Marinekantine

Hellevoetsluis kocht van de Rotterdamsche Droogdokmaatschappij de voormalige marinekantine, waar voorheen de  handschoenenfabriek in was gevestigd. De gemeente gebruikte het als tijdelijk onderkomen van een deel van de ambtenaren waarvoor geen ruimte was in het gemeentehuis.

De alsmaar uitdijende collectie van de Oudheidkamer

Niet alleen de gemeente, ook de Oudheidkamer jubileert. De stichting is opgericht in 1970 en bestaat zodoende veertig jaar.

Het interieur van de Oudheidkamer

Het interieur van de Oudheidkamer

Anno 1970 was Hellevoetsluis definitief op een punt beland waarop meer naar de toekomst dan naar het verleden werd gekeken. De oprukkende industrie bood de gemeente volop mogelijkheden om zich als woonstad te gaan profileren en het marineverleden eindelijk eens achter zich te laten. Een groepje ras-Hellevoeters zag die ontwikkelingen met lede ogen aan. Ze merkten hoe op bijkans achteloze wijze steeds meer oude herinneringen verdwenen en wilden redden wat er nog te redden was van alle oude dingen die in rap tempo werden weggegooid, gesloopt, vervangen of vernieuwd.

Aan de wieg van de stichting stonden dokter Walters, de ondernemer Kleykamp en hoofdonderwijzer Hoogkamer, die elk al jaren op hun eigen manier bezig waren met het verzamelen van historische feiten en kenmerkende voorwerpen uit de Hellevoetse geschiedenis. Om een beetje structuur in die verzamelwoede aan te brengen, legden ze alle drie honderd gulden in de pot om bij de notaris een stichtingsakte te laten opmaken. Op 7 september 1970 was de oprichting een feit.

Het begon allemaal erg kleinschalig met het exposeren van oude gebruiksvoorwerpen in twee vitrines in de hal van het gemeentehuis, terwijl op de zolder van datzelfde gemeentehuis ruimte werd vrijgemaakt voor de opslag. Daar stond tevens een werkbank waar vanaf het eerste uur de huidige voorzitter Rich van Kralingen zorg droeg de conservering van het soms unieke materiaal.

Het interieur van de Oudheidkamer

Het interieur van de Oudheidkamer

De verzameling groeide gestaag door aankopen, giften en vondsten. Zo lagen in het naast het gemeentehuis gelegen De Ruyterhuis de wrakstukken van een 18e-eeuws schip dat bij de bouw van de Haringvlietdam was aangetroffen.

Het was voortdurend uitkijken naar geschikte locaties waar delen van de collectie voor korte of langere tijd konden worden opgeslagen. Zo hebben er spullen gestaan in het kruitmagazijn waar MACH later onderdak vond, in de boerderij De Torenhoeve, in de Affuitenloods langs de Opzoomerlaan, en ook op de zolder van cultureel centrum De Veste. Ondanks een kritisch beleid groeide de verzameling telkens weer uit z’n jasje.

In 1978 kreeg de Oudheidkamer een plek in het gerenoveerde Grootmagazijn, zodat de Oudheidkamer onder hetzelfde dak als het Brandweermuseum kwam. De vitrines van de gemeente verhuisden daarbij gewoon mee.

Hier was alle ruimte om de verzameling te kunnen tentoonstellen. Aan de hand van de objecten kon vrijwel elk aspect uit het dagelijks leven en het maritieme verleden van het Hellevoetsluis van weleer worden belicht: speelgoed en maquettes, kranten en folders, medische instrumenten van de dorpsarts, uniformen en petten, wastobbes met sunlight zeep en een ouderwets toilet. De vitrines en wissellijsten puilen uit van tekeningen en aquarellen, de planken in de kasten bezwijken welhaast onder het gewicht van de boeken, documentatie en foto’s. Tot de topstukken behoren de schilderijen en etsen van Dirk Nijland en Frans Spuijbroek, kunstenaars met landelijke uitstraling die zich liet inspireren door de haven van Hellevoetsluis.

De Oudheidkamer heeft intussen diverse boeken uitgegeven, tal van tijdelijke exposities verzorgd in het museum zelf, maar ook in de bibliotheek, verzorgingstehuizen en in het museum Gesigt van ’t Dok. Een expositie in de kerk van Nieuwenhoorn over de historie van het dorp trok in amper twee weken tijd ruim 2500 bezoekers. Er zijn filmvoorstellingen gegeven en regelmatig komen schoolklassen langs voor een rondleiding. Ook worden er voorwerpen uitgeleend aan andere musea. Zo werd in de jaren negentig de tonmolen – een meterslange houten vijzel uit het einde van de 18e eeuw die gebruikt is bij de aanleg van het Droogdok – uitgeleend aan het Rijksmuseum.

In 1993 onderging de Oudheidkamer een grote verbouwing, waarbij een eigen ingang werd gecreëerd. De geschiedenis blijft zich intussen herhalen; de verzameling groeit voortdurend en ruimtegebrek om de historische materialen op te slaan is een probleem. De komende jaren zal dan ook hard worden gewerkt om van de Oudheidkamer een volwaardig museum te maken. En dat alles is natuurlijk niet mogelijk zonder de groep vrijwilligers, die gedurende de afgelopen veertig jaar hun steentje hebben bijgedragen in het behoud van de geschiedenis van Hellevoetsluis.

De kanonnen voor de Oudheidkamer

De kanonnen voor de Oudheidkamer

De verdwenen boerderijen

Van veel boerderijen die ooit in de uitgestrekte polders Nieuwenhoorn, Nieuw-Helvoet en Oude & Nieuwe Struijten hebben gestaan, resteert alleen nog de naam. Met bouw van de grote woonwijken op het platteland verdwenen de typische boerensteeën de afgelopen vijftig jaar als sneeuw voor de zon. In 1968 stonden twee boerderijen in de belangstelling: De Struijten en de Kooistee. Helaas was het slecht nieuws.

De Struijten
De gemeente verwierf de boerderij De Struijten op 16 december 1964. Het was natuurlijk niet om de boerderij te doen, maar om de 75 hectare grond die eromheen lag. Hierop kon de wijk Wittenshoeck worden gerealiseerd, (wat overigens pas vanaf 1976 gebeurde).

1968-03x
Zodoende ontstond de situatie dat de eigenaar – de gemeente – geen boer was, en dat aan de verpachting van land in combinatie met de grote landbouwschuur allerhande voorwaarden waren verbonden, waar de gemeente zich liever niet aan vastlegde. Bovendien bevond de schuur zich in een slechte staat van onderhoud, zodat het een enorm bedrag kostte om het lekkende dak te repareren en het houtwerk te verven. Daarbij kostten het onderhoud, verzekeringen en belastingen elk jaar vermoedelijk meer dan de opbrengst van de verhuur, zodat de gemeenteraad op 5 september 1967 besloot de schuur te laten slopen. Medio januari 1968 was het slopersbedrijf Van der Sluis dan ook bezig met de afbraak.

Het woonhuis van De Struijten werd door de gemeente verhuurd aan een particulier, die evenmin een boer was, en dat vormde daarom geen enkel probleem. Sterker nog, het vormde de redding van de boerderij, want deze bestaat nog steeds als zodanig in de vorm van Herberg ‘t Zeegat.

