• Hele oude dingen - Archeologie: Brielle
  • Geen categorieën

”Het kanon van de Brederode terug in het stadhuis van Brielle”

”Het kanon van de Brederode is thans teruggeplaatst van het Maerlantcollege naar de hal van het stadhuis.”foto gemaakt door F. Keller

foto gemaakt door F. Keller

Door: drs. A. A. van der Houwen

Het kanon van de Brederode:  een Deens geschenk.

In de hal van het Maerlant College aan de Burgemeester H. van Sleenstraat staat een eeuwenoud kanon opgesteld. Van nabij is de ouderdom er duidelijk van af te lezen. Het kanon heeft 250 jaar op de zeebodem gelegen, tussen de wrakstukken van het Nederlandse oorlogsschip de Brederode, dat in 1658 zonk in de Sont, de zeeëngte tussen Denemarken en Zweden. De tand des tijds en de uitwerking van het zeewater zijn goed zichtbaar. Oorspronkelijk woog het ijzeren stuk geschut 2.000 kilo, door corrosie weegt het momenteel niet meer dan 1.875 kilo. Het kanon werd in 1909 geborgen en door de Deense regering aan

ons land geschonken. Vervolgens werd het op verzoek van Brielle aan deze stad in bruikleen gegeven ‘om aldaar te worden tentoongesteld’.Het kanon herinnert aan de Brielse zeehelden Maarten Harpertsz Tromp (1598-1653) en Witte Cornelisz de With (1599-1658), maar is misschien nog wel meer een tastbare herinnering aan het schip de Brederode, waarop beiden overwinningen behaalden, maar waarop zij ook beiden sneuvelden.

De Brederode.

Het schip-van-oorlog de Brederode (1646-1658) was in zijn tijd een beroemd schip; op veel schilderijen is het afgebeeld. De Brederode behoorde tot de admiraliteit van de Maze en was gebouwd in Rotterdam onder leiding van de beroemde scheepsbouwmeester Jan Salomonsz. van den Tempel, die ook de Aemilia, het vlaggenschip van Tromp, heeft gebouwd. Toen het schip in 1646 van stapel liep was het het grootste en sterkste oorlogsschip van de Republiek; het voerde ruim vijftig stukken en had een bemanning van 270 koppen. Het werd vernoemd naar Johan Wolfert van Brederode (1599-1655), de Eerste Edele van Holland, en voorzitter van de Ridderschap en zwager van stadhouder Prins Frederik Hendrik. Het schip zou een roemrijke staat van dienst opbouwen.

Witte Cornelisz de With

De vice-admiraal van de admiraliteit van de Maze, Witte de With, was nauw betrokken bij de bouw van het schip. Het te bouwen schip moest dan ook zijn eigen schip, de Maagd van Dordrecht, vervangen. In april 1646 maakte De With met de Brederode de maidentrip. Gedurende vier maanden kruiste hij met het nieuwe schip in het Kanaal, om daarna Duinkerke te blokkeren terwijl dat aan de landzijde door de Fransen werd belegerd. In oktober 1647 viel het kapersnest in Franse handen en kon De With met zijn vloot terugkeren. Bij het binnenbrengen in Hellevoetsluis is de Brederode, zoals De With zijn superieuren schreef, ‘zeer ontramponeert geworden’ doordat het galjoen bij een aanvaring werd beschadigd.

