Ouwerkerkers voor 75 centen

Mevrouw Roosenschoon van de ‘Eerste Voornse Melkinrichting’

Mariette en Rudo Enserink bewonen sinds kort de Stationsweg 35 in Oostvoorne, voorheen de Eerste Voornse Melkinrichting. De dochter van de oude eigenaresse (die vorig jaar is overleden) heeft nog veel verhalen. Mariette en Rudo hebben beloofd die verhalen hier te delen.

De 'Eerste Voornse Melkinrichting' - klik op het artikel en het opent in een groter venster.

Het pand van de 'Eerste Voornse Melkinrichting', klik op de afbeelding en het opent in een groter venster.

Spelen in de spookhuizen

Het verhaal van een zomaar een Hellevoeter – Deel 1
door Wim Balijon

De naam Hellevoetsluis

Er was eens een plaatsje op het eiland Voorne, dat bij weinig mensen bekend was, waar vissers aan de oever visten. Bij een afvoergeul, die uitliep op het Haringvliet, voor het teveel aan water van verder gelegen boerderijen en gehuchten. Het werd Helle genoemd, naar, zoals men beweerde de naam van een vroegere Romeinse burcht Helinium.

Aan de voet van die geul bouwden vissers hun hutten. De geul groeven zij verder uit om hun vissersbootjes, vanwege de stroom in het Haringvliet, binnen te houden en zo ontstond een haventje. Zij woonden dus aan de voet van de hel of zoals men zei in Helvoet. Dit was in de jaren 1100 tot 1200. Ook was er vlak in de buurt een nederzetting van Vlaamse monniken, die er een Uithof bezaten.
Maar de inpoldering hiervan bleek niet te zijn opgewassen tegen de onberekenbare zee, zodat deze nederzetting geheel overspoeld werd.
Pas in 1982 is deze nederzetting blootgelegd. Alles hierover is in een prachtige kunstzinnige uitgave vastgelegd: ‘De Kunst van het graven’. Ravense Hoek: de geschiedenis een open boek’. Uitgegeven door en verkrijgbaar bij de Gemeente Hellevoetsluis, ISBN 90-806540-2-7.

De haven werd later verder uitgebouwd met kaden en een sluis: Hellevoetsluis.
Hoe Hellevoetsluis zich ontwikkelde tot de belangrijkste oorlogshavenstad van Nederland in de Middeleeuwen en hoe het haar verder verging heeft Bob van Dijk op een boeiende en leuke wijze verteld in het weekblad Panorama (zie: Bob van Dijk). Zelf heb ik dat artikel met nog wat foto´s verluchtigd.

Zoon van de petroleumboer

In dat plaatsje ben ik geboren op 4 juni 1925. In een gezin waar al een zusje Janny was en een broertje Nanne, we verschilden anderhalf jaar in leeftijd. Mijn vader was Jan Balijon, de petroleumboer. Hij was getrouwd met een friezin, Antje Koopmans, dochter van een Tjalkschipper uit Friesland. Het was een warm gezin, orthodox hervormd, gebaseerd op het calvinistisch gedachtegoed. We woonden in de Molenstraat 15.

Vader, kar en trekhond

Vader met mij (5 jaar)

De Molenstraat

Beneden in ons huis was een pakhuis waar de petroleumkar ‘s nachts in stond, en er was een machine om de petroleumkannen te vullen, 4 liter in elke kan. Achter het huis was een hondenhok voor de trekhond.
Als kind ging ik vaak met m´n vader mee en probeerde de adressen van de klanten te onthouden, want ik dacht, dat ik het later over moest nemen.
Naast ons woonde Rietdijk met zijn smederij, het beslaan van paarden vond ik als kind een spannend om te zien. Het geluid van het smeden werd niet als overlast ervaren, dat hoorde er gewoon bij.

 

 

 

Een dubbelmannen kwartet

Op zomeravonden zong op de buitenwerkplaats een koor, een dubbelmannen kwartet, dat geweldig was om te beluisteren. Verderop was de molen, waar ook volop bedrijvigheid was. De vrouw van molenaar De Wilt, was een kennis van mijn moeder, zodat ik de molen van binnen mocht bezichtigen. Ik herinner me nog die grote molenstenen, die een geweldige indruk op mij maakten.
Op de hoek van de straat was het snoepwinkeltje van Wouterse; voor één cent kon je snoep kopen. Er stond een grote glazen bak met allemaal vakjes snoep, zodat het moeilijk was een keuze te maken. Aan het eind van de straat om de hoek was de Christelijke School met de Bijbel, waar wij naar school gingen.

