Gecrashte straaljagers op Voorne-Putten

door: Bob Benschop

‘Ik hoorde het geluid van overvliegende straaljagers,’ verklaarde Adriaantje Weltevreden tegenover opperwachtmeester Romijn van de Koninklijke Marechaussee. Ze had die dinsdagmiddag 26 mei 1964 op het terras van de strandtent in Rockanje gezeten, toen ze getuige was van een spectaculair ongeluk. ‘Plotseling hoorde ik een klap in de lucht. Het was geen scherpe knal en ook geen doffe dreun. Ik keek in de lucht en zag ongeveer midden boven het Haringvliet een vliegtuig een flauwe bocht naar rechts maken. De hoogte kon ik moeilijk schatten. Toen het vliegtuig in die flauwe bocht draaide, kwam het plotseling in een steile duik omlaag en het viel in het water. Aanvankelijk dacht ik dat de piloot in het toestel aan het ‘stunten’ was, doch toen het vliegtuig kort boven het wateroppervlak kwam, begon het te draaien en in een spiraalbeweging dook het vliegtuig in het water, hetgeen gepaard ging men het opspatten van een waterzuil. Toen het vliegtuig naar beneden viel, heb ik geen rook gezien. Het vliegtuig heb ik in haar geheel onder water zien verdwijnen. Het is niet in stukken naar beneden gekomen. Toen het vliegtuig al even onder water was, zag ik een parachute in de lucht hangen, waaraan een man hing. De man werd later door een bootje uit het water opgepikt. Ik heb die parachute geruime tijd in de lucht zien hangen en ik schat deze tijd, gerekend met hetgeen in die tussentijd allemaal gebeurde ongeveer 40 a 45 seconden.’

Het was de 25-jarige piloot in opleiding Marcel Hurdebise die zichzelf tijdens een oefening met de schietstoel in veiligheid moest brengen. Zijn instructeur bleef rondjes boven het Haringvliet cirkelen terwijl redding onderweg was. Er werd nooit een bevredigend antwoord gevonden op de vraag wat de oorzaak van het ongeluk was, en tot overmaat van ramp zou de crash enkele dagen later nog een fataal vervolg krijgen.

 

Oefenvlucht

Majoor Holtz had eerder die dag twee gevechtsvliegtuigen geboekt waarmee hij met Hurdebise een instructievlucht zou maken om ‘Oefening 47’ uit het handboek uit te voeren: het maken van klimmende en scherpe bochten. Tijdens de voorafgaande briefing namen ze alle aspecten van de oefening door, zodat ze op het moment van opstijgen volledig waren voorbereid. Ze vlogen in twee Lockheed T-33 straaljagers waarmee ze richting de Zuid-Hollandse Eilanden koersten. Toestel M-17 werd bestuurd door majoor Holtz en toestel M-19 door M. Hurdebise, die overigens van de Belgische Luchtmacht was en een deel van zijn opleiding in Nederland volgde.

De twee vliegers vertrokken om 13:56 vanaf vliegbasis Woensdrecht en ze waren vanwege het heiige weer en daardoor slechte zicht gedwongen te klimmen tot 10.000 voet. Op die hoogte bevond zich geen bewolking en konden de oefeningen probleemloos worden uitgevoerd. De beide vliegtuigen bleven in ‘close-formation’ terwijl ze ‘normal’ en ‘double turns’, enkele klimmende bochten en twee ‘hard turns’ uitvoerden. Ze vlogen boven de kust van Goeree, nabij Stellendam, toen majoor Holtz opdracht gaf nog een ‘hard turn’ te maken, waarbij ze op volle snelheid een scherpe bocht van 180 graden maakten. Hurdebise manoeuvreerde zijn vliegtuig in positie, zodat ze de ‘hard turn’ in battle formation konden uitvoeren.

 

En toen ging het mis.