De boerderij De Struijten, waarvan het woongedeelte Herberg werd

De boerderij De Struijten, waarvan het woongedeelte Herberg werd

De Kooistee
Op vrijdag 5 juli 1968 hingen boven de boerderij De Kooistee donkere rookwolken: de landbouwschuur werd in enkele uren tijd door een felle brand verwoest. ‘s Morgens tegen half twaalf was de brand ontdekt, waarna de brandweer van Hellevoetsluis zich erheen spoedde. Ze kregen echter pech onderweg, en op het moment dat de brandweer van Nieuwenhoorn arriveerde, was er geen redden meer aan. In de enorme schuur, die een vloeroppervlak van 15 x 36 meter had, lag ruim vijftig ton hooi opgeslagen. Het brandende hooi veranderde de schuur en een naastgelegen koeienstal in één enorme vuurzee, waarin diverse landbouwmachines werden verzwolgen. De schade aan het woonhuis kon gelukkig worden beperkt tot wat gesprongen ruiten en gebarsten verf, al waren de meubels echter voor alle zekerheid al naar buiten gehaald.

De brandweer was nog tot zondagavond bezig met het nablussen van de smeulende resten van de hooiberg. De belangstelling was groot, want gedurende het hele weekend kwam publiek een kijkje nemen bij de ravage.

Boerderij De Kooistee in betere tijden Boerderij De Kooistee in betere tijden

Vermoedelijk was hooibroei de oorzaak van de brand, maar ook kortsluiting werd niet uitgesloten als aanstichter van het vuur. De schade bedroeg naar schatting 150.000 tot 200.000 gulden.

De redding van het woongedeelte was helaas slechts uitstel van executie. Op 24 augustus 1982 werd alsnog besloten tot afbraak van het huis. Dit gebeurde in februari 1983 door de Oudenhoornse aannemer H. Baas en Zoon voor 16.956 gulden. Een jaar later, op 10 februari 1984, werd op hetzelfde terrein de eerste paal geslagen voor het Buurthuis De Kooistee.

Boerenerf
En zo zijn er nog veel meer boerderijen in Hellevoetsluis met hun eigen verhaal. In de groene gordel rond de bebouwde kom staan her en der verspreid talloze boerderijen, maar een deel ervan heeft allang geen agrarische bestemming meer. Bovendien leidt een aantal ervan door achterstallig onderhoud een kwijnend bestaan. Een paar jaar geleden werd de boerderij De Kickersbloem (1791) langs de Ravenseweg afgebroken en enkele maanden geleden ging de ‘Melkfabriek’ (1882) onder de sloophamer. Het zal niet lang meer duren voordat de op instorten staande boerderij (eind 18e eeuw) langs het Kanaal door Voorne hetzelfde lot zal ondergaan.

Boerderij De Pauwestee langs de Rijksstraatweg

Boerderij De Pauwestee langs de Rijksstraatweg

Een sportcomplex in wording

Hellevoetsluis beschikte sinds december 1967 over een voorlopige ijsbaan, want een terrein achter de voetbalvelden van V.V. Hellevoetsluis (tussen de P.A. Genestetlaan en de Jan Blankenstraat) kon bij naderende vrieskou onder water worden gezet. In allerijl was er die maand een ijsvereniging opgericht, die onder het bestuur van J.J. Severijn, mw. S.J. Otto-Wijling en H. Modderman stond. Iedereen in de gemeente ontving een brief met de oproep lid te worden: voor slechts vijf gulden had je al een seizoenskaart voor het hele gezin.

Eén dag ijspret
Op zaterdag 13 januari 1968 kon er precies één dag worden geschaatst op de tijdelijke ijsbaan. Dankzij de opgehangen feestverlichting kon er ook ’s avonds nog worden geschaatst, maar de volgende dag viel de dooi alweer in. Desondanks was de ijsbaan een groot succes en de ijsvereniging had in drie weken 500 leden gekregen. Die grote behoefte aan ijspret zette het bestuur ertoe aan een definitieve ijsbaan te realiseren.

Sportcomplex
In juni 1968 ontvouwde de ijsvereniging de plannen voor een sportcomplex aan de Ossehoekweg (Koninginnelaan). De gemeente had een terrein van 3 hectare ter beschikking gesteld en in samenwerking met andere sportverenigingen had de ijsvereniging een plan uitgewerkt om er een atletiek-, wieler- en skelterbaan aan te leggen en tevens velden om te tennissen, korfballen en te basketballen. Voorzitter Severijn zag het als ultiem recreatiecentrum, waar zowel in wedstrijdverband kon worden gespeeld als in de vrije uurtjes een ontspannen rondje worden gelopen of een balletje geslagen.

Het plan voor een sportcomplex, zoals de ijsvereniging dat voor ogen had

Het plan voor een sportcomplex, zoals de ijsvereniging dat voor ogen had

Het terrein van de ijsbaan, waar het allemaal om draaide, kon op deze manier ook in de zomer worden gebruikt, maar in de winter verdween het middengedeelte (180 x 70 meter) onder water voor plezierrijders, met daaromheen een wedstrijdbaan van 400 meter. Dat was de lengte die de Koninklijke Nederlandse Schaatsbond eiste om er officiële wedstrijden op te kunnen houden. De ijsvereniging, die bij de KNSB was aangesloten, wilde er wedstrijden voor schaatsliefhebbers uit de hele streek organiseren.

Inzamelingen
Diverse bedrijven in de Botlek en Europoort bleken bereid een kantine en verhardingsmateriaal te sponsoren en er was onder de Hellevoetse middenstand in amper twee weken tijd 20.000 gulden ingezameld. Er was nog een tekort van 25.000 gulden, zodat er onder de inwoners acties werden georganiseerd. Van 23 augustus tot 1 september 1968 vonden in de grote hal van Vermaat’s Autobedrijf diverse inzamelingsactie plaats: een bazaar, een verloting, een missverkiezing, wedstrijden, sportdemonstraties en muzikale optredens leverden 4000 gulden op.

Ten behoeve van het sportpark Hellevoetsluis werd op zaterdag 28 december in de hallen van Vermaat een groot opgezet Beatfestival georganiseerd, waar onder andere Sandy Coast, Spirit of Saint Louis en Act of Love optraden. Tijdens de avond werd winnaar van de grote verloting bekend gemaakt: de 75-jarige mevrouw Raafs-van der Laar won de Opel Kadett. Met de opgehaalde 14.500 gulden werd binnenkort begonnen aan de aanleg van de ijsbaan. De door Fluor geschonken kantine met douches en kleedkamers lag al klaar bij de gemeente om te worden opgebouwd.

Tegengas
In januari 1969 greep Burgemeester Aarse echter in, want de plannen voorzagen niet in een langetermijnvisie: vooral de financiering van het onderhoud was onduidelijk. Er was evenmin onderzoek verricht naar de schadelijke gevolgen van het bevriezen van de geasfalteerde sportvelden. De burgemeester betwijfelde of een sportpark paste in de bestemmingsplannen en voorzag problemen met horeca-ondernemers als de kantine verhuurd zou worden aan toneel- en muziekverenigingen. Hij juichte weliswaar de voortvarende plannen van de ijsvereniging toe, maar wilde eerst onduidelijkheden opgehelderd zien alvorens toestemming te geven. Hij wilde de vereniging behoeden voor een debacle en voorkomen dat ze een te hoge financiele lasten op de hals namen. De ijsvereniging richtte haar aandacht daarom eerst op de aanleg van de schaatsbaan en zou in overleg met de gemeente stap voor stap de rest van de plannen gaan realiseren.