Brazilië

Na de val van Duinkerke werden alle grote oorlogschepen opgelegd, behalve de Brederode. Het was het vlaggenschip van Witte de With, toen hij eind 1647 met een vloot van twaalf oorlogsschepen, transportschepen en 6.000 man koers zette naar Zuid-Amerika. Daar werden de bezittingen van de W.I.C. op de kust van Brazilië bedreigd door aanvallen van Portugezen en toenemende onrust onder de bevolking. Dit ‘Nieuw Holland’ was voor de W.I.C. van groot belang: het sloot de economische driehoek Europa-West- Afrika-Brazilië. De Heeren Negentien hadden de Staten Generaal dan ook om steun verzocht. De With kon echter weinig uithalen. Te land boekte de vijand succes na succes, op zee ging zij de strijd uit de weg. Voor de driftige De With waren het loodzware maanden. Zijn verstandhouding met de Hoge Raad, het bestuurslichaam van Brazilië, daalde tot een dieptepunt. Het liefst zocht De With de aanval; hij wilde de Portugese vloot opzoeken en strijd leveren, maar de Hoge Raad, die verdediging belangrijker vond, gaf daarvoor geen toestemming. Bovendien vreesde hij voor zijn schepen; deze leden sterk onder de tropische omstandigheden; zij werden ‘extraordinaer van de wormen gegeten’. Dit gaf voor hem de doorslag. Wanneer hij langer in Recife bleef, zo vreesde de vice-admiraal, dan zou zijn vloot niet meer in staat zijn om

de overtocht naar de Republiek te maken. Tegen de uitdrukkelijke wens van de Hoge Raad in, vingen de Brederode en de Gelderland de thuisreis aan. Op 28 april 1650 gingen zij voor Hellevoetsluis voor anker. Het eigenmachtig optreden van De With kreeg een staartje. Toen hij twee dagen later verslag deed van zijn reis werd hij gevangen gezet. Na een proces van vijf maanden, waarin zelfs de doodstraf werd geëist, werd hij in vrijheid gesteld, op verbeurd verklaring van zijn gage vanaf het moment dat hij Brazilië had verlaten, en tegen betaling van de kosten van het proces.

Eerste Engelse Oorlog

De Brederode was in de tussentijd gegeven aan Maarten Harpertsz. Tromp, wiens Aemilia in 1647 was verkocht. Tromp was erg in zijn sas met de Brederode. Hij roemde het schip als ‘een van de beste seylders van de vloote’. Die kwaliteiten zouden het schip goed van pas komen. De jaren daarop raakte de Brederode regelmatig slaags met de Engelse vloot. Het eerste incident vond plaats op 29 mei 1652 nabij Dover. Door een nog steeds onduidelijke oorzaak beschoot Blake, de Engelse bevelhebber, de Brederode, toen het schip langszij kwam en een sloep uitzette. Het schip liep daarbij schade op en enkele matrozen raakten gewond. De verraste Tromp reageerde aanvankelijk niet, om de zaak niet te laten escaleren. Niettemin

ontaardde dit in een vijf uur durend gevecht. De Engelsen legden later de schuld bij de Nederlanders en wezen erop dat de vlag niet naar behoren zou zijn gestreken. Achteraf bezien was dit ‘vlagincident’ het begin van de Eerste Engelse Oorlog. Die oorlog verliep rampzalig. De Engelse vloot hield flink huis onder de Nederlandse vissersvloot op de Noordzee. Tien van de twaalf begeleidende oorlogschepen werden veroverd. Toen Tromp met een vloot van 92 schepen en zeven branders, bemand met 11.000 zeelui en soldaten naar de Engelse vloot op zoek ging, werd hij bij de Shetland-eilanden overvallen door een zware storm. Elf oorlogsschepen gingen daarbij verloren. Dit kostte Tromp zijn positie. In augustus werd hem het opperbevel afgenomen, dit werd vervolgens opgedragen aan Witte de With.