Hurdebise was zo’n 30 graden in de ‘hard turn’ gevorderd toen zijn toestel uit positie raakte en in een spiraalvlucht belandde. Aanvankelijk maakte het vliegtuig een ruime cirkelbeweging, maar geleidelijk werd deze krapper en steiler. Het toestel bleef dalen en nadat het onder de 7000 voet schoot, besloot de piloot de schietstoel te gebruiken om zichzelf in veiligheid te brengen. Toen hij uit de straaljager schoot, bevond de Lockheed zich al op zo’n 4000 voet en daalde steeds sneller. Het toestel crashte onder hem in het Haringvliet, en zelf hing hij nog een tijdje aan de parachute tot hij ook in het water belandde.

Daar had hij problemen met het opblazen van zijn dinghy, zijn reddingsboot, omdat de CO2-fles onvoldoende was gevuld en de handpomp ontbrak. Hij probeerde het bootje zelf nog verder op te blazen, maar kreeg daarbij water binnen, zodat hij die pogingen staakte. Hij wikkelde het deels opgeblazen vlot om zich heen en hield zichzelf daarmee drijvende. Daarna zat er niets anders op dan af wachten op redding.

1. Vermoedelijke vliegweg formatie 2. Vermoedelijke positie verbreken formatie 3 en 4. vermoedelijke vliegweg formatieleider na verbreken formatie 5. idem, tevens vliegweg waarop formatieleider parachute waarnam 6. Locatie wrak en leerling-vlieger

Die was inmiddels onderweg. Pieter Abraham de Bruijn, technisch ambtenaar 1e klas der Rijkswaterstaat, deed daar verslag van: ‘Op 26 mei 1964, omstreeks 14:15 uur, bevond ik mij aan boord van het meetvaartuig Honte, ter hoogte van het punt ‘De Kwade Hoek’, aan de noordkant van het eiland Goedereede. Wij voeren door het vaarwater De Pampus in de richting van de werkhaven van het Haringvliet. Op een gegeven moment keek de schipper van de Honte even achterwaarts en toen riep hij dat hij ongeveer drie kilometer achter het vaartuig, een grote waterzuil zag. Ik heb niets gehoord of gezien. Onmiddellijk wijzigde de schipper de koers van zijn vaartuig in de richting waarin hij de waterzuil had waargenomen. Toen hij 2 a 3 minuten in de nieuwe koers gevaren had, keek ik in de lucht en ik zag een man aan een parachute naar beneden komen. Terstond wijzigde de schipper weer zijn koers en nu in de richting waar de parachutist ongeveer 15 seconden nadien, in het water viel. Ik ben toen op de kajuit van het vaartuig geklommen, om beter te kunnen waarnemen. Toen wij ongeveer 10 a 12 minuten gevaren hadden, zag ik de parachutist en een klein stukje van een opblaasbare rubberboot in het water drijven. De parachutist stond in het bootje en zijn hoofd stak nog juist boven het water uit. Het bleek toen dat het de piloot van de straaljager was. Hij was uiterlijk kalm, doch zijn handen beefden. Hij sprak Vlaams. Nadat wij hem aan boord gehesen hadden, hebben wij hem voorzien van droge kleren, van koffie en een sigaret. Ik heb toen zijn naam opgenomen en per mobilofoon een en ander doorgegeven aan de vliegbasis Woensdrecht. De piloot vertelde aan de schipper, dat hij zijn vliegtuig niet in balans kon krijgen en toen in een spiraal naar beneden was gekomen. Waarna hij het toestel met de schietstoel verlaten had. Terwijl wij naar de piloot voeren, bleef een andere straaljager steeds in de buurt cirkelen. Wij hebben de piloot in Hellevoetsluis aan wal gezet en vandaar werd hij kort daarna met een helikopter opgehaald.’

Majoor Holtz had de crash aanvankelijk niet opgemerkt. Toen hij zijn leerling niet in zijn positie zag verschijnen, maakte hij enkele manoeuvres, maar kon het andere toestel niet ontdekken. Het opvragen van de positie via de radio leverde evenmin iets op, zodat Holtz omkeerde en uiteindelijk de parachute zag. Hij bleef rond de plek cirkelen waar Hurdebise terecht was gekomen, en toen hij zich er tenslotte van had overtuigd dat zijn leerling door een schip aan boord was geholpen, gaf hij de basis nog wat informatie door over de locatie van het vliegtuig en keerde terug naar Woensdrecht, waar hij om 15:14 landde.