Intussen ontdekte de voorzitter dat lang niet iedereen enthousiast was over het plan. Zo waren z’n autobanden al vier keer lek gestoken en werd het gezin ’s nachts geterroriseerd door het aanhoudend rinkelen van de telefoon. Als hij al opnam, was het stil, werd de verbinding verbroken, of riep iemand: ,,Jij moet oprotten!’’ of ,,Jij denkt zeker in een jaar te bereiken wat ons in geen drie jaar is gelukt.” In de krant werd gesuggereerd dat met deze intimidaties de tegenstellingen tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ Hellevoeters duidelijk werd.

Zwembadplannen
Andere plannen voor een sportcomplex presenteerde de Hellevoetse zwembadcommissie in maart 1969. Nadat het drijvende, betonnen zwembad in 1967 was gezonken, stelde de gemeente een werkgroep in, die alle aspecten van een zwembad – kosten, locatie, e.d. – moest onderzoeken. Het uiteindelijke voorstel van deze commissie bestond uit een complex met een overdekt instructiebad van 250 m², een kleuterbad in de open lucht van 200 m² en een halfdiep buitenbad van 850 m². Het complex kon de daaropvolgende jaren desgewenst worden uitgebreid met een wedstrijdbad dat voldeed aan internationale regels. De Rubberfabriek had zich bereid verklaard stoom te leveren om de baden te verwarmen. De kosten van het complex zouden zo’n anderhalf miljoen gulden bedragen.

Het zou nog tot eind 1974 duren voordat De Eendraght werd geopend, maar het plan van 1969 vormde de eerste aanzet naar het overdekte sportcomplex aan de Sportlaan.

Het Landshuis in oude glorie hersteld

Het interieur van het Landshuis

Het interieur van het Landshuis

Er is in de afgelopen vijftig jaar behoorlijk wat vergaderd en getrouwd in het Prinsenhuis, dat ook wel bekend staat als Gemeentehuis, Commieshuis, Heerenhuis, Huis van gecommitteerde Raden en Rijksmagazijn. Het uit omstreeks 1664 stammende gebouw heeft talloze functies gehad en kent daarom evenzovele namen. In 1967 werd het na een jarenlange restauratie weer in gebruik genomen.

Prinsenhuis = Landshuis
Landshuis zou eigenlijk nog de beste naam zijn voor het in Hollands Classistische stijl gebouwde pand. Het werd vanouds bewoond door de ‘Commies van ‘s Lands Magazijnen’, een hoge ambtenaar die namens de Gecommitteerde Raden van Holland toezicht hield op het rijlen en zeilen in Hellevoetsluis. Hij had zijn woonvertrekken op de eerste verdieping, waar ook de logeerruimte was voor bezoekende leden van de Gecommitteerde Raden. Op de benedenverdieping bevonden zich onder meer een vergaderruimte, een keuken en voorraadkasten. De naam Prinsenhuis is gebaseerd op de onjuiste aanname dat stadhouder Willem III in het Landshuis zou hebben gelogeerd tijdens de voorbereiding op de overtocht in 1688.

Het Landshuis voor de restauratie.

Het Landshuis voor de restauratie.

Aan weerszijde van het Landshuis staan nog enkele bijgebouwen, bekend als het ‘De Ruyterhuis’ en ‘Het Kleine Kerkje’. Ze dienden als magazijnen en pakhuizen, die volgens de bronnen onder meer hebben gefungeerd als ‘geweermagazijn en opslag- en werkplaatsen’. Er is al veel bekend over de geschiedenis van het Landshuis, maar er valt ook nog veel te onderzoeken. Zo is er nog nooit hard bewijs geleverd dat de bekende bouwmeester Pieter Post het ontwerp heeft gemaakt, al wijst wijst alles erop dat hij het hoogstwaarschijnlijk wel is geweest. Hoe het ook zij, de gebouwen geven de Oostzanddijk een statig aanzicht.

Gemeentehuis
De gemeente Hellevoetsluis twijfelde dan ook geen moment toen het gebouw in de zomer van 1948 beschikbaar kwam. Het college schreef een mooie brief aan Domeinen om interesse te tonen en in februari 1949 bleek Domeinen akkoord te gaan met de verkoop. De Provincie lag nog even dwars, maar uiteindelijk werd de gemeente in mei 1950 voor ‘slechts’ 16.800 gulden de gelukkige eigenaar. Het oude gemeentehuis, op de hoek van het Baantje naast de kerk, werd verkocht aan het rijk en verbouwd tot bureau voor de rijkspolitie.
Het Landshuis werd ingericht als gemeentehuis en die functie bleef het ook na de gemeentelijke herindeling in 1960 houden. Hoe fraai de gemeentehuizen in Nieuwenhoorn en Nieuw-Helvoet ook waren, ze verloren hun functie en werden op den duur verkocht.

Het Landshuis na de restauratie

Het Landshuis na de restauratie

Restauratieplannen
De Provincie wilde aanvankelijk niet akkoord gaan met het plan van de gemeente om het Landshuis aan te kopen, omdat de gemeente de restauratie niet zou kunnen betalen. Het terugbrengen in de oude staat vergde inderdaad vele tonnen. Rond 1955 begon de gemeente serieus met het uitwerken van de plannen. De watersnoodramp bleek in dit geval een zegen, want er kwamen enorme subsidies beschikbaar om schade aan monumentale panden te herstellen. Ook het Landshuis kwam in aanmerking, zodat er al spoedig een startkapitaal beschikbaar was. Alle mogelijke fondsen, regelingen en subsidies werden aangeschreven en de gemeente wist binnen enkele jaren een aanzienlijk bedrag te vergaren. In 1963 ging de restauratie onder leiding van de architect J. Kruger van start.

Restauratie
De restauratie had twee uitgangspunten. Ten eerste moest het exterieur weer in oorspronkelijke, 17e-eeuwse toestand worden teruggebracht. De dikke pleisterlaag op de gevel diende te worden verwijderd, en ook de eenvoudige trap bij de ingang moest worden vervangen door een bordes, zoals deze op een tekening uit 1750 was afgebeeld. Ten tweede werd het interieur aangepakt. In feite was hier in drie eeuwen tijd weinig aan veranderd, maar een opknapbeurt was geen overbodige luxe en bovendien moest het gebouw worden aangepast aan de eisen van een gemeentehuis. Eén van de grootste ingrepen was de sloop van een scheidingsmuur op de eerste verdieping, zodat een grote ruimte ontstond die dienst kon doen als raadzaal.

Het interieur van het Landshuis

Het interieur van het Landshuis

Zodra monumentenzorg zich ergens mee bemoeit, wordt de taal bloemrijk: ‘aan weerskanten van de middenrisaliet telt de gevel twee traveeën met kruisvensters’ en ‘de schouw bezit verder onder meer gesneden bloemfestoenen, ionische pilasters en tegen de zijkant van de boezem wapentrofeeën’. Het rijk gedecoreerde interieur valt eenvoudigweg niet te beschrijven. Tijdens de jaarlijkse monumentendag is het voor iedereen te bezichtigen.

Het interieur van het Landshuis

Het interieur van het Landshuis

Tijdens de werkzaamheden deden de restaurateurs verrassende ontdekkingen. Onder een dikke verflaag kwam het eeuwenlang verborgen houtsnijwerk tevoorschijn, dat van een ongekend kunstzinnige verfijndheid was. Het lichte eikenhout en het donkere lindenhout vormde prachtige contrasten, zodat besloten werd dit hooguit een vernislaagje te geven. De restauratie hiervan was in handen van Dirk Guilonard, die werkzaam was bij het schildersbedrijf van de Brielse Joop S. Racké.

In maart 1966 werd het steigerwerk verwijderd. Plotseling zag iedereen hoe ‘betoverend mooi’ het Landshuis in feite was: de stijlvolle gevel van bakstenen was weer zichtbaar, in de ramen zorgden de oorspronkelijke 17e-eeuwse kruiskozijnen voor een mooie vlakverdeling en het herstelde bordes was de kers op de slagroomtaart.

