Een lege plek

Bij ons thuis hadden we geen echte kunst aan de muur. Wel kunst van het eenvoudige soort. ‘Huiskamertjeskunst’ noem ik dat tegenwoordig voor het gemak, maar ik besef dat zo’n terminologie enigszins denigrerend is, dus ik zal de naam veranderen in kunst van het eenvoudige figuratieve genre. Ik bedoel: tuintjes met kippen, genrestukjes, ondergaande zonnen, sneeuwlandschapjes,  bloemstillevens…  enz. De onderwerpen mogen burgerlijk en voorspelbaar zijn, maar bedenk: er waren ooit kunstenaars zoals de vroege Mondriaan, Kees Verwey, de Marissen en anderen die er beroemd mee zijn geworden. Het onderwerp is bij hun dan wel onderschikt aan de knappe techniek, de stijlperiode en de originele visie op de werkelijkheid, maar toch!

Stilleven met Keulse pot en lampionplant, gouache, Martinus Middelhoek

Op zich heb ik niets tegen huiskamertjeskunst, zij herinnert me aan de verjaardags- en nieuwjaarskaarten van mijn jeugd waarnaar ik uren kon turen om maar te ontdekken hoe mooi die getekend en geschilderd waren.

Zelf hadden wij een pentekening van J.J. vd Voorde, een Briellenaar, in de achterkamer boven een leunstoel aan de muur hangen, een pentekening die ik in mijn jeugd zo vaak nagetekend heb dat ik hem nu nog in enkele lijnen feilloos kan reproduceren, het is een tekening van de Brielse Dom en dateert uit het begin van de twintigste eeuw of iets daarna. Een knap stukje werk, zeker als je beseft dat de Brielse Dom in Oost-Indische inkt een nauwkeurig werk is wanneer je alles op de juiste plaats wil situeren, rekening houdend met compositie, perspectief en schaduwwerking.

Ook hadden we een paar ‘Middelhoekjes’ in huis op Voorstraat 133 en later in Nobelstraat 85 ook nog een ondergaande zon van iemand waarvan ik me de naam niet meer herinner. Vooral dit laatste werk fascineerde me als kind. Het hing boven een toiletkastje nabij kom-en-lampetkan op de zit- slaapkamer van mijn grootvader en bepaalde zó treffend de avondstemming van mijn jeugd, dat ik nog steeds aan dat kunstwerk moet denken als wij de lichten doven, de luiken sluiten en de pannen erop leggen.

Er waren vroeger in mijn directe Brielse omgeving slechts twee kunstschilders van naam. Ook deze opmerking dient enigszins bijgesteld te worden: van naam betekent natuurlijk binnen de grenzen van onze Brielse leefgemeenschap.

De ene woonde twee huizen van ons verwijderd in de Voorstraat en heette Aai van Soest. Van hemzelf weet ik helaas weinig te vertellen; waarschijnlijk zat hij vaak in zijn schuurtje, zeg atelier, of ergens op zolder te schetsen of te schilderen. Of misschien schilderde en tekende hij wel op locatie. Het zou me niet verwonderen. Ik weet niet of hij aardig was of stil, of nurks, maar zijn vrouw kende ik goed omdat ze nagenoeg doof was en derhalve met luider stem sprak wat bij ons in huis soms zelfs nog te horen was. Als je bij haar binnenkwam via de voordeur ging er eerst een luide  koperen bel klingelen, daarna ging de deur van de achterkamer open en dan klonk het op scherpe toon: ‘Zo, ben jij het, kom maar binnen’. Even later klonk dat ‘Zo, ben jij het kom maar binnen…’ nog een keer, niet als een echo, maar uit de kromme snavel van een papegaai die in een kooi zat, die ergens hoog aan de zoldering hing. Dat vogelbeest kon er wat van. Bijna alles kon hij terugzeggen, als het maar Briels dialect was, maar hij was ook in staat, afhankelijk van zijn stemming, een serie vloeken te produceren die er niet om logen. Ik mocht niet vloeken, maar een vloekende papegaai was zo’n zonderling geval, dat er bij ons thuis toch om gelachen werd, zij het met enige gêne.

