Per 1 maart vertrok de Koninklijke Marine voor de tweede keer uit Hellevoetsluis. De vaste bezetting van 70 á 80 man van de mijnendienst die sinds 1959 in enkele gebouwen lag gelegerd, werd overgeplaatst naar Vlissingen en Den Helder. De zeven mijnenvegers, de ‘mottenballenvloot’ , werden eveneens naar de twee steunpunten overgebracht. Dit omdat de Marinestaf er niet van overtuigd was dat de vloot in tijd van nood snel genoeg de sluizen in de Haringvlietdam kon passeren om op zee te kunnen komen. Er kwamen diverse gebouwen in de vesting leeg te staan en ook Niestern scheepsbouw Unie verwachtte problemen.