Hergebruik
Medio augustus 1967 werd het Prinsenhuis weer in gebruik genomen. De officiële opening werd uitgesteld tot er ook passende verlichting en meubilair was aangebracht. Het voorstel van het college om voor 80.000 gulden meubels aan te schaffen, werd door de raad afgewezen. Vervolgens bleef het stil, zodat er van dat feestje waarschijnlijk nooit iets terecht is gekomen.

De laatste rit van de Bergeend

De tramlijn tussen Hellevoetsluis en Spijkenisse werd geopend op 1 november 1905. Vanaf dat moment konden de inwoners van de vesting vanaf het tramstation via Nieuwenhoorn, Oudenhoorn, Zuidland, Biert en Spijkenisse reizen naar de eindhalte aan de Rosestraat in Rotterdam. Het was een ideale verbinding, die met name gebruikt werd voor het vervoer van landbouwproducten.

Er bestaat een beschrijving van twee verslaggevers van het Rotterdamsch Nieuwsblad die enkele dagen na de opening van de tramlijn in 1905 de reis maakten. ,,Met belangstelling hebben wij een rit naar Hellevoetsluis medegemaakt. Het is een genoegen, dat twee uren duurt, wat lang, maar daarom toch niet vervelend.” Het verslag verhaalt over de werkzaamheden van de afgelopen jaren, zoals de bouw van de Spijkenisserbrug, de aanleg van het smalspoor en het uitgraven van de Tramhaven. Ze mijmerden ook over het landschap: ,,Nu blijft een poos de rit zonder veel afwisseling, maar dan volgen Zuidland en Oudenhoorn en ten slotte te Hellevoetsluis, aan den Oostelijken oever van het Voornsche Kanaal heeft de tram haar eindpunt. Dáár, over het prachtige breede water, flauw de kustlijn van Goeree in de verte, is het tafreel vol bekoring, wel één der rijkste Hollandsche waterpanorama’s die te genieten zijn. Het station, dat vrijwel overeenkomt met die te Numansdorp en te Zijpe staat, evenals die beide, met zijn emplacement aan de tramhaven. Als de boot van Middelharnis hier de aansluiting brengt met de tram op Goeree, zullen de passagiers hier embarkeeren. Maar dat zal wel niet vóór 1908 wezen: de Flakkeesche tram immers is nog pas in voorbereiding. Inmiddels kunnen de schepen, die vrachten aan de tram brengen, in deze haven veilige ligplaats krijgen.”Die veerdienst tussen Hellevoetsluis en Middelharnis werd uiteindelijk op 1 mei 1909 geopend, zodat het netwerk van de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij zich steeds verder over de Zuid-Hollandse Eilanden uitbreidde.

 

Het tramstation in Hellevoetsluis

Het tramstation in Hellevoetsluis

Er valt veel te vertellen over de tram: over de conducteurs, de gezellige sfeer aan boord, de ongelukken, de vertragingen of juist de stiptheid van de dienstregeling, de verschillende veerboten die de overtochten verzorgden of de geuren en geluiden van de stoomtram. Daar is één pagina veel te weinig voor. We beperken ons nu tot de aanleiding van de opheffing. Op VoorneWiki zien we uw nostalgische herinneringen aan de bovenstaande aspecten graag tegemoet!

Overname
Rotterdam had al jaren plannen gehad om de RTM over te nemen. Aanvankelijk vonden de voorbereidingen in alle stilte plaats, maar in december 1960 werd bekend dat er een anoniem bod van 500% was gedaan op het aandelenpakket. Het was voor iedereen – inclusief de directie van de RTM – een volledige verrassing. Al snel werd duidelijk dat de gemeente hierachter zat. Eind januari 1961 vroegen B. en W. de raad een krediet van 5,1 miljoen gulden beschikbaar te stellen, benodigd voor de overname van de rtm aandelen. In de voorbereidingen was met de Nederlandse Spoorwegen afgesproken dat de NS vervolgens weer 80% van de aandelen zou overnemen. Zodra het monopolie van de RTM was gebroken en de tram was opgeheven, zou worden ”gestreefd naar een vorm van samenwerking tussen de NS en de gemeente Rotterdam, waarbij de NS haar kennis en ervaring met betrekking tot de exploitatie van het streekvervoer en tot de opbouw van een goede en doelmatige vervoersvoorziening ter beschikking van de gemeente zal stellen.’’ Het vergde echter nog wat inspanningen om de rijksoverheid voor dit plan enthousiast te maken, want die zagen het niet zo zitten dat de NS nog meer streekvervoer voor haar rekening nam.

In april 1961 volgde een buitengewoone algemene vergadering van de RTM, waarbij enkele commissarissen tegen hun zin eervol ontslag kregen. Ze werden vervangen door onder meer de directeur van de NS (die overigens verdacht werd de grote bedenker van de overname te zijn) en de directeur van de RET. Zij wisten de Minister van Verkeer en Waterstaat tenslotte over te halen dat de NS 80% van de aandelen mocht overnemen.

Intussen werden de betrokken gemeenten hier niet bij betrokken. Dat de Rotterdamse gemeenteraad juichte dat de tram op Rotterdam-Zuid eindelijk verdween, betekende nog niet dat de bewoners hun vertrouwde tramverbinding kwijt wilden.

Tal van redenen zijn te noemen waarom de tram moest verdwijnen. Enerzijds wenste Rotterdam de tram op te heffen om de overlast ervan in Rotterdam-Zuid op te lossen, en verving de tramlijn door de metro, waarvan het eerste traject in 1968 in gebruik werd genomen. Anderzijds sloot de tram niet meer aan de behoeften van de reizigers. De opkomst van de auto en de ontsluitingsweg naar Goeree-Overflakkee door de Haringvlietbrug zorgden ervoor dat de tramlijn naar Hellevoetsluis en de veerdienst naar Middelharnis steeds minder werden gebruikt. Bovendien moesten steeds meer inwoners van de regio naar de industriegebieden, waar de tram niet kwam, zodat bussen werden ingezet. En toen eenmaal de bussen gemeengoed werden, werd het bestaansrecht van de tram steeds twijfelachtiger.

Veerboot Haringvliet nadert de Tramhaven

Veerboot Haringvliet nadert de Tramhaven

Laatste rit
Het gevolg was dat de RTM-tram successievelijk werd opgeheven. Op 23 september 1965 vonde de laatste rit tussen Spijkenisse en Oostvoorne plaats. Een nieuwe buslijn nam het vervoer over. Op maandag 14 februari 1966 (een ijzig koude, besneeuwde dag) reed de laatste tram tussen Spijkenisse en Hellevoetsluis. In het tramstel ‘Bergeend’ zaten genodigden en tal van amateurfotografen en tien reizigers. Om 2:17 vertrok de tram uit Spijkenisse. Bij de halteplaats Biert stonden borden opgesteld met de tekst ‘Hulde aan alle machinisten en conducteurs. Leve de Tram!’. De bus die parallel met de laatste tram de rit meereed, werd in Biert, Zuidland en Nieuwenhoorn door de bewoners onder protest ontvangen. Bij het station van Nieuwenhoorn hing de vlag halfstok. Twee passagiers stapten op om het allerlaatste stukje tot het station van Hellevoetsluis mee te rijden, waar de tram om 14:48 arriveerde. Voor de genodigden stond een nieuwe Leyland autobus klaar, waarmee de nieuwe buslijn Hellevoetsluis-Brielle via Vierpolders werd geopend.