Oktober 1652: een zwarte bladzijde

Kort daarop was er voor de Brederode opnieuw een rol weggelegd, ditmaal bepaald geen strijdlustige. In oktober 1652 kreeg De With nabij Duins de Engelse vloot in het oog. Hoewel zijn vloot duidelijk in de minderheid was, wilde hij met zijn schepen tot de aanval overgaan. Bij het overgaan van zijn Princesse Louise naar de Brederode, weigerde de bemanning hem echter aan boord te laten. Zij zagen in hem de tegenstander van hun Bestevaer Tromp en meer nog: zijn reputatie was hen bekend. Hij zou zich als een dolle hond op de vijand werpen. De bemanning verklaarde ‘(wij) sullen niet vechten naar behooren en souden liever een laech schut op hem lossen’, indien De With de Brederode als vlaggenschip zou nemen. Het optreden van de bemanning van de Brederode was tekenend  voor de stemming binnen de vloot. De nieuwe Engelse vijand boezemde velen ontzag in. Niettemin gaf de With bevel tot de aanval. Zoals van hem verwacht werd, wierp De With zich op 8 oktober aan het hoofd van de vloot in de strijd, aan boord van een geleend V.O.C. schip, waar hij een niet bekwame bemanning trof en hij naar eigen zeggen ‘de ampten van capiteyn, luytenant, stierman, constapel, constapelsmaets, jae tot provoost incluys (…) moest aenvatten.’ De strijd duurde tot het donker werd. De moed van De With werkte niet aanstekelijk, integendeel. Tijdens de krijgsraad aan het begin van de tweede dag waren er meer en meer kapiteins onwillig om de overmacht het hoofd te bieden. En hoe De With ook dreigde: ‘ik verzeker het U, (er) is nog hout genoeg in het Vaderland om galgen te maken’, het mocht niet baten. De Ruyter en Evertsen raadden hem aan om vooral niet zelf de aanval te kiezen. Daar moest De With zich bij neerleggen. Ook de Engelse admiraal Blake likte zijn wonden en pas laat in de middag liet deze zich weer zien. Opnieuw was het De With die de spits vormde, en daarmee de vloot kans gaf tot een gecontroleerde terugtocht. Tenslotte wist hij zijn vloot zonder groot verlies thuis te brengen. De nederlaag in de Tweedaagse Slag bij Duins of Kentish Knock, leidde tot het ontslag van een aantal kapiteins die zich laf hadden gedragen en hun schepen buiten de strijd hadden gehouden. De confrontaties met de Engelsen maakten één ding duidelijk: de Engelse schepen en kanons waren superieur aan die van de Republiek. Het zou een kwestie van tijd zijn voor de Engelsen de volledige overhand zouden hebben.