Onderzoek

Onmiddellijk werd er een onderzoek gestart naar de oorzaak van dit ongeval. Het vliegtuig moest worden geborgen, de betrokkenen ondervraagd en eventuele ooggetuigen opgespoord. Marcel Hurdebise verklaarde dat alles normaal was gegaan tot hij de bewuste ‘hard turn’ moest uitvoeren. Gedurende die manoeuvre begon de neus onverwacht naar beneden te zakken. Hij trachtte het vliegtuig weer in een normale positie te brengen, maar het toestel reageerde niet op de bewegingen die hij met de stuurknuppel maakte. Hij zette alle besturingsonderdelen op neutraal en bewoog de knuppel in alle richtingen, waarbij hij geen druk ondervond, maar evenmin beweging in het toestel kreeg. Die verklaring zou er op wijzen dat er sprake was van een technisch mankement.

De dag na de crash werd door het meetvaartuig Honte gezocht naar de locatie van het wrak, dat al snel werd gelokaliseerd: het bleek op enkele meters diepte op een zandbank te liggen. Er gingen enkele dagen voorbij voordat er daadwerkelijk kon worden overgegaan tot het bergen van het toestel, dat werd uitgevoerd door het personeel van de Vaar- en Duikerschool der Genie uit Gorinchem.

Het staartgedeelte werd niet terug gevonden, maar de vleugels, de romp en de cockpit werden omhoog gehaald en voor onderzoek naar de vliegbasis in Woensdrecht overgebracht. Ondanks alle beschadigingen bleek de hoogteroerbesturing nog gewoon te werken. Enkele kabels van de rolroerbesturing waren gebroken, maar gezien de aard van de breuken moesten deze zijn veroorzaakt door de crash in het Haringvliet. De conclusie van het onderzoeksteam luidde dan ook dat de kans minimaal was dat een technisch defect de oorzaak was geweest. Omdat het staartgedeelte echter niet was geborgen, kon niet worden uitgesloten dat zich daar een storing had opgetreden, maar de technici aarzelden niet om op te merken dat de kans minstens zo groot was dat een fout van de leerling het ongeval had veroorzaakt.

De onderzoekers hadden ook nog een blik geworpen op de CO2 fles van het reddingsvlot. Een lek in de ‘nooduitlaat’ was de reden dat deze deels was leeggelopen, waarna uit voorzorg alle pompen van de luchtmacht op dit punt werden nagelopen. Een instructie uit 1962 had het handpompje van de uitrusting geschrapt, maar toevallig genoeg was dit punt twee weken eerder herzien. Maar omdat de pomp pas tijdens de eerstvolgende onderhoudsbeurt zou worden teruggeplaatst, was dit nog niet bij het betreffende toestel van Hurdebise gebeurd.

Als er geen overduidelijke technische fout was, moest de oorzaak elders worden gevonden. En toen werden de ogen gericht op de leerling. ‘De leerling vlieger heeft een neiging niet ruiterlijk uit te komen voor door hem als zodanig begane onjuistheden. De commissie [heeft verklaringen] waaruit blijkt, dat hij zo nu en dan door hem gemaakte, in een bepaald opleidingsstadium niet meer verwachte vliegfouten nogal eens probeerde goed te praten.’ Er werd gesuggereerd dat de vlieger in de heiige laag terecht was gekomen, waardoor hij gedesoriënteerd was geraakt, zijn instructeur uit het oog had verloren en daardoor in paniek was geraakt. De meningen waren verdeeld, want lang niet iedereen was ervan overtuigd dat de leerling (opzettelijk) fouten had gemaakt. Voorstellen om hem door een psycholoog te laten testen, werden daarom als overdreven beschouwd. Een andere instructeur van Hurdebise vond hem geen slechte vlieger, maar erkende dat hij wel af en toe slordige fouten maakte: ‘Ik acht het beslist niet uitgesloten dat de leerling te snel tot de conclusie kwam: het vliegtuig reageert niet, technische fout, ik spring.’ Hurdebrise bleef echter ontkennen dat hij een fout had gemaakt en was ervan overtuigd dat een technische fout het toestel onbestuurbaar had gemaakt. De onderzoekscommissie kon uiteindelijk dan ook niet anders dan concluderen dat de oorzaak van het luchtvaartongeval onbekend bleef.

