21 Armoede op het platteland

21

Achttiende eeuw

De akkers en weiden op Voorne-Putten verschaften de boeren een dikke boterham. Het was echter ook een kwetsbaar bestaan: misoogsten of een veeziekte bracht een boer zo aan de bedelstaf. Voorne-Putten leefde van akkerbouw en veeteelt. De laaggelegen polders in Putten bestonden voornamelijk uit weilanden, waar koeien en schapen graasden. De hoger gelegen polders, met een bodem van vruchtbare klei, werden gebruikt voor het verbouwen van landbouwgewassen.

Op de akkers groeiden graan, lijnzaad, vlas, peulvruchten en meekrap. Rond Brielle werd tabak geteeld en op de zandgronden bij Oostvoorne verbouwden de boeren rogge, boekweit en tuinbouwproducten zoals asperges. De bossen nabij het duingebied rond Oostvoorne en Rockanje verschaften de bewoners brandhout en het vormde het leefgebied van allerhande wild. Zonder toestemming was het evenwel verboden te jagen op de fazanten, patrijzen, hazen en konijnen. In de zomer verzamelden imkers honing uit de bijenkorven. Vanuit Zwartewaal en andere havens voeren tientallen vissersschepen de rivier de Maas en de Noordzee op om te vissen op zalm, haring, schelvis en ansjovis, maar ook op oesters, mosselen en garnalen. De beste weilanden lagen op Putten. De koeien gaven veel melk, die gekarnd werd tot boter en kaas. De landbouwproducten werden tot ver buiten de regio uitgevoerd en slagers in Rotterdam, Delft en Amsterdam betaalden grif voor de vette koeien. Kortom, de landbouw op Voorne-Putten leverde werk en welvaart op. Eeuwenlang vormde brood het belangrijkste voedingsmiddel, maar dat kwam geleidelijk verandering in. Omstreeks 1700 begonnen Hollandse boeren en arbeiders op kleine schaal aardappelen te telen. Het gewas werd deels geproduceerd voor de eigen consumptie, maar vooral om als veevoer te dienen. In 1733 werd in Zuidland al geproduceerd voor de markt in Dordrecht en Rotterdam. In het hongerjaar 1740-1741 nam de consumptie een hoge vlucht. De graanoogst mislukte en de aardappelen die voor het vee waren bedoeld bleken een uitkomst. In oktober 1740 kocht het Gasthuis in Brielle een zak aardappelen om de ouden van dagen te kunnen voeden. Ook na de crisis bleven de aardappels opgediend worden. Terwijl de akkerbouw deze omslag doormaakte, kregen de veehouders in de tweede helft van de achttiende eeuw te maken met de veepest. In de achttiende eeuw kostte een virusinfectie vele duizenden koeien het leven. Er zijn talloze voorbeelden van boeren op Voorne-Putten die hun kudde geheel of deels aan de pest verloren en zo geruïneerd werden.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>