De bezem in de mast

Kort daarop kon de Brederode zich van smet zuiveren. Tromp keerde terug aan boord en aan het hoofd van de vloot. Hij kreeg opdracht een koopvaardijvloot te begeleiden door het Kanaal naar het zuiden. In het Kanaal trof Tromp een deel van de Engelse vloot onder Blake. De Slag bij Dungeness, op 9 en 10 december 1652, werd een grote Nederlandse zege. Na afloop zou – volgens een Engelse legende – Tromp een bezem in de mast van de Brederode hebben gehesen om aan te geven de zee te hebben schoongeveegd. Of Tromp werkelijk zo opgetogen zal zijn geweest is zeer de vraag. Zijn vloot en vooral zijn schip was zwaar gehavend. De enige reden om het niet zelf tot zinken te brengen was dat de Brederode nog steeds één van de beste zeilers was en, indien de onderste kanons konden worden gebruikt, ook het meest verwoestende. Dungeness bleek een Pyrrhus-overwinning. De Engelsen trokken lering uit de nederlaag en zetten de volgende maanden alles op alles om de vloot te herstellen: schepen werden gerepareerd, officieren die niet voldeden werden ontslagen, nieuwe generals at sea aangesteld, discipline aangescherpt en gages verhoogd. Toen Tromp eind februari terugkeerde van zijn konvooireis wachtte een vloot hem op aan de Engelse zuidkust. Drie dagen duurde de strijd, waarbij de Engelsen zich niet bekommerden om de koopvaarders, maar zich richtten op het vernietigen van de vloot. Daarin slaagden zij niet, maar de vloot leed wel grote schade. De Brederode was zo zwaar gehavend dat het schip in Hellevoetsluis grondig hersteld moest worden en niet kon uitvaren toen Tromp begin mei opnieuw in zee stak. Op 3 juni voegde de Brederode zich bij de vloot en nam Tromp aan boord. Het was de bedoeling geweest om de Theems te blokkeren, maar de Engelse vloot was reeds naar buiten gekomen. Op 12 juni 1653 troffen beide vloten elkaar bij Nieuwpoort. Hoewel het aantal schepen (elk 100) ongeveer gelijk was, gaf het zwaardere bronzen geschut de Engelsen de overhand en Tromp en zijn officieren moesten hun superieuren melden dat de Engelsen werkelijk de betere partij vormden en er zonder aanpassingen geen sprake meer kon zijn van gelijke strijd. De krachtmeting met de Engelse vloot maakte nóg iets duidelijk. De Engelsen hadden een nieuwe strijdmethode geïntroduceerd: het liniegevecht. Daarbij voeren de schepen in linie achter elkaar en gaven de vijand de volle laag. De mêlee, de oude manier van vechten waarbij de vloten zich op elkaar storten en min of meer een lijf aan lijf gevecht aangingen, behoorde tot het verleden. Dit betekende dat de schepen groter moesten worden en de kanonnen een groter bereik dienden te hebben. Voor een mêlee moesten schepen snel en wendbaar zijn, voor een bombardement dienden zij juist over veel vuurkracht te beschikken. De Brederode was één van de weinige schepen die aan de moderne eisen voldeed, maar had in de strijd een groot aantal treffers moeten incasseren, waaronder verscheidene schoten onder de waterlijn. Pompend en met een kruitkamer die blank stond, keerde het schip terug in het vaderland. Daar werd met verslagenheid gereageerd op het dramatische verloop van de oorlog. De zeehandel lag stil en vervangende oorlogsschepen waren nauwelijks beschikbaar. Voor het eerst in de geschiedenis blokkeerde een Engelse vloot de kusten van Zeeland en Holland.

Ter Heijde, de dood van Tromp

In augustus 1653 werd een poging ondernomen de blokkade te doorbreken. Op 8 augustus trof Tromp, op weg naar het noorden om De With af te wachten, de Engelse vloot bij Wijk aan Zee. De volgende dag slaagde Witte de With er in om zich met zijn schepen bij de hoofdmacht te voegen. Op 10 augustus brandde de strijd los. Het zou de laatste strijd worden voor Tromp. De strijd was zeer verbitterd, de Brederode zocht voortdurend de aanval en viel het ene schip na het andere aan. De vierde charge werd Tromp fataal, hij werd door een musketkogel in de borst getroffen en stierf kort daarop in zijn hut. De With nam de leiding over en wist de zwaar gehavende vloot in redelijke orde naar Texel te loodsen. De Slag bij Ter Heijde was verloren, maar had zijn doel bereikt: de Engelse vloot was zo zwaar gehavend, dat zij de blokkade moest opgeven en zich terugtrok. Vredesbesprekingen leidden in 1654 tot de Vrede van Westminster. De volgende jaren was het relatief stil. Korte tijd was de Brederode vlaggenschip van de nieuwe vlootvoogd luitenant-admiraal Jacob van Wassenaar Obdam (1610-1665), totdat hij ‘de Eendracht’ kreeg, het grotere schip kreeg dat voor Tromp was gebouwd. De Brederode kwam weer onder bevel van Witte de With en diende als kruiser voor de kust.