De ‘leegloop’

Toen ik opgroeide werd Hellevoetsluis van een bruisend stadje geleidelijk aan afgebouwd tot wat men noemde een ‘Dode Stad’. Het was een belangrijke marineplaats met ooit ongeveer 5.000 inwoners en waar Piet Hein en Michiel de Ruijter hun schepen binnenloodsten. Hellevoetsluis was ook de thuishaven van het beroemde schip de ‘Zeven Provinciën’, waar Michiel de Ruyter geschiedenis mee maakte. Stadhouder Willem III voer met een grote vloot uit Hellevoet naar Engeland om daar Koning van Engeland te worden.

Door het vertrek van de Marinewerf in 1933-1934 naar Den Helder verloor mijn vader soms, als een afdeling werd overgeplaatst, wel 100 klanten op één dag. We woonden in een eigen huis, dus rente en aflossing van de hypotheek gingen gewoon door. Mijn moeder moest kostgangers gaan houden en kamers verhuren. Door het vertrek van al die mensen moest ook de Christelijke school sluiten en moesten mijn broer en ik de laatste twee jaren naar de Christelijke School in Nieuw Helvoet. In 1935 kreeg ik er nog een broertje bij en toen was ons gezin compleet.

Spelen in de spookhuizen

Ja, als opgroeiende kinderen hoor je wel klagen, maar je hebt tóch je eigen leventje. De grote leegstand van huizen vonden wij als jongens prachtig. We speelden verstoppertje, maakten tussen de huizen gaten in de tussenmuren en konden dan een hele straat binnendoor. ‘s Avonds in de winter was het echt geheimzinnig en maakten we elkaar bang met spookverhalen. Meestal in de Peperstraat, waar op de hoek het café was van Van den Berg, waar we later veel gingen biljarten.

 

 

Op de zandplaat

Mijn broer Nanne en ik hadden een vriendje, Jan Uitterlinden. Wij waren altijd creatief bezig. We kampeerden op de gorzen en op een keer bij eb op een droge zandplaat. We hadden een wekker, die het alleen deed als hij op z´n kop lag en dat werd wel eens vergeten. Het werd al donker en we besloten te gaan slapen en dachten niet aan thuis. Toen het donker was hoorden we in de verte op de zeedijk roepen, dat het water bijna tot aan de tent was, want het werd vloed. Er stonden veel mensen op de dijk, ook onze ouders en de veldwachter Haaij. Gelukkig maar, anders waren we door het water ingesloten en had het wel eens verkeerd kunnen aflopen.

Sliksleeën

Bij eb viel een heel stuk gorzen droog, wat wij ‘de slikken’ noemden. Als je langzaam liep kon je zo tot je knieën wegzakken. Mijn broer Nanne had weer een idee. De meeste ideeën kwamen van hem en hij had ook altijd de leiding. Over de slikken sleeën, dus gingen we sliksleeën maken. Hij maakte een tekening en aan de hand daarvan gingen we aan de slag. Zo hebben we er drie gemaakt en dat ging prima, met grote snelheid vlogen we over de slikken.
We hebben ook een geheime bergplaats gemaakt, waarin we ze konden verbergen, want naar huis meenemen kon natuurlijk niet.
Ook werden er op het houten hoofd van de haven, achter de vuurtoren, of beter gezegd onder het hoofd over de balken bij eb gevaarlijke capriolen uitgehaald. Die balken waren soms spiegelglad en er werd verstoppertje gespeeld. Tussen de buitenwand, die dubbel was, kon je wegkruipen. Als het vloed werd moest je wel zorgen dat je weg was anders kwam je er niet meer onderuit.

Hoofd en vuurtoren (ets van Frans Spuijbroek)

Op het ´hoofd´

De ambachtsschool

Na de lagere school gingen we naar de Ambachtsschool in Den Briel, dat was tien kilometer fietsen. Op die school merkten wij, dat we als Hellevoeters niet zo welkom waren, ook sommige leraren lieten dat duidelijk merken, zelfs door het geven van lagere cijfers. Ik wist toen niet, dat die afgunst van de Briellenaren zelfs nog uit de Middeleeuwen stamde, maar dat heeft u kunnen lezen in het eerder genoemde artikel uit de Panorama.

 

Ambachtsschool te Brielle

 ‘Nut van´t Algemeen’

Als creatievellingen moesten we altijd iets maken, en dan heb je geld nodig en dat hadden we niet. Het zakgeld bedroeg 15 cent per week. We wilden een kano maken en daar heb je hout, stopverf, verf, spijkers en dergelijke voor nodig. We ‘organiseerden’ het hout van viskisten van de visboer Willem Otte, die het oogluikend toeliet en onze activiteiten wel kon waarderen. Verder sloopten we ook hout en loden afvoerpijpen uit de lege huizen en vroegen afvalbeenderen van de slager Wessel en verkochten die zaken aan de voddenboer Van der Sluis. Die vroeg nooit waar het vandaan kwam.
We hebben bloemen uit de tuin van de kerk verkocht voor het ‘Nut van´t Algemeen’, dat waren wij zelf dan. Stopverf en die zaken kochten we bij de schilder Dijkgraaf op de Oostkade. En zo kwam er een kano tot stand.

