archeologisch onderzoek uit. Daarbij werden verscheidene houten afvaltonnen met vijftiende-eeuws materiaal gevonden en een grote bakstenen beerput aangetroffen. In die beerput werd een heel bijzondere vondst gedaan, namelijk vijf, deels beschreven wastafeltjes; plankjes hout voorzien van een laagje was waarin met een metalen schrijfstift aantekeningen werden gemaakt – de notitieboekjes van weleer. De gevonden wastafeltjes zijn bestudeerd door archeoloog en historicus Arnold Carmiggelt.

Er bestaan talrijke vondsten van schrijfstiften en wastafeltjes uit de eeuwen voor en rond het begin van de jaartelling, alsmede vele iconografische afbeeldingen van personen die wastafeltjes beschrijven. In Nederland zijn uit de Romeinse tijd verschillende schrijfstiften en wastafeltjes bekend.

De teksten op de wastafeltjes, die in de beerput in Brielle zijn gevonden, hebben betrekking op de transactie van haringtonnen door Brielse (haring)kooplieden. De aantekeningen zijn in verband te brengen met de zogenaamde godspenning: een belasting die geheven werd op de verkoop van vis en die ten goede kwam aan de kerken en gasthuizen. Het zijn persoonlijke notities en geheugensteuntjes om eventueel later op papier of perkament te schrijven. De wastafeltjes vormen een bijzonder onderdeel van de  afdeling archeologie van het Historisch Museum Den Briel.

Uitgelicht II

De Sint-Catharijnekerk

Op 23 mei 1417 werd de eerste steen gelegd van de (tegenwoordige protestantse) Sint-Catharijnekerk, op de plek waar zijn voorganger op 3 juni 1405 afbrandde. De Briellenaren koesterden grootse plannen voor denieuwe kerk. Het zou een basiliek met gigantische afmetingen worden; waar nu een blinde muur staat, had een dwarsschip en een koor moeten komen. De toren zou maar liefst 110 meter hoog worden. In 1456 was de bouw van de toren gevorderd tot bijna zestig meter hoogte, maar op 14 augustus brak een brand uit die het werk verwoestte. De toren stortte in en in 1462 werd opnieuw begonnen aan het kostbare werk. In 1482 gaf het stadsbestuur opdracht voor het gieten van de bronzen luidklok. De beroemde klokkengieter Steven Butendiic was verantwoordelijk voor het maken van de kolossale klok met een gewicht van 4.200 kilo. Aangezien de Brielse handelspositie ondertussen begon af te nemen droogde de geldstroom op. Talloze kleine en grot e tegenslagen, waaronder de stadsbranden van 1495, vormden aanleiding om de bouw van de kerk rond 1500 stil te leggen. Hoewel het gebouw nooit is voltooid, vormt het toch een indrukwekkende kerk in de sobere stijl van de Brabantse gotiek. De met Gobertanger, een blonde natuursteen, beklede 57 meter hoge toren domineert sindsdien het land van Voorne. Behalve drie luidklokken heeft de toren een carillon met 47 klokken. Na enkele belangrijke restauraties in 1938 en 1968 was de toren rond de eeuwwisseling opnieuw toe aan ingrijpend herstel. Vooral het natuursteen had veel te lijden van het steeds wisselende kustklimaat. Het door de wind opgestuwde regenwater kon daardoor diep in de toren binnendringen en daar verwoestend werk aanrichten aan het natuursteen, het metselwerk, de houtconstructie en het pleisterwerk. Na een grondige voorbereiding in de jaren 1996 – 1997 door de gemeente en restauratie-architect Van Hoogevest uit Amersfoort kende het Rijk een zogenaamde kanjersubsidie toe van ruim 1,3 miljoen euro, op een totaal aan kosten van bijna drie miljoen euro. De restauratie van de toren is in 2001 afgerond.

kerkfoto

(Bron: www.Catherijnekerk.nl)

Uitgelicht III

Angelus Merula (1482-1557)angelusmerula

Eind vijftiende en begin zestiende eeuw ontstonden in Europa nieuwe kerkelijke stromingen. Theologen als Luther en Calvijn kwamen met vaak opstandige ideeën over het geloof en dit werd door verschillende pastoors opgepikt en onder het volk verspreid. Engel Willemsz. De Merel (in het Latijn: Angelus Merula) werd in 1482 in Brielle geboren. Hij ging in Brielle naar de Groote school, de latere Latijnse school in de Venkelstraat. Vervolgens studeerde hij theologie in Parijs. Tot 1532 vervulde hij kerkelijke functies in Den Briel; daarna werd hij benoemd tot pastoor in het nabij gelegen Heenvliet. Merula was het – zoals velen in zijn tijd – niet eens met de grote invloed en rijkdom van de katholieke kerk. De bevolking was arm en had veel te lijden van de slechte economie en het strenge bewind van keizer Karel V, de vader van Philips II.

Merula probeerde hervormingen in het bestaande kerkelijke systeem door te voeren. Zijn reformatorische ideeën liet hij in zijn preken doorklinken. Hiervoor werd hij in 1552 gearresteerd door de Inquisitie, het kerkelijke opsporingsapparaat dat ketters te lijf ging en er op toezag dat men ‘goed katholiek’ bleef. Merula stierf na een gevangenschap van vijf jaar in het Belgische Bergen.

De constante dreiging van de Inquisitie bracht de ketters, de tegenstanders van het katholicisme, ertoe hun eigendommen veilig te stellen. Sommigen vluchtten en begroeven hun geld in de grond. Merula liet vlak voor zijn gevangenneming een akte opstellen waarin hij zijn bezit – woonhuis, zes armenhuisjes en landerijen met hun inkomsten – vermaakte aan Den Briel. In de akte werd bepaald dat Merula’s woonhuis een weeshuis moest worden. Het Merula-Weeshuis is tot 1948 als zodanig in gebruik geweest. De gelijknamige stichting is nog steeds actief.

Uitgelicht IV

Restauratie en herbestemming Begijnhofkapel

Over het Begijnenhof aan de Coppelstockstraat wordt in de annalen van de stad voor het eerst in 1413 melding gemaakt. Maar al in 1331 wordt van een zekere Kateline geschreven dat zij een, te Maarland woonachtige, begijn is. Eveneens onzeker is wanneer het hofje een eigen kapel heeft gekregen; het huidige gebouw zal omstreeks 1460 zijn verrezen. Frank van Borselen, heer van Voorne, bestelde in 1466 een gebrandschilderd raam voor ‘der beginen nieu kerck’ bij de Haagse glazenier Zweer van Opbueren. De kapel was vermoedelijk aan Johannes de Doper gewijd. Nadat in de eerste helft van de zestiende eeuw meer en meer huisjes leeg kwamen te staan, verhuisden de bewoonsters van het Vrouwenhuis vanuit een huis op de noordzijde van het Maarland naar het hofje. In 1571 waren er nog maar twee begijnen over en met de inname van de stad door de Watergeuzen, een jaar later, viel het doek voor het begijnenhofje definitief. De kapel verloor in 1572 eveneens haar kerkelijke functie en werd als turfpakhuis in gebruik genomen. In 2008 is gestart met een grondige opknapbeurt, ten dienste van een nieuwe bestemming voor mensen met een lichte verstandelijke handicap.

begijnhofkapel

Brielle