Van Soest kon mooi schilderen. En dat vind ik nog steeds. Laatst trof ik in een kunstboek een aquarel van hem aan die zondermeer knap genoemd kan worden. Zijn spontane toets, zijn sfeervolle weergave van het onderwerp en zijn rake composities mogen er zijn. Dat wij geen werk van hem in huis hadden verbaast me nog steeds.

De andere kunstschilder heette dus Middelhoek. Wij noemden hem vroeger Zwarte Sam. Veel mensen in Den Briel hadden een bijnaam: Tinus Plotseling, Aai Tekke, Snurkie,  Ninne, Bello, Pikkie Tortie…

Middelhoek, ik bedoel Martinus Middelhoek, was wat ons betreft de grootste twintigste-eeuwse kunstenaar ooit. Hij leefde nog, maar een grotere zou toch nooit geboren worden. In veel huiskamers in Den Briel hing zijn huiskamertjeskunst en nogmaals: ik zeg dit zonder pedanterie, want ik vind zijn werk nog steeds mooi en huiselijk. Wat is daar mis mee? Als kind vond ik het zo mooi, en tegen ‘mooie plaatjes’ heb ik nog steeds niets. Kunst moet wel ontroeren, alleen wat mij op de een of andere manier diep ontroert vind ik mooi. Er schuilt een simpele geest in mij. Maar let op: niet alles wat mooi is, ontroert me. En… wat mij ontroert, ontroert een ander mogelijk niet. De situatie is dus ingewikkelder dan men op het eerste gezicht denkt.

Wij hebben nóg steeds een echte Middelhoek in huis, uit een erfenis verkregen van mijn oom Han, een Stilleven met Keulse pot en lampionplant, uit 1937, dat fraai de rust uitstraalt van een voorgoed vervlogen tijd. Elk jaar, rond Kerst, hangen we het aan de muur tussen de schoorsteen en de plantenbak, omdat het zo sfeervol is, omdat het zo duidelijk van vroeger is.  Onze vrienden en vriendinnen staan er dan vol ontzag naar te kijken, want knap werk is het ook. En wij zeggen dan terloops: ‘Een echte Middelhoek’, en dan kijken ze met nog meer ontzag en ze fluisteren: ‘Zo… een echte Middelhoek…?’

Toen we trouwden, Ankie en ik, in 1966, moesten we ons aan de heer Middelhoek en zijn echtgenote voorstellen, want hij bleek in de verte familie van Ankie te zijn. Zijn vrouw en de oma van Ankie waren zusters, en hij was dus een zwager. En in het huis van haar oma hingen wel tien aquarellen van zijn hand, die ik bij een eerste bezoek aan haar  als zodanig herkend had, waardoor ik een goede beurt maakte en als kunstkenner werd ingehaald. De heer Middelhoek was voortaan voor mij niet meer Zwarte Sam, ook niet de leraar aan de LTS,  of iemand uit Den Briel, maar oom Martien, de kunstschilder.

We gingen er op een avond heen, Coppelstockstraat zoveel, en al gauw ging het gesprek over schilderkunst, want Ankie meende te moeten opmerken dat ik ook aardig kon tekenen en dat ik enige kennis had van kunst in het algemeen en schilderkunst in het bijzonder. En inderdaad, ik had er een boek over gelezen.

Ik herinner me dat het een gezellige avond was, koffie met iets er bij, een babbeltje over Brielse gebeurtenissen en de Middelhoekjes accepteerden mij geheel, terwijl ze toch geweten moeten hebben dat ik niet zo’n fraai portret was in mijn puberteit. Opeens haalde oom Martien uit een lade van een brede opbergkast een stapeltje aquarellen; het waren geen afdankertjes, dat moesten we vooral niet denken, maar actueel werk. We mochten er één uitkiezen, als huwelijkscadeau. Zoiets is altijd problematisch, wat moet je kiezen? Waar moet je op letten? Welke smaak heb je eigenlijk en waardoor werd die bepaald? We hadden ons huis al ingericht met grijze Heugafeld tapijttegels, quasi antieke plantentafeltjes, een bloembak, een kolenkachel vóór en een oliestook achter, een eiken bank met roodgeruite bekleding, twee dito zetels en nog zo wat. Kortom: het schilderij moest daar bij passen en dat is moeilijk kiezen. Gelukkig was er nog een ander criterium, namelijk het herkenbare en… het werd een landschap met twee molens op de voorgrond, en in de verte nog één. Om precies te zijn: Maasland, waar Ankie gewoond had en waar nog steeds haar familie woonde. We herkenden het: het plekje was nog net zoals we het pas gezien hadden, we zagen het direct en het sprak ons aan. Het emotioneerde ons nog niet, maar dat zou mogelijk later komen…

