Bewoningsgeschiedenis van Hellevoetsluis

De oudste sporen

De bewoningsgeschiedenis van Hellevoetsluis gaat terug tot ongeveer 2500 voor Christus op basis van de tot nu toe bekende archeologische gegevens. Het gaat om vindplaatsen uit de Late Steentijd. Ook uit latere perioden van de prehistorie, de Bronstijd en de IJzertijd, zijn bewoningssporen bekend, evenals uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen, waarvan de tastbare resten, vaak gedetailleerd en verrassend goed geconserveerd, op talloze plaatsen in de bodem van Hellevoetsluis aanwezig zijn. Ook aan de jongere geschiedenis van de gemeente dragen archeologische gegevens bij. Denk hierbij aan de bedijkingsgeschiedenis, het ontstaan en de ontwikkeling van de vroegere dorpen Nieuw-Helvoet en Nieuwenhoorn èn aan de maritieme geschiedenis van Hellevoetsluis zelf.

Oosthoek

Een impressie van de nederzetting 'Oosthoek' uit de dertiende eeuw, op de plaats waar nu de Ravense Hoek ligt (illustratie: Anja Pieké).

De bewoningsgeschiedenis van Hellevoetsluis hangt nauw samen met de landschapsontwikkeling van het Westnederlandse kustgebied en dat van het Maasmondgebied in het bijzonder. Deze dynamische landschaps- en bewoningsgeschiedenis wordt als volgt beknopt geschetst.

Ongeveer 10.000 jaar geleden, aan het begin van het Holoceen, steeg de zeespiegel als gevolg van een klimaatsverandering. De Noordzee, die tijdens de laatste IJstijd droog had gestaan, vulde zich met water waardoor de kustlijn naar het oosten opschoof. De oudste sporen van menselijke aanwezigheid in de wijdere omgeving van Hellevoetsluis dateren uit deze periode van de sterke zeespiegelrijzing. Het gaat om honderden benen spitsen met weerhaken en enkele harpoenpunten van zo’n 9000 jaar oud, die van 20-22 m beneden NAP met het zandzuigen ten behoeve van de aanleg van de Maasvlakte naar boven zijn gekomen. Het is jacht- en visgerei van groepen jagers en verzamelaars die het voedselrijke rivier- en moeraslandschap rond de toenmalige ‘Maasmonding’ benutten. Ook in Hellevoetsluis kunnen dergelijke vindplaatsen op grote diepte (circa 20 m) aanwezig zijn.

ARCHEOKARTEEDERS 1

Archeokarteerders van BOOR (Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam) doen proefboringen in de polder waar de nieuwbouwwijk Parnassia zal komen (foto: Taco Meeuwsen).

Hierna ontbreken de aanwijzingen voor en sporen van de aanwezigheid van mensen in het gebied van Voorne-Putten. Door de verdergaande zeespiegelrijzing vanaf ruwweg 7000 v. Chr. veranderde de riviervlakte en de moerassen in een waddengebied. Er was gedurende langere tijd sprake van perioden van sedimentatie van zand en klei (Afzettingen van Calais en Hellevoeterzand), afgewisseld door perioden van veengroei (Hollandveen).

In het derde millennium voor Christus ontstond een meer gesloten kust met strandwallen. Het landschap erachter verzoette, er ontstonden moerassen waar veen begon te groeien. Uit deze periode van het Laat-Neolithicum (3100 – 2100 v. Chr.) is in 2006 een grote vindplaats ontdekt in Helevoetsluis met allerlei afval, zoals aardewerk, vuursteen, slachtafval en verbrand graan. Het gaat in die tijd om boeren met akkerbouwproducten en vee, maar jachtwild had nog steeds een dominante plaats in het voedselpakket, waar vis en veldvruchten eveneens aan bijdroegen. In Hellevoetsluis bivakkeerde men toen op een enigszins hoger gelegen rug in het toenmalige kwelderlandschap.

De beginnende veengroei zet zich ook in de Bronstijd (2100 – 800 v. Chr.) onverminderd voort. Het gebied wordt één groot moeras, waardoor de bewoningsmogelijkheden voor de mens zeer beperkt werden. Sporen van de aanwezigheid van de mens ontbreken. Wel is er de vondst in 1967 van een bronzen lanspunt op de bodem van de toenmalige bouwput van het sluizencomplex in het Haringvliet op ongeveer 15 m beneden NAP, maar gelet op de secundaire ligging is er onvoldoende grond om van bewoning te kunnen spreken.