De RTM bleef na de overname in 1964 nog jarenlang als busmaatschappij bestaan, totdat het in 1978 met de twee andere voormalige stoomtrambedrijven Streekvervoer Walcheren en Zeeuws-Vlaamse Tramweg-Maatschappij tot de N.V. streekvervoer Zuid-West-Nederland, beter bekend als de ZWN. De veerdienst naar Middelharnis werd op 14 augustis 1971 opgeheven. Het tramstation naast de Tramhaven werd gesloopt op 7 en 8 juli 1980; het tramstation van Nieuwenhoorn bestaat nog altijd als café. Samen met de resten tramrails langs de Kanaalweg Oostzijde zijn dat de laatste herinneringen.

Een kwart eeuw Rubberfabriek

Dit jaar vierde de Rubberfabriek haar 25-jarig bestaan. De jaren ‘60 waren gouden tijden voor de fabriek, die omstreeks 1964 werk bood aan zo’n 400 werknemers en 700 thuiswerkers.

Ontstaansgeschiedenis
De Eilandenbeurs aan de Moriaanseweg in Nieuw-Helvoet was door de economische crisis in de jaren ’30 was niet langer levensvatbaar. De toen ruim 50-jarige L. Dekker kocht het gebouw in 1938 en een jaar later, op 16 oktober 1939, startte hij samen met zijn zoon D.L. Dekker de Rubberfabriek.

In dat laatste jaar voor de oorlog bestond de productie uit rubberen zolen, die voor een lokale winkelier werden gemaakt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstond er al snel een ernstig tekort aan rubber. Vader en zoon Dekker voelden er niets voor aan de Weermacht te leveren, zodat ze ook geen rubber meer kregen toegewezen. Er werd voorzichtig omgegaan met de voorraad, die af en toe werd aangevuld met het rubber uit een neergestort vliegtuig. Om nog een beetje winst te maken moesten er zoveel mogelijk producten uit één kilo rubber gemaakt worden, en na de oorlog werd die specialisatie in kleine onderdelen voortgezet. De Rubberfabriek concentreerde zich voortaan op de honderdste millimeter.

De Rubberfabriek in in het voormalige Beursgebouw

De Rubberfabriek in in het voormalige Beursgebouw

Die specialisatie bleek een schot in de roos, want er kwam een steeds grote behoefte aan minuscule rubberen onderdeeltjes voor farmaceutisch en industrieel gebruik. Vooral vanaf de tweede helft van de jaren ’50 maakte het bedrijf een sterke groei door. Het bedrijfsoppervlak nam in tien jaar toe van 1800 naar 10.000 m2 en het aantal werknemers steeg van 150 naar 400, terwijl de omzet verzevenvoudigde.

Specialisaties
De Rubberfabriek maakte onderdelen voor bloedtransfusiesystemen (naaldconussen, slangen, bloedfilters en tussenstukjes), maar ook zuigers en afsluitingen voor medische preparaten, of de afsluiting van een penicillinedopje, waarvan in 1962 de 100.000.000e werd vervaardigd. Aangezien het hier om medische toepassingen ging, moest er zorgvuldig mee worden omgegaan. De Rubberfabriek ging er ook prat op dat de productieprocessen met de grootste zorg omring waren en dat er voortdurend strenge controles plaats vonden om vergissingen en vervuiling te voorkomen.

Ook voor grote onderdelen draaide de Rubberfabriek haar hand niet om; zo leverde de fabriek rubberwalsen voor de grafische en textielindustrie en producten voor laboratoria.

De fabriek ontwikkelde ook andere specialistische onderdelen voor industriële toepassingen, die bijvoorbeeld bestand moesten zijn tegen olie of chemische stoffen. Hiervoor beschikte de fabriek over een research-afdeling met een laboratorium waar een team van ingenieurs voortdurend bezig was met het ontwikkelen en beproeven van nieuwe samenstellingen.

Een greep uit de medische rubberproducten

Een greep uit de medische rubberproducten

In totaal kon de fabriek zo’n 6000 verschillende artikelen leveren, waarvan er zo’n 350 voortdurend in productie waren. Een uitgebreide groep vertegenwoordigers bracht dit onder de aandacht van (mogelijke) klanten in binnen- en buitenland. Zo’n 25% van de productie werd uitgevoerd naar West-Europa en landen als Amerika, Japan, Vietnamen en Pakistan.

In 1964 werd nog een mijlpaal gehaald. Eind maart verliet de 2,5 miljoenste ‘gouden plaat’ de fabriek. De Rubberfabriek perste namelijk ook de rubberen ‘matjes’ voor platenspelers waarop de grammofoonplaten lagen tijdens het afspelen. De veelal in vrolijke kleuren uitgevoerde matjes voorkwamen dat de platen zouden slippen of beschadigd raakten.

Bloeiend verenigingsleven
Bedrijven van deze omvang leidden vaak tot sociale binding, en ook de Rubberfabriek kende diverse verenigingen. Dit jaar bestond de ‘Toneelvereniging Rudek’ tien jaar en vierde dat onder meer met een opvoering voor de zustervereniging ‘Ontspanningsvereniging Helvoet’. Die avond in Zaal Hazelbag op zaterdag 14 maart 1964 was een van de geslaagdste uit de geschiedenis van beide verenigingen. De opvoering van Maaike demonstreerde wat ‘een amateurgezelschap met serieus werken en goed op elkaar inspelen presteren kan’. Zoals gebruikelijk werd de avond besloten met een bal na.

Jubileum
Op vrijdag 16 en zaterdag 17 oktober vonden de feestelijkheden plaats. Vrijdagmiddag kreeg al het personeel vrij (en ontvingen ze een extraatje in het loonzakje). In het café-restaurant Lommerrijk in Hillegersberg hield de directie die middag van drie tot vijf een receptie. Tijdens die gelegenheid werd ook de brochure ‘Helvoet, Precisie in Rubber’ gepresenteerd, een boekje waarin de wondere wereld van het rubber en de verwerking ervan werd toegelicht.

De werknemers vertrokken tussen half vijf en vijf uur vanaf verschillende plekken in Hellevoetsluis eveneens naar Hillegersberg. In totaal zeventien bussen brachten het personeel met echtgenoten en verloofden naar Lommerrijk, waar hen een diner en aansluitende feestavond werd aangeboden. In totaal 700 personen kregen gerookte paling, asperges en andere gerechten voorgeschoteld. Tussendoor hield directeur Dekker een korte toespraak waarin hij de geschiedenis van de Rubberfabriek toelichtte en zijn personeel bedankte voor de inzet. Een werknemer van het eerste uur, A. v/d Bie, sprak namens het personeel en bood de directie een uniek kunstwerk aan, een plastiek van kristal. De echtgenotes van beide directeuren ontvingen beiden een kristallen vaas.

De rest van de avond werd gevuld door een keur van bekende artiesten: het Cocktail Trio, de Chico’s, Rob de Nijs en de Lords traden op en tijdens het bal zorgden Rita Corita en het Radio Ballroom orkest voor een leuke en afwisselende avond. Om klokslag twaalf marcheerde tot ieders verrassing de Muziekvereniging Sempre Crescendo de zaal binnen. De aangekondigde vertrektijd van half drie werd behoorlijk overschreden en pas bij het ochtendgloren werden de feestgangers door de bussen thuis afgeleverd.