Vlucht naar het Haringvliet

Twee dagen na de crash, op donderdagochtend 28 mei, belde de commodore J.C.J. Vermeulen naar de basis in Soesterberg met het verzoek om een vliegtuig, waarmee hij samen met zijn stafchef J. Vonk een oefenvlucht wilde maken. Ze wilden onder meer een kijkje nemen bij de bergingswerkzaamheden van de Lockheed T-33 waarmee Hurdebise in het Haringvliet was gestort. Om half elf arriveerde het tweetal op de vliegbasis, waarna de gebruikelijke formaliteiten werden doorgenomen. De gastvliegverplichting werd doorgenomen en formulieren getekend – de opdracht luidde ‘Vliegen algemeen’ – waarna het toestel om 11:20 uit de hangar werd getaxied en vijf minuten later vanaf baan tien opsteeg. Er werd gekoerst op 110 graden en geklommen tot 10.000 voet. De heiige laag van twee dagen eerder was namelijk nog niet verdwenen, dus vlogen ze op een hoogte waar de lucht helder en het zicht goed was.

Dat wolkendek vormde uiteraard een probleem: het was lastig bij het oriënteren, maar het verhinderde ook het kijkje bij de bergingswerkzaamheden dat ze wilden nemen. Ze vlogen eerst langs het vliegveld Ypenburg bij Den Haag en koersten vervolgens richting het Haringvliet. Om 12:13 was het laatste contact met de verkeerstoren, toen Vermeulen meldde dat hij was gedaald, maar zich nog steeds in de heiige laag bevond. Hij had geen idee waar hij was, want de zichtvliegomstandigheden waren minimaal. Onder hen bevond zich een gebroken wolkendek, maar de piloot besefte niet dat hij daardoor al tot een hoogte van slechts 500 a 600 voet was gedaald. Twee minuten later werd het contact verbroken, omdat het toestel zich met volle snelheid in een dijk bij Heenvliet boorde. De motor zat zes meter diep in de aarde, en het toestel was door de inslag geëxplodeerd, zodat de wrakstukken over een groot gebied waren verspreid.

Opperwachtmeester Romijn van de Marechaussee trok er weer op uit om proces-verbaal te maken. Hij beschreef de rampplek en speurde ooggetuigen op. Zo sprak hij met Jan Cornelis Luyendijk: ‘Op 28 mei 1964 omstreeks 12:15 uur, stond ik met mijn vader op de Wieldijk te Heenvliet in de omgeving van onze woning. Ik hoorde toen het geluid van een straaljager, die oostelijk van ons vloog en naar mijn mening van boven het Botlekgebied over de Maas kwam. Die straaljager vloog zeker niet boven Nieuwesluis of ten westen daarvan. Ik keek in de lucht en zag de straaljager op een hoogte van naar mijn schatting 300 a 400 meter en op datzelfde ogenblik zag ik een vlam bovenuit het vliegtuig komen. Die vlam was duidelijk zichtbaar. Onmiddellijk daarna dook de straaljager nagenoeg loodrecht naar beneden en verdween achter de bomen. Ik riep: ‘Daar dondert ‘ie naar beneden’ en een seconde later hoorde ik een klap en ik zag een zwarte rookkolom achter de boerderij van Van Beek opkomen. Ik ben op de fiets gesprongen en onmiddellijk naar de plaats gereden waar de straaljager was neergestort en was als eerste persoon bij het wrak. Verschillende stukken brandden nog en ik zag dat het vliegtuig aan kleine stukjes uit elkaar gesprongen was.’

De locatie van de rampplek is niet meer in het landschap terug te vinden, aangezien dit geheel is vergraven bij de aanleg van de Europoort.