ARCHEOKARTEEDERS 2

Archeokarteerders van BOOR (Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam) doen proefboringen in de polder waar de nieuwbouwwijk Parnassia zal komen (foto: Taco Meeuwsen).

In de IJzertijd (800 – 12 v. Chr.) wordt het uitgestrekte moeras op natuurlijke wijze ontwaterd wanneer geulen de veengebieden binnendringen en er plaatselijk, maar niet binnen de gemeente Hellevoetsluis, uiteindelijk ook klei en zand afzetten. De ontwaterde venen worden door de mens gekoloniseerd. Het gaat om boeren die vee hielden, vooral runderen, en die akkerbouw bedreven. Het waren echte agrariërs, die vanuit soms grote boerderijen – tot 25 m lang, met plaats voor meer dan 20 stuks vee – het omliggende landschap benutten. Jagen en vissen speelden geen rol van betekenis meer. Hellevoetsluis kent drie vindplaatsen uit deze periode, die niet nader zijn onderzocht; twee vindplaatsen vormen samen één terrein dat is opgenomen in de Archeologische Monumentenkaart van Zuid-Holland.

In de Romeinse tijd (12 v. Chr. – 400 na Chr.) was Voorne-Putten intensief bewoond. Het ‘Romeinse’ Voorne-Putten zal vooral een agrarisch karakter hebben gehad. De inheemse boeren exploiteerden de klei- en veengebieden vanuit tientallen boerderijen: akkerbouw en veeteelt. De gemeente Hellevoetsluis telt meer dan 25 vindplaatsen uit de Romeinse tijd die allemaal in een veenlandschap lagen en waarvan er twee zijn onderzocht. In totaal zijn 12 terreinen opgenomen in de Archeologische Monumentenkaart van Zuid-Holland.

In de loop van de 3e eeuw na Christus stopte de bewoning. Het gebied wordt verlaten. De algehele politieke situatie kan hierbij een rol hebben gespeeld, maar evenzeer kan het natter wordende landschap een rol hebben gespeeld. Vanaf de 3e eeuw na Christus begint namelijk op een aantal plaatsen de veengroei opnieuw, ook in Hellevoetsluis.

De veengroei die in de 3e eeuw begon, kwam in de 6e eeuw tot een einde. Plaatselijk werd opnieuw klei afgezet, de Afzettingen van Duinkerke II. Historisch, en ook wel archeologisch, zijn er aanwijzingen dat Voorne-Putten in de 7e eeuw is bewoond. Het gaat dan om bewoning op en de ontginningen van de kleigebieden. De venen erbuiten, zoals het gebied van Hellevoetsluis, zouden vanaf ruwweg 1000 zijn ontgonnen. Over de precieze aard en omvang van de vroege ontginningen is weinig bekend.

Vanaf de 12e eeuw heeft Voorne-Putten grote last van overstromingen, waarbij grote delen door het water worden bedreigd en verloren gingen. Eerst aan de noordkant en iets later aan de zuidkant, met het ontstaan van het Haringvliet rond 1214. De Heren van Voorne, de machtige bestuurders van het gebied, riepen de hulp in van de Vlaamse abdij Ter Doest. In het toenmalige gebied ‘Oosthoek’, voor een groot deel gelegen binnen de gemeentegrens van Hellevoetsluis, had de abdij een uithof en later ook andere bezittingen. De abdij was actief betrokken bij de bedijkingen en moerneringen tussen 1200-1300 in dit deel van Voorne. In de wijk Ravense Hoek zijn uit deze periode een begraafplaats met de resten van minimaal 157 personen en een bakstenen woontoren op een omgracht eiland archeologisch onderzocht. In het begin van de 14e eeuw gaat het gebied definitief onder water; er wordt klei afgezet tot aan de inpoldering 1368.

In 1368 en 1395 kwamen achtereenvolgens de polders Nieuwenhoorn en Nieuw-Helvoet gereed, met direct daaropvolgend de geplande en gelijknamige nederzettingen. Hellevoetsluis ontstaat later en maakte een unieke ontwikkeling door van een 15e/16e- eeuws vluchthaventje bij een uitwateringsluis van de polder Nieuw-Helvoet tot een zwaar versterkte marinehaven, die vanaf omstreeks 1600 door de Staten van Holland en Westfriesland werd uitgebouwd tot havenplaats en later in 1628 werd aangewezen als basis voor de oorlogsvloot van de Admiraliteit op de Maze. Vanaf 1665 is definitief sprake van de vesting Hellevoetsluis, want dan is met zekerheid gestart met de aanleg van vestingwerken.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>