Op zaterdagavond bood de Rubberfabriek aan de bevolking van Hellevoetsluis en omringende gemeenten een vuurwerkshow aan. De directie nodigde met nadruk de bejaarden uit de gemeente uit om hierbij aanwezig te zijn. De show vond plaats op het Havenhoofd bij de Deltaschouw en omdat de show een half uur zou duren, werden er bankjes verzorgd. Als de ouderen zich voorafgaand aanmeldden, waren ze van een plaatje verzekerd.

Het suikerzakje van de rubberfabriek

Het suikerzakje van de rubberfabriek

De strenge winter van 1963

De jaarwisseling was bitter koud: sneeuwstormen raasden over de eilanden en sneeuwvlakten van een meter hoog maakten wegverkeer onmogelijk. Oudenhoorn was in de middag van oudejaarsdag door de sneeuw geïsoleerd geraakt van de buitenwereld en kon pas in de loop van nieuwjaarsdag worden bereikt. De winter hield Hellevoetsluis tot ver in maart in de ban van kou, ongemakken en… ijspret!

De winter der winters kondigde zich in november 1962 met enkele sneeuwstormen aan. Na 5 december begon het kwik snel te dalen en vanaf 19 december zou het ruim drie maanden lang elke nacht vriezen en ook overdag kwam de temperatuur niet boven het nulpunt.

IJspret
Op oudejaarsavond had een groep jongeren uit het buurtschap Vlotbrug een groot bord geplaatst met de oproep: ‘meer ontspanning voor de jeugd’. Dat was geen enkel probleem! Op nieuwjaarsdag werd op het dichtgevroren Kanaal door Voorne begonnen met de aanleg van een ijsbaan. Het ijs was in slechte staat, maar elke avond waren tien tot vijftien man bezig met schuiven en bezems om het glad te krijgen. Ook werden melkbussen met water aangevoerd om de scheuren en bobbels weg te werken. Op zondag 20 januari, twee dagen na de gedenkwaardige Elfstedentocht, werden de eerste wedstrijden gereden. Het was een groot succes. Er waaide een snijdende wind, maar als toeschouwers het te koud kregen, konden ze hun toevlucht nemen in een met zeilen afgesloten tent waar ze patat, warme worst, anijs- en chocolademelk konden kopen.

Het comité was vastbesloten de ijsbaan zoveel mogelijk te gebruiken. De volgende dag, op maandag 21 januari, vormde het een podium voor een gekostumeerd ijsfeest, waaraan onder meer ‘miss World’, de Kerstman, de paashaas, twee ‘ouwetjes met lichtgevende ogen’ en heel veel spoken deelnamen. Op dinsdag stonden er alweer nieuwe wedstrijden op het programma, ditmaal voor de jeugd van 8 tot 15 jaar.

Zolang de vrieskou aanhield, loonde het de moeite om de baan voortdurend te verbeteren. Naast een lange baan van 300 meter voor de hardrijders, richtte het comité enkele kleinere banen in waar kinderen en rondjesrijders hun gang konden gaan. Zeven schijnwerpers zorgden ervoor dat er tot ’s avonds laat geschaatst kon worden. Wedstrijden werden afgewisseld met prikslee races, ijsdansen en behendigheidswedstrijden.

Uiteraard waren er in de gemeente nog meer plekken waar volop werd geschaatst. Zo namen enkele inwoners van Nieuwenhoorn het initiatief om wedstrijden ringrijden en priksleeën te organiseren op de gracht rond Fort Noorddijk. Door de grote belangstelling ontstond ook daar het voornemen om een ijsvereniging op te richten.
Al die inspanningen leidden tot een grote schaatsevenement op de ijsbaan van Vlotbrug. Op zaterdag 23 februari organiseerden de Hellevoetse gemeenschap en de drie ijsclubs Vlotbrug, Hellevoetsluis en Nieuwenhoorn wedstrijden over 300, 900 en 1500 meter. De 16-jarige Maarten Vinke won ze alle drie en veroverde daarmee de titel ‘Kampioen van Hellevoetsluis’.

Kampioen van Hellevoet Maarten Vinke nam zijn prijzen in ontvangst

Kampioen van Hellevoet Maarten Vinke nam zijn prijzen in ontvangst

Deltawerken
Op het Haringvliet kregen de werkzaamheden aan de Deltawerken op verschillende manieren last van de vrieskou, vooral drijfijs bleek een groot probleem. De burgemeester van Stellendam had tijdens de nieuwjaarstoespraak zijn inwoners nog gerust gesteld met de mededeling dat levensmiddelen desnoods via het werkeiland en de baileybrug konden worden aangevoerd als de havens door de ijsvorming onbereikbaar zouden worden. Maar de afvoer van het drijfijs werd belemmerd door de bouwput: de schotsen moesten zich door het smalle zeegat persen. Daar begon het zich op te hopen tegen de baileybrug, die dreigde te bezwijken. Daarom riep men de hulp in van de pontonniers uit Keizersveld. Sergeant R.H. Bannink en negen mannen hielden de wacht en gebruikten explosieven om de ijsmassa’s te breken. ,,Het is natuurlijk steenkoud op de bruggen, maar de mannen hebben geen tijd om daarop te letten. Ze rennen maar heen en weer om, wanneer er een ijsveld met daar bovenop ijsschotsen, komt aandrijven, trotyl naar het gevaarte te werpen. Dertig seconden later ontploft het trotyl en is het gevaar bezworen.’’

Op den duur zorgde het ijs ook voor gevaarlijke situaties voor het scheepverkeer tussen het werkeiland en het vasteland. Donderdag 24 januari om 17:00 vertrok ‘De Delta’ met diverse werknemers van Rijkswaterstaat en de Nestum naar de werkhaven. Kort na het vertrek raakte men met de boot in zwaar kruiend ijs en moest het schip gedwongen terugkeren naar de bouwput. Om 18:30 werd een nieuwe poging gewaagd, maar ongeveer driehonderd meter verder raakte het schip vast in het ijs en bleek het muurvast te zitten. De ebstroom zoog het richting zee en machteloos moesten de opvarenden afwachten wat er ging gebeuren. Ongeveer 500 meter voorbij het werkeiland raakte de boot na diverse verwoede pogingen los en kon men terugkeren naar de put. Daar bleef de groep tot om elf uur ’s avonds een derde en laatste poging werd ondernomen om de vaste wal te bereiken. Ditmaal lukte het moeiteloos, want het ijs was praktisch verdwenen.

Vogels
De grootste slachtoffers van de vrieskou waren zonder twijfel de vogels. Het was door het pak sneeuw onmogelijk om voedsel te vinden, dus al snel verschenen de oproepen om de vogels bij te voederen. Daarbij stonden instructies, want brood alleen was niet voldoende. Vogels hadden namelijk vet nodig, dus werd geadviseerd om het brood, de gekookte aardappelen, groente en graan te besprenkelen met slaolie of levertraan. In Hellevoetsluis werd de schooljeugd ingezet om langs de deuren te gaan om etensresten te verzamelen; de gemeentelijke plantsoenen- en reinigingsdienst verspreidde het op verschillende plekken.

Er werden vliegtuigen ingezet om de uitgehongerde vogels te voeden

Er werden vliegtuigen ingezet om de uitgehongerde vogels te voeden

Vliegtuigen dropten intussen voedsel boven het Haringvliet en het Spui: ,,voor heel wat vogels bleek de hulp uit de lucht echter te laat te zijn gekomen. Zo was er een zwaan, die nog maar één poot bleek te hebben. De andere poot was waarschijnlijk tussen het kruiende ijs afgekneld. Het beest deed geen moeite eer om iets van het gedropte voedsel te bemachtigen. Ook veel meerkoeten waren er slecht aan toe. Vele van deze zwarte tweevoeters taalden niet meer naar het voor hen afgeworpen voedsel. Door bevroren poten en vlerken was het voor heel wat vogels niet mogelijk om het voedsel te bereiken.’’ De treurige gevolgen waren op het strand van Nieuw-Helvoet te vinden: er spoelden talloze dode vogels aan. Er werd zelfs een zeehond aangetroffen die door het ongenadige winterweer was bezweken.