Ook de negenjarige Elly Dam werd ondervraagd wat ze had gezien: ‘Tussen 12 uur en half een bevond ik mij bij de lammetjes in een weiland aan de Wieldijk te Nieuwesluis (Heenvliet). Ik zag toen een vliegtuig hoog in de lucht. Dat vliegtuig vloog eerst eventjes rechtuit en toen zag ik, dat het even ‘stilstond’ in de lucht. Toen viel het vliegtuig stil naar beneden en ik hoorde een harde klap en ik zag een grote rookzuil.’

Romijn beschreef nauwkeurig wat hij op de plek van de crash aantrof: in de dijk was een gat ontstaan met een doorsnede van ongeveer vijf meter en enkele meters diepte. In en om dat gat lagen de wrakstukken van het vliegtuig in grotere en kleinere stukken. Verschillende delen van het wrak brandden nog en werden door personeel van de vrijwillige brandweer van Heenvliet geblust.

Met een rood kenmerk is de locatie van de plek waar het vliegtuig is neergekomen op een hedendaagse kaart aangegeven.

Op enkele tientallen meters ten noorden van de plek lag een onontvouwde parachute, en diverse delen van een menselijk lichaam, totaal verbrijzeld en onherkenbaar. Een portemonnee met persoonlijke briefjes maakten identificatie van luitenant-kolonel Vonk mogelijk. Op honderd meter ten zuiden van het toestel waren de resten van zijn medevlieger J.C.J. Vermeulen aangetroffen, ook zijn lichaam was totaal uiteengereten en over een groot terrein verspreid. Enkele artsen van de Luchtmacht verzamelden en borgen de resten. Ze werden in zinken kisten opgebaard in een afgesloten ruimte in het Groene Kruisgebouw in Heenvliet en na schouwing van de arts in Heenvliet overgedragen aan de nabestaanden, waarna ze met militaire eer in hun respectievelijke woonplaatsen werden begraven.

Onderzoek

Ook hier werd onmiddellijk een onderzoek gestart. Van het toestel was weinig meer over, in ieder geval niet genoeg om iets zinnigs te kunnen melden over eventuele mankementen. Aan de ervaring van de piloot hoefde niet te worden getwijfeld, maar indien hij daadwerkelijk onder het wolkendek was gaan vliegen om de werkzaamheden van de bergingsploeg te kunnen bekijken, was dat een overschrijding van zijn bevoegdheid. Hij maakte op dat moment namelijk zonder controle van een grondstation een daling door de mistige laag in een druk bevlogen gebied. Indien er geen zicht is op de horizon moet er door de piloot gevlogen worden op de instrumenten in de cockpit. Dit vergt veel kennis en op dat punt schoot de ervaring van Vermeulen tekort. De onderzoekscommissie concludeerde in het eindrapport dat het vermoedelijk een moment van zelfoverschatting was, waarna de piloot door desoriëntatie het macht over het vliegtuig verloor en in een situatie terecht kwam die hij niet kon hanteren. Toch bleven er twijfels bestaan of dit de werkelijke oorzaak was, zodat ook dit onderzoek geen bevredigend antwoord opleverde.

Het was een bijzondere loop van omstandigheden, die in korte tijd op Voorne-Putten tot twee crashes leidde. De ongelukken waren uiteraard het gesprek van de dag, maar na verloop van tijd raakten deze spectaculaire incidenten weer in de vergetelheid. En aangezien de dijk in Heenvliet enkele jaren laten werd vergraven vanwege de aanleg van de Europoort, is de locatie ook niet meer in het landschap herkenbaar. De onderzoeksrapporten werden afgesloten en opgeborgen en iedereen ging weer over tot de orde van de dag.