De Oostzee

Onder De With voer de Brederode kort daarop naar Dantzig. Voor de Republiek was de handel op de Oostzee van enorme betekenis. Het hout en graan dat men in de Oostzee kocht, vormden een onmisbare schakel in de handelsketen die het land met Zuid-Europa verbond. Het was de Republiek er alles aan gelegen om rust en evenwicht in dit gebied te bewaren, zodat de ‘moedernegotie’, zoals de Oostzeehandel werd genoemd, ongestoord kon doorgaan. In het midden van de 17e eeuw was dit moeizaam: Zweden was onder leiding van Karel X Gustaaf (1622-1660, koning vanaf 1654) aan een expansie bezig, waarbij de gehele Oostzeekust in Zweedse handen of invloedsfeer kwam. In de Republiek werd dit alles met bezorgdheid gevolgd. Toen de Zweden de stad Dantzig – wellicht de belangrijkste handelsstad voor de Republiek in de Oostzee – bedreigde, greep de Republiek in en stuurde schepen. De vloot stond onder bevel van Wassenaar Obdam. Ook de Brederode voer mee naar Dantzig, waar het schip werkloos bleef liggen tot 6 oktober. De aanwezigheid van de vloot was voldoende om de Zweedse koning van een aanval op de stad te doen afzien. Op 6 november 1656 ging de Brederode voor Hellevoetsluis voor anker. Twee jaren later moest de Brederode opnieuw naar de Oostzee. Karel X had een beleg geslagen voor Kopenhagen en dreigde Denemarken binnen zijn invloedsfeer te krijgen. De Republiek besloot in te grijpen en zond een vloot onder Wassenaar Obdam om de Denen te ontzetten.

De Slag in de Sont

In de vroege morgen van 8 november zeilde de Nederlandse vloot van 35 schepen met een noordenwind de Sont in. Daar wachtte de Zweedse vloot van 45 oorlogsbodems onder Carl Gustaf Wrangel haar op. In het nauwe vaarwater was weinig ruimte tot manoeuvreren en al spoedig ontstond een mêlee. De With voerde de vloot aan, eerst stortte de Brederode (59 kanons) zich, samen met de Eendracht (72 kns) van Wassenaar Obdam, op de Victoria (74 kns) van Wrangel. Daarbij werd het Zweedse vlaggenschip zo gehavend dat het zich uit de strijd moest terugtrekken. Vervolgens viel De With het viceadmiraalschip de Draak (66 kns) aan, dat van verschillende kanten hulp kreeg. Terwijl de Brederode verbeten vocht tegen vier schepen, raakte het afgezonderd van de eigen vloot. Het verloop van de strijd is later veelvuldig besproken: werd De With willens en wetens in de steek gelaten of had hij zijn hand overspeeld? Feit is dat de Brederode er alleen voor stond, zich aan de vijanden vastklampte en warempel ook nog de hardste klappen uitdeelde. Maar toen sloeg het noodlot toe: het schip liep aan de grond en kon zich niet langer verweren. Toch was de strijd nog niet gestreden. De Zweden moesten het schip in een man tegen man gevecht veroveren. Daarbij werd De With dodelijk getroffen door een kogel. En nog weigerde hij op te geven. Pas toen het schip averij maakte, verliet hij stervend zijn schip om een kwartier later aan boord van de Draak te sterven. Niet veel later kapseisde de Brederode en zonk. De Slag in de Sont werd een overwinning voor de Nederlanders, Kopenhagen werd ontzet en de Zweedse vloot wered bij Landskrona geblokkeerd. De strijd was hevig geweest en de prijs hoog. De Republiek verloor in Witte de With een unieke zeeheld. Zijn lichaam werd, op last van de Zweedse Koning gebalsemd en met alle militaire égards behandeld, overgedragen aan de Nederlanders. Dubbelwit kreeg een praalgraf in de Grote Kerk van Rotterdam. Het roemruchte schip de Brederode zou nooit meer terugkeren. Het schip kreeg een zeemansgraf in de Sont. Hoewel het schip in ondiep water zonk, kon het niet gelicht worden. Wel slaagde in 1660 ene Trewleben er in om met grijpers 26 stukken geschut en verschillende andere onderdelen van het wrak te lichten. Daarna werd het schip met rust gelaten en vergeten.