In Hellevoetsluis werd tenslotte begin februari het ‘Comité voor Vogelvoedering’ opgericht. Het comité had een partij pinda’s gekocht, die door de schooljeugd in slierten werden geregen en op diverse plaatsen in de gemeente werden opgehangen. Sommige vogels werden bevoorrecht. De uitgehongerde velduil die zich enige tijd in de tuin van de burgemeester ophield, werd gevoerd met stukjes biefstuk.

De Stuntploeg van Hellevoetsluis

In november 1962 was daar ineens de ‘Stuntploeg’, bestaande uit vijf jongemannen, die met een paar ludieke acties Hellevoetsluis onder de aandacht wilden brengen. Hun eerste wapenfeit was een strandwandeling van de ene marinestad Den Helder naar de andere. Enkele weken later werd het gevolgd door een poging om de rivaliteit tussen Brielle en Hellevoet eindelijk eens te beëindigen.

 

De strandwandeling

Het vijftal had zich tot doel gesteld om de historische band tussen Den Helder en Hellevoetsluis te verstevigen, en waren daartoe zaterdag 3 november begonnen aan de lange tocht. In drie dagen tijd legden de J. Verploegen (havencontroleur), Jan Lageweg (onderwijzer), J. Siegers (kantoorbediende), J. de Boer (onderwijzer) en L. v/d Meer (verzekeringsinspecteur) de ruim 180 kilometer binnen drie dagen in marstempo af. Onderweg konden ze gratis overnachten in hotels in Wijk aan Zee en in Scheveningen. Rijkswaterstaat verzorgde de overtocht over het Noordzeekanaal, zodat ze een lange omweg rond de hoogovens werd bespaard.

De stuntploeg van Hellevoetsluis rust een ogenblikje uit

De stuntploeg van Hellevoetsluis rust een ogenblikje uit

Maandag 5 november om half zeven arriveerde de ploeg in Hellevoetsluis, voorafgegaan door de muziekvereniging. Ze werden opgewacht door de burgemeester en wethouders, de commandant der Koninklijke Marine en een grote menigte belangstellenden. Er waren vooral veel scholieren, die hoopten dat hun meester De Boer met doorgezakte knieën zou arriveren. Dat bleek allerminst het geval: de leden van de stuntploeg kwamen energiek aangewandeld.

Na enkele korte toespraken werden ze uitgenodigd aan boord van de mijnenveger Naaldwijk, waar de squadroncommandant in de krappe longroom een heildronk uitbracht en hoopte dat de mars tot een jaarlijks terugkerend evenement zou uitgroeien. Ook kregen de vijf mannen een speciaal gemaakte penning uitgereikt.

 

Operatie Suikerzak

Enkele weken later liet de Stuntploeg opnieuw van zich horen. In het holst van de nacht van vrijdag 23 op zaterdag 24 november reden ze met een levensgrote ladderwagen achter hun volkswagen het centrum van Brielle in, waar ze ongestoord hun plannen tot uitvoer konden brengen. Toen de ochtend aanbrak, ontdekten de stomverbaasde Briellenaren op tal van markante plekken spandoeken met het opschrift: ,,Hellevoetsluis, stad der toekomst’’. Op het Maarland, in de Nobelstraat, bij de Langevest, op de Kaaibrug en zelfs op de gevel van het stadhuis waren de leuzen te lezen. Het beeld van de Nymph op het Asylplein was aangekleed met een roze nachthemd en een sjerp in de Hellevoetse gemeentekleuren groen, blauw en rood. Het beeld was bovendien voorzien van een blinddoek en een bordje met de kreet: ,,ik kan het niet langer aanzien’’.

De hele actie was een uitvloeisel van het Streekplan Voorne-Putten, waarin voor Hellevoetsluis met maar liefst 100.000 inwoners een veel grootsere toekomst werd toegekend dan aan Brielle, die het met 15.000 inwoners moest doen. Daar was Brielle het niet mee eens en poogde op allerhande manieren ook in aanmerking te komen voor uitbreiding. Zo liet de gemeente suikerzakjes maken met het opschrift: ‘Brielle woonstad van Europoort’, terwijl de gemeente Hellevoetsluis direct terugsloeg door suikerzakjes met de tekst ‘Hellevoetsluis stad van de toekomst’ in gebruik te nemen. De eeuwenoude rivaliteit tussen beide vestingsteden stond weer op scherp.

 

Het bleef niet bij de spandoeken; de stuntploeg had nog veel meer in petto. De actie zou niet geslaagd zijn als niet elke Briellenaar een onvervalst suikerzakje zou krijgen. Die werden samen met pamfletten met een verhaal over de geschiedenis en de toekomst van Hellevoetsluis in brievenbussen gestopt, samen met de oproep om de strijdbijl eindelijk eens te begraven en eendrachtig samen te werken aan het welzijn van de streek.

Om acht uur werd op de Rijksstraatweg ter hoogte van gemaal De Klomp een tolpoort geplaatst. Alle passanten, inclusief de consul van een Zuid-Amerikaans land, moesten stoppen en ontvingen het pamflet over Hellevoetsluis en een suikerzakje. Tot de geïmproviseerde tolpoort om half tien werd opgeheven, kregen tientallen automobilisten, brommers en fieters het pakketje aangeboden.

Tenslotte werd overgegaan tot de bemiddelingspoging. Terwijl de Briellenaren met man en macht bezig waren om de spandoeken te verwijderen, gingen de leden van de stuntploeg langs bij mevrouw L.M. van den Boogerd-Neecken, de loco-burgemeester van Brielle. Zij was bereid een suikerzakje in ontvangst te nemen. De burgemeester zelf, D.M. van Zwieten, gaf niet thuis, zodat zijn vrouw het zakje kreeg aangeboden.

De ochtend werd afgesloten met een brunch in restaurant De Zalm, waar de stuntploeg uit de reacties van de Briellaren opmaakten dat hun poging tot verzoening niet bepaald succesvol was geweest.

 

 

Verzoeningspamflet

Eeuwenlang heeft de rivaliteit tussen Brielle en Hellevoetsluis het leven op Voorne meebepaald. Zaken, die door gemeenschappelijke inspanning de welvaart op dit eiland hadden kunnen verhogen, zijn achterwege gebleven. Brielle en Hellevoetsluis wilden beide het centrum van Voorne zijn en blijven.

Een belangrijke tijd is nu voor de streek aangebroken: de toekomst van ons eiland is in het licht van e toenemende welvaart, de EEG, de industrievestigingen langs de Nieuwe Waterweg beslist rooskleurig te nomen. Brielle en Hellevoetsluis zien zich al toekomstige grote steden. Hoe moeilijk is het in dit verband niet zuiver plaatselijk te denken! Tussen de beide oude rivalen laaide de strijd weer op; niet met wapenen, maar met suikerzakjes ging men elkaar te lijd. Verstandelijke overwegingen tallen niet of vrijwel niet mee, de emotie en het chauvinisme zijn leidraad. Waartoe dit alles kan leiden, wilde deze ochtend de Stuntploeg van Hellevoetsluis aantonen: versnippering en verdeeldheid in een tijd, die vooral hier op Voorne dringend eenheid en samenwerking vereist.