 Het vliegtuigongeluk in 1961

Een ander vliegtuigongeluk deed zich voor op avond van donderdag 13 april 1961, toen een Nederlandse en Amerikaanse straaljager tijdens de oefening ‘Driftkop’ met elkaar in botsing kwamen. In een rakelingse manoeuvre raakte de vleugeltip van de Amerikaan de cockpitkoepel van de Nederlander, waardoor het Nederlandse toestel uit balans raakte en de piloot zich niet meer met de schietstoel in veiligheid kon brengen. Dat incident vond plaats boven Goeree, waarna het toestel in de Roompot neerstortte, iets ten zuiden van Haamstede. De 13-jarige Gerard Overbeeke uit Burghsluis zag het vanuit het raam van zijn slaapkamer gebeuren: ‘Tussen het geleidelicht van de haven van Burghsluis en de seinpaal zag hij een bol uit elkaar spatten. Dit vuur was maar even zichtbaar en terstond daarop hoorde hij een harde knal waarvan de woning trilde.’ De Amerikaan wist veilig naar vliegbasis Soesterberg terug te keren, maar de Nederlander was dagenlang spoorloos. De oorzaak van het ongeluk bleek achteraf allemaal te wijten aan technische fouten, die tijdens de check voorafgaande aan de vlucht niet opgemerkt waren.

1-3. Locaties van de ooggetuigen van de explosie op het moment dat het vliegtuig het water raakte. 4. Locatie van de gevonden helm 5. Locatie van de gevonden vleugel van de 6. Locatie van het gevonden stuk aluminium 7. Vermoedelijke plek waar het Nederlandse toestel is neergestort.

De volgende dag werd bij Stellendam een stuk vleugel van 80 bij 53 centimeter gevonden, en in een akker bij het plaatsje Zonnemaire op Schouwen-Duiveland een pilotenhelm. In de nabijheid werden ook nog andere onderdelen aangetroffen, zoals een stuk aluminium met rubber en een gebogen stuk glas. Ook op Voorne-Putten werden enkele kleine stukken aangetroffen. De 58-jarige Arie Klok, landbouwer te Rockanje, verklaarde tegen opperwachtmeester Monster het volgende: ‘Ongeveer twee weken geleden heb ik een perceel bouwland van mij, liggende in de polder De Quack onder de gemeente Hellevoetsluis, zodanig bewerkt dat het vrij vlak kwam te liggen. Vanmorgen 15 april 1961 heb ik dat perceel bouwland tezamen met personeel, met kunstmest bestrooid. Omstreeks 10:30 uur vonden wij op dat perceel bouwland een stuk aluminium. Dat stuk lag plat op de grond en had er kennelijk nog niet lang gelegen. Kort na het vinden van dat stuk vonden wij nog een stukje aluminium. Dat stukje lag ongeveer 25 meter van de plaats waar wij dat andere stuk vonden. Daar ik vermoedde dat die stukken aluminium afkomstig waren van een vliegtuig en mogelijk van het vliegtuig, dat deze week als vermist is opgegeven, zijn die stukken door ons opgeraapt om mee naar huis te nemen en daarna aan U eventueel af te geven. Dat kleine stukje had één van mijn personeel bij zich, maar dat heeft hij op weg naar huis verloren. Het grotere stuk heb ik  in mijn woning.’

De wachtmeester nam het stuk aluminium in ontvangst en zocht de omgeving af naar verdere resten. Hij vond het onderdeel terug, maar afgezien daarvan leverde zijn speurwerk niets op. Dus hij maakte proces-verbaal op en droeg alles over aan de brigadecommandant van de Koninklijke Marechaussee in Rotterdam. Daarmee was het onderzoek naar het vliegtuigongeluk voor wat betreft Voorne-Putten afgedaan.

 

13 reacties op “Gecrashte straaljagers op Voorne-Putten

  1. Het ongeluk bij Heenvliet herinner ik me nog goed. Ik was toen 8 jaar en mijn ouders hadden café ‘t Centrum aan de Stationsweg (nu De Magneet). Ik zat die middag in de keuken te eten en hoorde een doffe dreun. Ik ben toen op mijn fietsje gesprongen en naar de brandweergarage gefietst en hoorde al snel dat er iets bij de molen was gebeurd. Dus snel doorgefietst en ben met een paar vriendjes de dijk opgelopen waar het vliegtuig was neergestort. Het was nog niet afgezet en we liepen tussen allemaal brokstukken door, waar duidelijk ook bloed aan zat. Vrij snel werden we teruggestuurd door de brandweer. Die dag en de dagen erna was het in het café van mijn ouders een drukte van belang met allemaal luchtmachtpersoneel. Ook aan de overkant bij mijn schoolvriendje Frans Beukelman was het druk, omdat zijn ouders woonden tegen het Groene Kruisgebouw. Later kwamen op school militairen in de klas vragen wie van de kinderen iets gezien had. Barend van Staveren is volgens mij toen nog gehoord omdat hij volgens de verhalen het vliegtuig neer had zien storten.