De ontdekking van de Brederode

Bijna 250 jaar later, in 1909, zou het wrak van de Brederode worden herontdekt. Daarbij werd onder meer een kanon geborgen. ‘For old times sake’ besloot de Deense regering om het kanon ten geschenke te geven aan Nederland. In augustus 1910 nam het Nederlandse marineschip m.s. Evertsen het kanon aan boord en bracht het over naar Amsterdam, waar het een plaatsje kreeg in het Rijksmuseum.

Johannes Karel Overbeeke (1845-1939)

Aan het kanon is de naam van J.K. Overbeeke verbonden, hij haalde het geschut naar Brielle. Maar als niet ene N.J. de Vloota uit Z. een oproep had geplaatst in de beide Brielse kranten om actie te ondernemen om het kanon naar Brielle te halen en het daar ‘op één van Brielle’s openbare pleinen’ tentoon te stellen, zou het kanon waarschijnlijk nooit in Brielle zijn gekomen. Een eerder artikel over het Deense geschenk had in de stad geen enkele reactie uitgelokt. De Vloota werkte de Briellenaar echter op het gemoed. ‘Waar zou het ooit beter plaats kunnen vinden, dan in de geboortestad van Witte de With?’, luidde de vraag die de ons helaas verder onbekend gebleven instigator stelde, ‘waar zou het beter in staat zijn de snaren van het vaderlandsch gemoed te doen trillen, dan daar, waar Dubbel Wit geboren werd en zijn eerste levensjaren doorbracht?’ De reacties liepen uiteen: de Brielse Courant temperde de geestdrift door erop te wijzen dat het geen eenvoudige zaak zou zijn het kanon in Brielle te plaatsen. De redactie stelde met spijt vast, dat er niet eens een stedelijke oudheidkamer bestond. En hoe dat kwam, was wel duidelijk, want ondanks het krediet dat de gemeenteraad beschikbaar had gesteld, waren ‘De Briellenaars zelf (…) niet te bewegen om door onderlinge samenwerking dat geringe verzamelplaatsje voor Brielsche antiquiteiten tot stand te brengen’. De Nieuwe Brielsche Courant daarentegen reageerde enthousiast. De hoofdredacteur Overbeeke viel het voorstel volmondig bij: ‘werkelijk, het idee (…) lacht ons zeer tegen’ schreef hij. Hij noemde zelfs al een goede plaats voor het kanon: ‘op het Asylplein, vlak voor het standbeeld De Nymph zou het een eereplaats innemen’ en zegde dan ook zijn medewerking toe: ‘wij willen gaarne medewerken om onzen gemeenteraad te bewegen stappen te doen.’ Overbeeke had recht van spreken. Hij was zelf raadslid en reeds een week later bracht hij het voorstel in de gemeenteraad ter sprake. Zijn pleidooi had succes en nog diezelfde avond werd besloten een rekest op te stellen en werd Overbeeke gemachtigd dit namens de raad persoonlijk te gaan aanbieden. De plannen bleven niet onopgemerkt; kort daarop werd zelfs in de Nieuwe Groninger Courant over de Brielse plannen gesproken. Met instemming schreef men ‘De Raad van Den Briel vraagt nu voor Den Briel dat kanon op. Het moet op een plein een herinnering zijn aan den grooten Briellenaar Tromp en zal dan beter zijn bestemming vervullen dan slapend in eenig museum.’ Het officiële verzoek moest toen nog ingediend worden, maar was inmiddels wel gerijpt in het hoofd van Overbeeke: de Brederode was vlaggenschip geweest van De With en Tromp, twee Brielse admiraals. Dáárop moest de nadruk liggen, en op een verantwoorde plaats. Ten slotte luidde het verzoek: ‘(dat) het dus voor deze gemeente eene groote eer zou zijn, wanneer vorenbedoeld kanon geplaatst kon worden op één der openbare pleinen te Brielle, of indien het tegen den invloed van de buitenlucht beschermd moet worden, in de Sint Catharijnekerk, vlak bij de plaats waar de beide ouders van den zeeheld (De With, AAvdH) begraven liggen, in welke kerk hij zelf het ambt van diaken bekleed heeft, en waar Maerten Harpertszoon Tromp gedoopt werd’. Met dit verzoekschrift toog Overbeeke naar Den Haag om de zaak persoonlijk te bepleiten. Daarin had Overbeeke al evenzeer succes: het verzoekschrift werd positief ontvangen en reeds op 26 oktober gaf, na machtiging van Koningin Wilhelmina, de Minister van Binnenlandse zaken een verklaring van bruikleen aan Brielle af voor het kanon ‘om aldaar te worden tentoongesteld’.