Het is waar, dat in het streekplan de verschillende gemeenten een eigen plaats is toegedacht uit gezonde planologische overwegingen. Maar laat iedereen, ook nu er plaatselijke belangen op het spel staan, in de eerste plaats regionaal denken en handelen. De toekomst door het streekplan aangegeven is de samenwerking tussen Brielle en Hellevoetsluis waar.

De bouw van de Haringvlietdam

de peilers in aanbouw, gezien vanaf de brugkraan

de peilers in aanbouw, gezien vanaf de brugkraan

In 1961 was de aanbouw van de Haringvlietdam in volle gang. Omdat dit gigantische project van grote invloed was op Hellevoetsluis, staat deze week de voorgeschiedenis van dit Deltawerk centraal.

 

De Watersnoodramp

Aan overstromingen waren de bewoners van de vesting wel gewend, want die kwamen regelmatig voor. Er viel weinig tegen te doen, de vesting was nu eenmaal buitendijks gebied. Dat leidde van tijd tot tijd tot problemen: als het waterpeil door springvloed of storm zo hoog werd opgestuwd dat het over de kade stroomde, moesten de bewoners in allerijl de vloedplanken in de deursponningen plaatsen, en de kieren met klei dichtstrijken. Memorabel waren de overstromingen van 1877, 1883 en 1894, waarvan de hoogten van het waterpeil jarenlang in de gevel van het voormalige marinehospitaal stonden aangegeven. Vandaag de dag is alleen de herdenkingsplaquette van de ramp van 1953 in de muur van het admiraliteitsmagazijn terug te vinden. De Watersnoodramp van 1 februari 1953 kostte aan vijf inwoners het leven en behoort daarom tot één van de zwarte dagen uit de historie van Hellevoetsluis. De schade aan gebouwen en de bestrating was eveneens aanzienlijk.

 

De Deltawerken

De ramp van 1953 leidde in zuidwest Nederland tot zoveel slachtoffers en economische schade dat er maatregelen werden genomen: het gevaar van de zee moest zoveel mogelijk worden ingedamd. Er werd een Deltacommissie ingesteld om onderzoek te verrichten en adviezen te geven. In maart 1954 publiceerde die commissie het rapport waarin werd uiteengezet dat het technisch en financieel haalbaar zou zijn om het Haringvliet met een dam en een spuisluizencomplex af te sluiten. Dat plan had twee grote voordelen. Ten eerste zouden zowel Voorne-Putten als Goeree-Overflakkee beter beschermd zijn tegen de grillen van de zee. Ten tweede zou de waterhuishouding van Nederland aanzienlijk worden verbeterd: het zoete rivierwater dat voorheen ongehinderd naar zee stroomde, kon in droge perioden worden vastgehouden door de sluizen te sluiten. Bovendien was het een oplossing om de verzilting van landbouwgronden tegen te gaan.

Ingenieurs gingen aan de slag en ontwierpen een Deltawerk van ongekende afmetingen. De dam tussen Voorne en Goeree zou vijf kilometer lang worden en bestaan uit een complex van 17 spuisluizen van elk 62 meter lang en een schutsluis voor het scheepvaartverkeer. In de dam zouden duizelingwekkende hoeveelheden beton, klei en staal worden verwerkt. De aanleg zou ruim vijftien jaar in beslag nemen en enkele miljarden guldens kosten.

Folder van de rondvaarten

Folder van de rondvaarten

De afsluiting werd in Hellevoetsluis toegejuicht: de aanleg van de Deltawerken betekende werkgelegenheid, nieuwe ontsluitingswegen en niet onbelangrijk: de vesting zou voortaan droge voeten houden.

 

De Werkhaven

De eerste stap was de aanleg van de Werkhaven. Naast de vesting werd tussen 1 augustus 1955 en 15 oktober 1956 gewerkt aan een haven van 12,5 hectare en een omringend terrein van 13 hectare voor de op- en overslag van materialen zoals rijshout en steen. Rond de vesting werden ook kantoren voor de directie en de waterloopkundige afdeling gebouwd en woningen voor opzichters, ambtenaren en de werknemers. Voor die laatste groep werd het barakkenkamp Het Grote Weergors opgericht, waar enkele honderden arbeidskrachten gedurende de werkweek konden eten en slapen. Omdat er bij nader inzien veel werknemers uit de directe omgeving werden aangetrokken, die ’s avonds weer naar huis gingen, bleek de behoefte aan een kamp niet zo groot en kreeg het andere bestemmingen.

 

De bouwput

Op 13 februari 1957 werd begonnen aan de aanleg van een ringdijk voor de bouwput waarin het sluizencomplex werd gebouwd. Tijdens het werk stuitten baggeraars op het wrak van een Engelse bommenwerper, die vermoedelijk in juni 1940 was neergestort. Nadat de ringdijk eind maart 1958 was afgerond kon de bouwput worden leeggepompt. Het vliegtuigwrak kwam tevoorschijn, waarna de vier bommen door ontploffing onschadelijk werden gemaakt.

In bouwput werd de daaropvolgende acht jaar gewerkt aan de bouw van het complex van 17 spuisluizen. Tussen oktober 1959 en mei 1961 werden maar liefst 21.842 heipalen de bodem in geslagen. Op de plekken waar het heien was afgerond, kon reeds worden begonnen aan het storten van beton voor de fundatie van de sluisvloeren en de peilers. Op die fundatie kwamen de ruim 10 meter hoge pijlers te staan, waartussen de nablaliggers werden bevestigd. Dit waren driehoekige, betonnen constructies waarop de weg werd aangelegd. In de zomer van 1961 werd de eerste nablaligger op z’n plaats gebracht, een nieuwe mijlpaal in de voortgang van het project.

 

De grootste verrijdbare brugkraa van Europa was speciaal voor de bouw van de Haringvlietsluizen gemaakt. Kosten: 2 miljoen

De grootste verrijdbare brugkraa van Europa was speciaal voor de bouw van de Haringvlietsluizen gemaakt. Kosten: 2 miljoen

Deelprojecten

Naast het sluizencomplex werd aan de zijde van Goeree-Overflakkee gewerkt aan het bedieningsgebouw, waarvoor in 1961 de fundering was gelegd. In een tweede bouwput, die in 1959 tussen het werkeiland en Goeree was aangelegd, werkte men aan de schutssluis, die als doorgang voor de scheepvaart tussen de Noordzee en het Haringvliet zou dienen. De aanvoer van het materiaal hiervoor vond plaats vanaf Goeree over een baileybrug die de beide werkeilanden en het vasteland met elkaar verbonden.

 

Rondvaarten

Omdat de bouwwerkzaamheden enorme aantallen geïnteresseerden trok, werd er sinds eind jaren vijftig door rederij Delta rondvaarten verzorgd. In de in 1959 door Delta gebouwde Sextant werden de bezoekers ontvangen. In 1960 bouwde Rijkswaterstaat met de gemeente en de stichting Hadex een eigen voorlichtingscentrum: de Deltaschouw. Tevens liet Rijkswaterstaat grotere en comfortabelere rondvaartboten inzetten door Spido en rederij Koppe. Het leidde uiteraard tot ruzie, die uiteindelijk pas in het voorjaar van 1961 werd bijgelegd. Afwisselend zouden de rederijen de rondvaarten naar de bouwput verzorgen. De Sextant werd ingericht als restaurant, terwijl de expositie in de Deltaschouw regelmatig werd bijgewerkt naar de laatste vorderingen van de Deltawerken. Op 1 maart 1961 openden de deuren weer voor het nieuwe seizoen.