  2. Comme déja écrit dans un gmail adressé à Mr Benschop, j’ai marqué mon désaccord quant à la relation de cet accident et ai depandé de donner à la relation du pilote la même diffusion que celle faite par monsieur Taco Meeuwsen. Le terme ‘slordig’ employé en parlant de moi, m’a profondément choqué; je vous renvoie donc ma relation de l”accident.
    Marcel Hurdebise

    • Alle reacties worden eerst gecontroleerd op spam en overige problemen alvorens ze worden geplaatst. Met vriendelijke groet,
      Taco Meeuwsen

    • Ik kan uw vraag helaas niet beantwoorden, mijnheer Hurdebtse. En ik kan weinig voor u betekenen. De bijdrage waarop u reageert is geplaatst door de heer Bob Benschop. streekarchivaris Voorne-Putten. U zult zich tot hem moeten richten om uw verhaal over het voetlicht te krijgen. U kunt hem mailen via: ‘Bob Benschop’ info@streekarchiefvpr.nl

  3. Als piloot van de gecrashte T33 ben ik niet volledig akkoord met de conclusies die hier worden weergegeven naar aanleiding van mijn ongeluk. Ik zal dat verder uitleggen, een kort relaas van de oorzaken van het ongeluk volgt hier.

    De onderzoekcommissie kon uiteindelijk niet anders dan concluderen dat de oorzaak van het luchtvaaartongeval onbekend was. Enkele jaren later werden de T-birds van luchtbasis Bierset aan de grond gehouden, een Belgishe technicus had enkele rivetten gevonden die los waren. Dat was echter niet het geval bij het vliegtuig van piloot Hurdebise. De eerste slordigheid van piloot Hurdebise was iemand te laten vliegen die geen instructeur was en die piloot Hurdebise niet kende. De tweede slordigheid was de wijze waarop de parachute was herplooid. De derde slordigheid was het slapen van de radarcontroleurs: geen van hen heeft het noodsignaal van het vliegtuig opgevangen en adequaat doorgegeven. De onervaren leerling-piloot vloog zonder voldoende kennis van zaken.

    Ik wil de heer Meeuwsen bedanken voor diens goede adviezen.
    Met vriendelijke groet,

    Marcel Hurdebise

  4. (Bewerkte reactie)
    Ik verzoek de mensen die mijn reacties lezen, daarbij in aanmerking te willen nemen: mijn hoge leeftijd van 74 jaar en verschillende lastige ziekten, waaronder Parkinson. Ik ben niet van Nederlandse oorsprong en dat maakt het schrijven van het Nederlands momenteel erg moeilijk.
    Marcel Hurdebise

  5. Herewith some additional info about the 1961 crash. The info is from the USAF crash report. During night intercepts over the North Sea (coast of province Zeeland, near the town of Zonnemaire) a F-102 Delta Dagger (56-1044) of the 32nd Fighter Interceptor Squadron “Wolfhounds” of the USAFE suffered a fire control malfunction and put a wingtip through the cockpit of a RNLAF Hawker Hunter (N-260). A small screw came loose and caused a range potentiometer to stop showing decreasing range and the pilot (Captain Robert James Lerner) thought he wasn’t still closing on his target because his range circle on his scope wasn’t decreasing in size. The fighter returned to base without realizing he had collided with another aircraft even though he was missing a couple of feet off one wing tip. Unfortunately the Dutch pilot (First Lieutenant van de Gaag) was killed in the collision. The Dutch pilot and his plane, in spite of long search operation, were never found. The Hawker Hunter was part of the 326 squadron, which was like the 32nd squadron stationed at Soesterberg Air Base.

    An additional footnote: When the F-102 landed at Soesterberg AB it was noted that one ejection seat pin was installed. If necessary, the pilot would not have been able to eject.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>