Naar Brielle

In de raadsvergadering van 9 november kwam het kanon ter sprake. De voorzitter kon melden dat de inspanningen beloond waren. De gemoedelijke sfeer leek even verstoord toen het raadslid Van der Knoop vroeg of de ‘kleine kosten’, die er volgens de burgemeester nog gemaakt moesten worden, toch niet te groot zouden zijn, omdat dat voor de financiën een bezwaar zou kunnen worden. Overbeeke voelde zich hier persoonlijk aangevallen en zei hierover dan ook ‘een weinig warm te worden.’ Hij herinnerde Van der Knoop eraan dat de raad hem met algemene steun op pad had gestuurd om het kanon te bemachtigen en nu hem dat gelukt was, ging ‘er een stem op tegen de kosten!’. Hij vond het een schande; desnoods moest men de kosten maar onder elkaar verdelen. Van der Knoop onthield zich wijselijk van verder commentaar. In de volgende maanden moest er veel georganiseerd worden, waarbij de belangrijkste vraag was, hoe kon het kanon naar Brielle worden overgebracht, het liefst met weinig kosten. Dit werd mogelijk door de medewerking van majoor J.E. Fabius, de  commandant van het Korps Torpedisten. Deze stelde enkele van zijn schepen ter beschikking, maar moest daarvoor op zijn beurt van hogerhand toestemming ontvangen. Het zou nog enige maanden duren, maar op maandagmorgen 13 februari vertrok de stoomboot Den Briel met bestemming Amsterdam, waar de volgende dag met behulp van militairen van de Vestingartillerie, die over voldoende materiaal en manschappen beschikten, om het aan boord zetten mogelijk te maken. De dinsdag werd in beslag genomen om het kanon aan boord te nemen van een barkas, die de Den Briel als sleep had meegenomen. Weer een dag later vertrok het schip met de sleep vanuit Amsterdam. Via de binnenwateren bereikte de Den Briel ‘s avonds rond zeven uur Brielle. De volgende dag werd het kanon opgeborgen in de sloepenloods aan het Kostverloren waar het eens goed bekeken kon worden. Het kanon bleek te hebben geleden door de eeuwen onder water en leed nog steeds door de restanten van het zout. Door inroesten vielen hele stukken van de opperhuid af en droop er voortdurend roestwater uit. Navraag bij het Rijksmuseum leerde dat het kanon verhit moest worden en vervolgens met olie gedrenkt. In het Torpedomagazijn aan de Lijnbaan werd de volgende maanden een affuit vervaardigd. Op 26 oktober 1911 kon het kanon naar de vestibule van het stadhuis worden overgebracht. De Archiefcommissie werd belast met de verdere zorg omtrent het geschut. De archivaris Joh.H. Been schreef een begeleidende tekst die door Overbeeke’s drukkerij werd gedrukt en naast het kanon werd opgehangen. De volgende decennia was het kanon niet meer weg te denken uit het stadhuis; het zag bezoeken van het Koninklijk Huis, het binnentrekken van de Duitse bezetter en de komst van de Canadezen en werd gezien door al die honderden Briellenaren die wekelijks het stadhuis in- en uitliepen.