Jan, Wim en Nanne

Met de kano op ´t Haringvliet

De Christelijke Jongelings Vereniging

Wij waren ook op de Christelijke Jongelings Vereniging, de ‘knapen-vereniging’, onder leiding van de Heer Bal. Er waren jongens uit Hellevoetsluis en omstreken lid van. Je hoefde niet christelijk te zijn, als je je maar aan de regels hield, zoals niet vloeken en de bijbellezing bijwonen.
Er waren allerlei activiteiten, zoals dam- en schaakclubjes, figuurzagen en niet te vergeten de alom bekende ‘fluitclub´ onder de eminente leiding van Wim Dubbelt. Nanne was tamboer, maar kon ook goed (dwars)fluiten, Jan en ik waren fluitist. Wim Dubbelt was al sinds 1927 aan de club verbonden. Op 16-jarige leeftijd nam hij al de leiding over van dit korps. Toen hij naar De Haag verhuisde voor zijn werk, heeft hij nog meer dan tien jaar heen en weer gependeld. Wat een motivatie!

Tamboer en Pijperscorps ´Wilhelmina´ Hellevoetsluis

´Ons Genoegen´

Ook was er een zangvereniging ´Ons Genoegen´ in Hellevoetsluis onder leiding van een ‘oude’ operazanger, Van der Linden, waar wij ook bij waren. Mijn zus Janny was solozangeres en op kosten van de Vereniging kreeg zij twee jaar les op het Conservatorium in Rotterdam. Op uitvoeringen in Casino achter café Van Soest zong zij aria´s en duetten met de dirigent voor volle zalen.

Glassnijden achter slot en grendel

We gingen met z´n drieën wel eens naar de markt in Rotterdam. Zo hadden we eens drie glassnijders gepikt en we hadden wel eens op de film gezien dat je daarmee een ruit kon uitdrukken met een doek en groene zeep. Dat moest natuurlijk uitgeprobeerd worden in een huis in de Hoofdwachtstraat, dat te koop stond. Wij druk aan het oefenen en het lukte aardig. Aan de de overkant woonde iemand, die geschrokken was van de herrie en de veldwachter Duisterhof waarschuwde, die direct kwam. Wij vluchtten in de wc en deden de deur op slot. Hij bulderde: ‘In naam van de Koning, doe open die deur!’
Op het politiebureau werden we afgehaald door onze vader, met een laatste waarschuwing en inbeslagneming van de glassnijders.

Volgende keer Deel 2 van het vierdelige feuilleton van Wim Balijon.

Gecrashte straaljagers op Voorne-Putten

door: Bob Benschop

‘Ik hoorde het geluid van overvliegende straaljagers,’ verklaarde Adriaantje Weltevreden tegenover opperwachtmeester Romijn van de Koninklijke Marechaussee. Ze had die dinsdagmiddag 26 mei 1964 op het terras van de strandtent in Rockanje gezeten, toen ze getuige was van een spectaculair ongeluk. ‘Plotseling hoorde ik een klap in de lucht. Het was geen scherpe knal en ook geen doffe dreun. Ik keek in de lucht en zag ongeveer midden boven het Haringvliet een vliegtuig een flauwe bocht naar rechts maken. De hoogte kon ik moeilijk schatten. Toen het vliegtuig in die flauwe bocht draaide, kwam het plotseling in een steile duik omlaag en het viel in het water. Aanvankelijk dacht ik dat de piloot in het toestel aan het ‘stunten’ was, doch toen het vliegtuig kort boven het wateroppervlak kwam, begon het te draaien en in een spiraalbeweging dook het vliegtuig in het water, hetgeen gepaard ging men het opspatten van een waterzuil. Toen het vliegtuig naar beneden viel, heb ik geen rook gezien. Het vliegtuig heb ik in haar geheel onder water zien verdwijnen. Het is niet in stukken naar beneden gekomen. Toen het vliegtuig al even onder water was, zag ik een parachute in de lucht hangen, waaraan een man hing. De man werd later door een bootje uit het water opgepikt. Ik heb die parachute geruime tijd in de lucht zien hangen en ik schat deze tijd, gerekend met hetgeen in die tussentijd allemaal gebeurde ongeveer 40 a 45 seconden.’

Verder lezen