Met dat schilderij van oom Martien is het curieus gegaan. We lieten het inlijsten en hingen het in ons nieuw-verbouwde mèèsters’uus in Zeeuws-Vlaanderen, waar ik in 1964 ‘hoofd der school’ was geworden. Het hing er prachtig, tussen de schoorsteen-met-kolenkachel en de plantenbak met de moderne hanglampen. Het heeft er een paar jaar gehangen en iedereen zei: ‘Da’s schôôn, niet te geleuven….  Da’s schôôn…’

Op zeker moment zou Jan de Fouw zijn vijfentwintigjarig jubileum vieren als postbode van onze buurtschap en omstreken. Gewoontegetrouw zou ‘de meester’ (d.w.z. de leerlingen van school…) geld ophalen voor een cadeau. Jan wilde een elektrisch scheerapparaat, en daar moest de meester voor zorgen als er genoeg opgehaald werd, en natuurlijk ook voor een toespraak en een toepasselijk lied met gitaarbegeleiding.

De schoolkinderen hadden echter zoveel geld opgehaald, dat er nog wel een cadeau bij kon. Maar welk? We hebben een hele avond zitten piekeren en delibereren, Ankie en ik. Ons gezin was in de aanvang nogal armlastig. Onderwijzers verdienden destijds niet veel, zo’n zevenhonderd gulden bruto per maand. En: een hoge huur, twee kindjes die er proper uit moesten zien, op z’n tijd een sherry en een stukje kaas uit het vuistje, een deux chevaux en… een investering in de toekomst: mijn studie Nederlands.

Een mooi schilderij leek ons na lang beraad dus ook wel wat voor de jubilaris, als extra attentie dus naast het scheerapparaat. Het stond niet op zijn verlanglijstje, maar zoiets is wel zo verrassend: iets krijgen wat je nooit had durven verlangen en wat heel mooi is. Ankie vond het goed, ondanks de familiale binding met het onderwerp, en ik vond het goed omdat Ankie het goed vond. Ach, dacht ik: ik maak zelf ooit nog wel iets voor aan de muur…

En zo gaf ons dorp de postbode een elektrisch scheerapparaat en een originele Martinus Middelhoek, en wij stopten daarmee f 150,00 in eigen zak. Niet voor lang trouwens, want de rekening van twee maanden geleden bij Ko Spar, de plaatselijke kruidenier, moest nog vereffend worden. Hij vond het schoon, Jan de Fouw, ‘êêl schôôn’, en zo onverwacht, hoe kwamen we erop. En zijn vrouw vond het ook mooi. Het heeft jaren in hun woonkamer gehangen, want elke keer als we ernaar vroegen, zei Jan: ‘Het hangt er nog hoor, boven de bank!’

Bij ons was er vanaf die tijd tussen de schoorsteen en de plantenbak een lege plek op het behang te zien, maar die namen we voor lief, en elke keer als we ernaar keken, naar die lege plek, dachten we aan onze lege portemonnee en die honderdvijfig guldens die allang uitgegeven waren voordat het cadeau vergeven was.

En nu denken we: waar zouden ze toch gebleven zijn, die molens van Maasland met de staccato handtekening van onze oom Martinus eronder… Iemand moet daar toch dagelijks naar kijken en zeggen ‘wat schôôn… , êêl schôôn, die meulens…’ Jan de Fouw is al overleden, en zijn vrouw ook. En kinderen hadden ze niet, voor zo ver ik weet. En het gekke is, naarmate de tijd verstreek kregen we steeds meer spijt van ons ruimhartig cadeau aan Jan de Fouw. Ja, het gemis, daar werden we zelfs ontroerd, diep ontroerd door. Het moet dus weldegelijk echte kunst geweest zijn! Oh, die molens van Maasland…!

Ach, dacht ik: ik maak zelf ooit nog wel eens iets voor aan de muur… (aquarel)

Kees Weltevrede, Gagel 1, 5133 TP Riel

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>