Kanon vermist

In de jaren vijftig ontstond er enige commotie rond het kanon. In 1954 was de Brederode voor een tweede keer ontdekt en weldra deed het verhaal de ronde dat de Deense regering met plannen speelde om het wrak te lichten, zoals kort daarvoor in Zweden de Wasa was geborgen. In Nederland werd enthousiast gereageerd. In Rotterdam hoopte men het schip een plaats te kunnen geven. Naar aanleiding daarvan wijdde De Blauwe Wimpel, het maandblad voor scheepvaart en scheepsbouw, een themanummer aan de Slag in de Sont en de ondergang van de Brederode. Vanzelfsprekend werd ook gerept van het kanon dat aan Nederland was overgedragen. De redactie had graag een foto willen plaatsen en had volgens eigen zeggen alles in het werk gesteld om de verblijfplaats van het kanon te achterhalen. Maar waar zij ook informeerde: het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, het Rijks Museum, het Amsterdamse Museum, het Maritiem Museum Prins Hendrik te Rotterdam of ‘s Rijkswerf te Willemsoord, nergens wist men te vertellen waar het stuk geschut was gebleven. Gevreesd werd dat de Duitsers het kanon in de oorlogsjaren hadden meegenomen. De redactie stond versteld over het mysterie en schreef wrevelig dat dit ‘opnieuw een bewijs (was), hoe slordig, hoe nonchalant … ja hoe harteloos er blijkbaar soms wordt omgesprongen met zaken, die van het hoogste historische belang zijn’. In Brielle stond men evenzeer versteld. Hoe kon het dat niemand wist dat het kanon in de stad was? Verschillende Briellenaren namen contact op met de redactie, zo ook burgemeester H. van Sleen en de hoofdredacteur van de Nieuwe Brielse Courant, mevrouw J.C. van der Knoop-Gebraad. De Blauwe Wimpel kon zijn lezers gerust stellen. Het kanon stond inmiddels al 43 jaar veilig opgesteld in de hal van het Brielse stadhuis. Tussen de regels door vroegen zij zich af of het onderzoek wel goed gedaan was. Immers kort geleden, in 1949, was in Brielle de 350e geboortedag van Witte de With herdacht. En nog recenter, in 1953, was de sterfdag van Maarten Harpertsz Tromp in Brielle herdacht. Bij beide gelegenheden waren vele marine-autoriteiten en politieke figuren, onder wie de Minister van Oorlog en Marine en de voorzitter van de Tweede Kamer aanwezig geweest. Zouden zij zich niets meer van het kanon herinneren? Dat bleef niet onopgemerkt. In de zomer van 1955 wijdde het Maritiem Museum ‘Prins Hendrik’ in Rotterdam een speciale tentoonstelling aan het schip De Brederode. Voor die tentoonstelling werd ook het ‘Brielse’ kanon tijdelijk naar Rotterdam overgebracht. Nader onderzoek wees overigens uit dat het schip zelf te zeer geleden had onder het kruiende ijs dat zich jaarlijks vanuit de Oostzee door de Sont perst: feitelijk restten slechts de kiel en een deel van de bodem.

Ten slotte

Inmiddels is een halve eeuw verstreken. Tijden veranderen, evenals de waardering van objecten. Ten tijde van de recente verbouwing van de hal van het stadhuis tot VVV-vestiging annex museumentree, werd het stuk geschut verwijderd. Momenteel staat het opgesteld in de hal van het Maerlantcollege aan de Burgemeester H. van Sleenstraat.

Dit artikel is terug te lezen op onderstaande link:

http://www.vriendenmuseumdenbriel.nl/media/Download%20Mare/Mare%2016-2.pdf

zoals momenteel opgesteld in de hal van het Maerlantcollege

Het Kanon van Brederode, zoals momenteel opgesteld in de hal van het stadhuis aan de markt. Foto: F. Keller

Hele oude dingen - Archeologie